De democratisering van de ICT

Een onafhankelijke visie op Informatie- en Communicatie-Technologie
in het onderwijs1

Herman Bruyninckx
Post-doctoraal onderzoeker F.W.O.-Vlaanderen en deeltijds docent K.U.Leuven
Departement Werktuigkunde, Celestijnenlaan 300B, 3001 Heverlee
http://www.mech.kuleuven.ac.be/$\sim$bruyninc

v.3.7: 6 februari 2002

Samenvatting:

Dit document pleit voor het aanvaarden van het succesrijke model van Vrije Software (zowel ontwikkeling als gebruik), om het ICT onderricht in het onderwijs op een kwalitatief hoger niveau te brengen. De grote waarde van Vrije Software ligt niet alleen in zijn technische aspecten en in zijn grote verscheidenheid aan projecten en programma's, maar vooral in de bijhorende mentaliteit van voortdurend en onvoorwaardelijk delen van kennis en ervaring, in een geest van multi-culturele samenwerking met respect voor ieders kwaliteiten en gevoeligheden. Vrije Software betekent voor ICT wat de Renaissance betekende voor de Westerse beschaving: de democratisering van het deelnemen aan, en het verantwoordelijkheid opnemen voor, de onwikkeling van de (ICT) maatschappij. Op dit gebied biedt Vrije Software op pedagogisch vlak een competitief voordeel dat geen enkele van de commerciële ICT-producenten ooit kan aanbieden.


Inhoudsopgave

Uitgebreide samenvatting

Deze uitgebreide samenvatting bevat de kern van het betoog uit de rest van het artikel. De samenvatting geeft gehaaste lezers een overzicht, en, hopelijk, ook de smaak, om het gehele artikel te doorworstelen en te verwerken.


De invoering van ICT in het onderwijs is één van de belangrijke beleidsstrategieën die Ministeries van Onderwijs van alle landen en regios moeten doorvoeren. Deze tekst ontplooit een totaalvisie op die strategie, die verder kijkt dan de feitelijke invoering van computers en Internet-toegang in de scholen. De kern van dit artikel bestaat uit een kritische evaluatie van de huidige stand van de Informatie- en Communicatie-Technologie (ICT), en een schets van concrete krijtlijnen voor een onafhankelijk ICT-programma voor onze lagere en middelbare scholen.

Het ``geheim'' achter Vrije Software is de door geen enkele commerciële organisatie te evenaren dynamiek, motivatie en flexibiliteit van duizenden, door het Internet verbonden en samenwerkende vrijwilligers en professionelen. Eenzelfde dynamiek kan (ook in kleine taalgebieden!) zorgen voor de ontwikkeling van, aan de ene kant, goede educatieve software, aangepast aan de culturele eigenheid van de regio en de wensen van de individuele leraar, en, aan de andere kant, voor de technische ondersteuning van leraren en scholen. Bovendien past de Vrije Software mentaliteit uitstekend bij de waarden van samenwerking, kritische houding, onafhankelijkheid, pluralisme, en delen van kennis, die iedereen vanzelfsprekend vindt in een goed onderwijssysteem.

Op strategisch gebied is lef al wat een overheid, een school of een administratie nodig heeft om het schier onmetelijke potentieel van de Vrije Software aan te boren: lef om de voorgestelde onorthodoxe weg te durven bewandelen, om het stimulerende klimaat te scheppen waar creatieve Vrije Software vonken kunnen overslaan, en om daarna te vertrouwen op de dynamiek van het eigen initiatief die in een scholengemeenschap, een administratie of een bestuur zelf zal ontstaan. Dat het niet utopisch is om op de grote hefboomswerking van deze organisch groeiende dynamiek te rekenen is reeds ten overvloede bewezen door voorbeelden zoals het Internet en Linux: beide zijn succesverhalen van wat er aan creativiteit en kwaliteitssoftware kan ontwikkeld worden via de niet-gestuurde, niet-commerciële maar wereldomvattende inspanningen van vrijwilligers, universiteiten, onderzoekscentra en bedrijven. Deze ``amateur''-ontwikkelaars hebben bovendien al sinds geruime tijd het gezelschap gekregen van een groeiend aantal medewerkers uit professionele software en hardware bedrijven, wat de kwaliteit en verspreiding van Vrije Software alleen maar kan verbeteren.

Democratisering en ontvoogding van de burger is een twee-richtingsverkeer: de overheid moet niet alleen de persoonlijke ontplooiing en waardigheid van de burger alle kansen geven, maar moet tevens de mogelijkheden scheppen opdat diezelfde burger op eenvoudige wijze zijn bijdrage kan leveren aan het gemeenschappelijk bezit. De Vrije Software wereld toont voortdurend aan dat het kan, en wat de technische en de juridische infrastructuur zijn waarin zulke synergie kan ontstaan. Bovendien is wat mogelijk is voor Vrije Software even goed mogelijk voor Vrije Inhoud (lessen, documentatie, foto's, enz.); programmeerkennis is dus helemaal geen vereiste om nuttige bijdragen te kunnen leveren aan een betere ICT-ondersteuning van het onderwijs.

Politiek vertaalt de keuze voor of tegen Vrije Software zich als een keuze tussen geloven in, enerzijds, de zelf-regelende en scheppende kracht van een meritocratische, multi-culturele meritocratie in een vrije markt klimaat, of, anderzijds, de corporatistische, verstikkende oligarchie van groeiende monopolies.

Dit artikel bespreekt (onder meer) de volgende ICT-aspecten in meer detail:

1 Doelstellingen van deze tekst

De evolutie van onze maatschappij naar een kennis- en informatiemaatschappij is onomkeerbaar. De verantwoordelijkheid van ons onderwijs in deze evolutie is zonder meer enorm. Scholieren en studenten moeten een gedegen opleiding krijgen in de Informatie- en Communicatie-Technologie (ICT), want voor de nieuwkomers op de arbeidsmarkt betekent ICT-analfabetisme nu al hetzelfde als wat analfabetisme betekende voor hun ouders: een uiterst moeilijk te overbruggen achterstand, en verminderde kansen op een creatieve en veelzijdige job.

Vanzelfsprekend zijn alle politieke verantwoordelijken van dit besef doordrongen, en meer in het bijzonder spannen universiteiten en onderwijs-ministeries zich in om fondsen vrij te maken voor ICT en ICT-opleiding. Maar, zoals zo vaak wanneer het gaat over het opleiden van mensen voor een nieuwe technologie, zijn fondsen enkel een nodige maar zeker niet voldoende voorwaarde voor succes. En op het vlak van ICT in het onderwijs zijn dezelfde verantwoordelijken die gul fondsen ter beschikking stellen veel minder creatief in het op papier zetten van een doordachte visie van wat er met die fondsen moet gebeuren.

Dit artikel probeert dit hiaat op te vullen, en beschrijft de krachtlijnen van een ICT-beleid op lange termijn, dat aandacht schenkt aan:

  1. de stand van zaken op ICT gebied, in de vorm van een kritische evaluatie van hoe ICT nu gebruikt en misbruikt wordt (Sectie 2).

  2. de leerlingen, in de vorm van ICT ``eindtermen'' die verder gaan dan het traditionele leren werken met een tekstverwerker, een web-browser, en een rekenblad. De redenen waarom deze eindtermen ``ambitieuzer'' zijn worden uitvoerig toegelicht. (Sectie 3.)

  3. de leerkrachten en ouders, in de vorm van concrete suggesties voor een integratie van ICT vaardigheden in de lessen, en uitleg over de beschikbare hulpmiddelen en ervarings-voorbeelden voor een efficiënte samenwerking aan educatief materiaal. (Sectie 4.) Deze samenwerking omvat niet enkel die tussen leerkrachten onderling, maar ook tussen leerkrachten en ouders!

  4. het beleid, in de vorm van een economische, politieke, educatieve en maatschappelijke verantwoording van het in dit document voorgestelde ICT-beleid. (Secties 5-8.)

De kern van de voorgestelde visie is dat, op het vlak van educatieve inhoud en software, scholen best resoluut kiezen voor een niet louter door marktmechanismen gedreven aanbod, maar wel voor een aanbod dat bestaat uit, en geïnspireerd is door, de realisaties uit de Vrije Software wereld. Dit document hoopt te kunnen bijdragen tot het oplossen van de heersende onbekendheid met het Vrije Software gegeven, en de daaruit voortvloeiende drempelvrees om Vrije Software hulpmiddelen en technieken te gebruiken in de dagelijkse schoolpraktijk.


2 Kritische evaluatie van de huidige ICT-toestand

Software is een belangrijke component van een goed werkende computer, een goed werkende administratie, en een goed ICT beleid. De vraag naar educatieve en ondersteunende programma's van hoge kwaliteit is groot; de aangeboden kwantiteit en kwaliteit zijn echter nog steeds beperkt, niet in het minst door de beperkte mogelijkheden om de software aan te passen aan de eigen didactische en administratieve behoeften en situaties. Deze beperkingen situeren zich zowel op het technische vlak (d.w.z., laat de software toe om aangepast te worden door de gebruiker?), als op het vlak van de beschikbare mankracht en expertise (d.w.z., wie beschikt er bij de geinteresseerden over voldoende kennis en tijd om de aanpassingen te realiseren?).

Aanpasbaarheidscriterium is wellicht één van de belangrijke kwaliteitscriteria van educatief materiaal, en het is duidelijk dat velen in het onderwijs gemotiveerd zijn om zelf aan die tekorten te verhelpen: ze volgen cursussen op eigen initiatief en kosten, of ze sluiten zich aan bij een computerclub, en ze schrijven in hun vrije tijd software voor gebruik op school. In de loop van de voorbije decennia zijn op die wijze reeds duizenden zelfgemaakte educatieve programma's (of liever: programmaatjes) ontwikkeld. Vele van deze programma's worstelen echter met de klassieke problemen die horen bij zulke kleinschalige initiatieven: weinig kans om uit te groeien tot een product van hoge kwaliteit, door gebrek aan competente mankracht, door een gebrek aan openheid en verspreiding onder kritische geïnteresseerde collega's en scholen, en vooral, door een gebrek aan constructieve discussies tussen de originele auteurs en de gebruikers. Het feit dat kleine taalgebieden weinig aantrekkelijk zijn voor de grote internationale spelers in de software wereld werkt ook al niet echt bevorderend om aan deze toestand veel ten goede te veranderen.

Bovendien is de huidige evolutie op het gebied van commerciële software op zijn minst gezegd niet erg gezond. Enerzijds worstelt de commerciële ICT-markt immers zelf nog te veel met de technologie: de oplossingen die ze aanbiedt zijn nog verre van optimaal; ze zijn in eerste instantie gericht op toepassing in de bedrijfswereld en niet in het onderwijs; er is nog onvoldoende respect voor internationale software standaarden en normen. Dat betekent dat twee software-programma's van verschillende leveranciers zelden perfect uitwisselbaar zijn. En als gevolg hiervan is de software-markt erg weinig competitief en weinig bezorgd om optimale kwaliteit te leveren aan de gebruiker. Die gebruiker ziet zich immers geconfronteerd met hoge kosten om van de ene leverancier over te schakelen op een concurrent. En software-gebruikers gedragen zich zelden als kritische consumenten, die waar (én keuzevrijheid) eisen voor hun geld. Dit passief gedrag is al decennia lang aangemoedigd door de uiterst restrictieve software-licenties die de gebruiker bij elk commerciëel product opgedrongen worden.

Ook de overheid heeft nog slechts een beperkte ervaring met een visionair ICT-beleid. Wat moet er in het ICT programma? Hoe brengt men dit het best tot stand? Welke pedagogische, technische en logistieke ondersteuning moet de overheid aanbieden? En welk deel kan beter door de markt verzorgd worden?

Het ICT programma van de onderwijs-ministeries benadrukt op dit ogenblik vooral materiële streefdoelen, zoals ``1 computer per 10 leerlingen'' en ``vrije toegang tot het Internet''. Het is veel minder duidelijk wat onze leerkrachten en scholieren dan wel met deze middelen verondersteld worden te doen, welke software de scholen geacht worden te gebruiken en welk resultaat ze moeten trachten te bereiken, hoe men ervoor kan zorgen dat de educatieve behoeften en doelstellingen worden gerealiseerd, hoe men het resultaat van de geleverde inspanningen kan evalueren, en, in de eerste plaats, wat die behoeften eigenlijk zijn.

2.1 De markt

De markt wordt overheerst door één enkele speler, Microsoft. Deze monopoliepositie is extreem ongustig voor de software-industrie, en, meer in het bijzonder, de niet-Amerikaanse industrie. Niet enkel op economisch gebied (het handels-tekort van zowat alle landen ter wereld is, op software-gebied, enorm), maar ook op politiek vlak (zowat de hele wereldeconomie en alle overheidsadministraties zijn afhankelijk van één enkel bedrijf dat aan alle democratische controle en sturing ontsnapt) en op educatief vlak (de Angelsaksische markt krijgt absolute voorrang). Eén van de gouden regels die elke bedrijfsleider nochtans al sinds mensenheugenis hanteert is: ``Ik moet ervoor zorgen dat mijn bedrijf niet afhankelijk wordt van één enkele leverancier.'' (Dit is het zogenaamde ``second sourcing'' principe.) Voor software geldt deze gouden regel natuurlijk ook, maar om de één of andere reden wordt die op dit ogenblik zelden in de praktijk toegepast. Een mogelijke reden zou kunnen zijn dat de meerderheid van de beslissingsnemers in de industrie van rijpere leeftijd zijn, zelf geen opleiding en/of praktijk in de ICT genoten hebben, en dus met onvoldoende dossierkennis en kritische zin beslissingen nemen over de aankoop van ICT-pakketten. Niet alleen voor het besturingssysteem kunnen bedrijven of overheden niet van de ene dag op de andere overgaan naar een nieuwe leverancier, maar het probleem stelt zich ook voor alle toepassingsprogramma's.

ICT-consumenten worden bestookt met een niet-aflatende stroom van ``upgrades.'' Die slokken niet alleen veel geld op, maar steeds vaker bieden ze zo goed als geen nuttige nieuwe functionaliteit aan. Het is ook helemaal geen uitzondering dat nieuwe versies van programma's ook uitbreidingen aan de hardware vereisen: snellere processoren en meer geheugen. Bovendien zorgen software leveranciers er wel voor dat hun upgrades gepaard gaan met nieuwe cursussen en handboeken, die opnieuw een flinke hap uit het ICT-budget nemen.

De aankoop van commerciële educatieve software komt in de praktijk vaak overeen met het kopen van de spreekwoordelijke kat in de zak: je koopt een doos met wat summiere uitleg aan de buitenkant, maar de kwaliteit en tekortkomingen van de software kan je pas echt naar waarde schatten als je het product een tijdlang hebt gebruikt. Terug inwisselen of verder verkopen zijn zelden toegelaten, en software licenties bevatten geen enkel recht voor de gebuiker.

Waar mogelijk zorgen software-fabrikanten ervoor dat het moeilijk is om de bestanden die met hun software worden aangemaakt ook door programma's van de concurrentie te laten gebruiken. Dit gebrek aan uitwisselbaarheid leidt volgens gekende economische wetmatigheden tot ``natuurlijke'' monopolieposities: bij de keuze voor een bepaalde software kiezen gebruikers systematisch voor die pakketten die reeds door de meerderheid van hun ICT-correspondenten gebruikt worden, zodat een marktleider al snel een monopolist wordt. Dit wil zeggen dat hij zich bij zijn prijszetting en gebruikersondersteuning niet hoeft te bekommeren om de concurrentie, aangezien de niet-uitwisselbaarheid van de producten de marginale kost om van leverancier te veranderen zo enorm hoog maakt.

Grote software-producenten streven naar extegratie, dit wil zeggen, de integratie van verschillende software-componenten, maar enkel die componenten die door henzelf aangeboden worden. Integratie op zich is een na te streven doel, en de ICT-marketing stelt extegratie dus ook altijd voor als integratie, om de argeloze ICT-consument te misleiden en vast te binden aan zijn eigen producten.

Een typisch voorbeeld van ver doorgedreven extegratie is Microsoft met zijn Office en .NET producten. Office is het extegratie-succes bij uitstek van het heden en het verleden; .NET is de grote extegratie-dreiging voor de toekomst, omdat het Microsoft toelaat zijn huidig monopolie op de PC-besturingssystemen uit te breiden tot het hele Internet! Afgaande op de ervaringen uit het verleden wat betreft het omgaan met (al dan niet officiele) standaarden, lijkt het niet onwaarschijnlijk dat Microsoft de extegratie-strategie ook zal toepassen op alle educatieve ontwikkelingen binnen het .NET geheel. Dit wil zeggen dat, door het ``innovatief aanpassen'' van de .NET protocols, Microsoft zijn dominantie zal behouden zonder rekening te moeten houden met concurrentie.

Moderne commerciële ICT producten komen steeds vaker zonder degelijke handleiding, maar enkel met een on-line hulp. De motivatie van de producent is dat de software toch gebruiksvriendelijk zou zijn. Dit ontneemt de koper echter een stimulans om bij te leren, wat niet zo'n gunstige evolutie is in een onderwijs-klimaat waar levenslang leren de norm geworden is.

De ICT-markt voldoet dus bijlange niet niet aan de basis-vereisten voor een vrije, competitieve markt, zoals daar zijn: uitwisselbaarheid van producten en diensten, transparantie, volledig ingelichte consumenten, gelijke toegangs-mogelijkheden voor iedere producent. De markt leeft bovendien in de valse overtuiging dat software die ``veel gebruikt wordt'' automatisch het label ``de facto standaard'' mag opgekleefd krijgen, en dat zodus de ontwikkeling en het gebruik van software eenvoudiger en goedkoper worden. Deze illusie is makkelijk te ontmaskeren door te wijzen op het feit dat bijvoorbeeld de Windows besturingssystemen onderling niet volledig compatibele zijn: DOS, Pocket PC, Windows CE, Windows 3.x, 95, 98, Me, NT, 2000, XP, met nog een hele hoop ``Service Packs'' er bovenop, verschillen vanuit het oogpunt van een toepassingsprogramma vaak essentieel van elkaar. Een zelfde argument geldt voor de verschillende versies van Microsoft Office: nieuwe versies kunnen bestanden gemaakt met oudere versies slechts inlezen tot op een bepaalde (kunstmatig bepaalde!) versie uit het verleden, en omgekeerd is het vaak zo dat oudere software-versies gewoonweg blokkeren op nieuwe bestandsformaten. Dit is geen toeval, aangezien het incompatibel maken van de bestandsformaten de manier is om gebruikers te dwingen om de nieuwe versie aan te kopen. Deze beslissingen worden niet bepaald door technische belemmeringen, maar wel door marketing-opportuniteiten: hoever kunnen we gaan in het opdringen van nieuwe releases zonder dat de consument bereid wordt de eenmalige kost te maken voor overschakeling naar een concurrent?

Computers worden in enorm tempo krachtiger, maar de software die software fabrikanten aanbieden verstikt een steeds grotere fractie van die rekenkracht, vaak in de vorm van steeds zwaardere grafische interfaces en hulpprogramma's (``wizards'') die onzichtbaar in de achtergrond draaien en de gebruiker met ``goede raad'' bestoken, of door programma's wiens interface zichzelf aanpast aan de ``noden'' van de gebruiker. Dergelijke wizards werken meestal afstompend, remmen elk initiatief van de gebruikers om actief bij te leren, en stimuleren het (valse!) gevoel dat de computer het toch altijd het beste weet.

Veel van dit alles gebeurt onder het mom van een verhoging van de ``gebruiksvriendelijkheid''. Maar de dagelijkse praktijk leert dat dit vaak niet meer is dan een inhoudsloze verkoopsslogan. Wat is er namelijk gebruiksvriendelijk aan een computer die regelmatig ``hangt'' om onverklaarbare redenen? Wat is er gebruiksvriendelijk aan programma's die om de zoveel versies hun eigen bestandsformaten wijzigen zodanig dat de gebruiker gedwongen is te investeren in upgrades enkel en alleen om die reden? Wat is er gebruiksvriendelijk aan software leveranciers die er alles aan doen om elke poging tot standaardisatie en uitwisselbaarheid van bestanden te boycotten en om meer innovatieve concurrenten uit de markt te houden? Wat is er gebruiksvriendelijk aan grafische interfaces die misschien wel de instapdrempel verlagen, maar tegelijk de gebruikers dom houden (want ze nodigen niet uit tot het lezen van de documentatie of het bestuderen van de achtergronden van de software), zodat de gebruikers na jaren nog steeds even inefficiënt omspringen met hetzelfde programma? Wat is er gebruiksvriendelijk aan software die u verplicht om tientallen megabytes te spenderen aan grafische toeters en bellen ook indien u daar niet in geinteresseerd bent? Wat is er gebruiksvriendelijk aan software die, ondanks de grote beschikbaarheid van netwerken, niet vanop andere computers op het netwerk kan gebruikt of onderhouden worden? (Opnieuw is niet een technische belemmering die in de weg staat, maar wel een schraapzuchtige licentie-politiek die de gebruikers verplicht om voor ieder van hun computers een nieuwe licentie te kopen!) Wat is er gebruiksvriendelijk aan de huidige trend om ``geïntegreerde'' programma's aan te bieden die alles willen doen (tekstverwerking, rekenblad, surfen en emailen, schetsen maken,...) en zodoende enorm groot, complex, en bijgevolg weinig stabiel worden? Anders geformuleerd: de motivatie van de software producenten is niet in de eerste plaats het de gebruikers gemakkelijker te maken (dit kan immers even goed met kleinere, afzonderlijke modules, die gebruik maken van uitwisselbare, gestandaardiseerde bestandsformaten), maar wel om hen volledig aan één leverancier te binden. (Dit fenomeen staat bekend onder de naam ``vendor lock-in''.) En is het gebruiksvriendelijk om op die manier ook de gebruikers de mogelijkheid te ontzeggen om ``light'' versies van deze software te (blijven) gebruiken, indien zij geen nood hebben aan alle nieuwe toeters en bellen? Wat is er gebruiksvriendelijk aan software die ongevraagd de instellingen van systeemparameters wijzigt ``om u te helpen''? Wat is er gebruiksvriendelijk aan een software-omgeving die tot in den treure toe geveld wordt door virussen, omwille van een inherent onveilig ontwerp? (Niet in het minst omdat ze zo ``vriendelijk'' is om bestands-extensies te verbergen voor de gebruiker, zodat die zonder zich van kwaad bewust te zijn gaat klikken op virusbestanden die vermomd zijn als onschuldige teksten, weblinks of prentjes.) Wat is er gebruiksvriendelijk aan programmatuur die u alle kans ontzegt om te leren hoe ze in elkaar steekt, als u tracht om uw ICT kennis bij te schaven? Wat is er gebruiksvriendelijk aan een software-pakket dat zo ondoorzichtig is dat, wanneer er iets niet werkt, de help desk niet verder komt dan de gebruiker de raad te geven om alles terug te installeren en nog eens opnieuw te proberen? Of dat hem verplicht terug op te starten als hij ergens een systeemparameter wijzigt (zoals bijvoorbeeld het IP-adres van zijn computer)? Wat is er gebruiksvriendelijk aan een grafische interface overladen met ruim honderd icoontjes? (Zodat men gebruikers heel vaak ziet wachten met hun muiswijzer over zo'n icoon totdat de tekst-versie ervan verschijnt om uit te maken of het inderdaad deze functie is die ze wensen te gebruiken...) Wat is er gebruiksvriendelijk aan een computersysteem dat met de regelmaat van de klok in de knoei geraakt door verschillende versies van basis-bibliotheken die door verscheidene toepassings-programma's worden gebruikt? (De zogenaamde ``.dll hell''.) Wat is er gebruiksvriendelijk aan software-omgevingen die systematisch bestaande internationale standaarden vervangen door bedrijfs-eigen, gesloten formaten, zodat gebruikers (meestal zonder het te beseffen) de kans ontzegd wordt om concurrerende producten te gaan gebruiken?

``Gebruiksvriendelijkheid'' is dus een vaak verkeerdelijk gebruikte term. Weinigen kunnen immers het onderscheid maken tussen twee complementaire vormen van gebruiksvriendelijkheid, met name ``instapvriendelijkheid'' en ``leervriendelijkheid.'' Een grafische interface kan gebruiksvriendelijk zijn omdat hij de instapdrempel tot het gebruik van ICT verlaagt, maar is vaak al snel niet leervriendelijk meer omdat hij de veelvuldige gebruiker niet leidt naar een efficiënter en onafhankelijker ICT-gebruik.

Het huidige, vooral door commerciële bedrijven ingevulde ICT-landschap in het onderwijs maakt slecht gebruik van de ``C'' uit ``ICT'': er is een aanzienlijk aanbod aan hardware en netwerken, maar de beschikbare communicatie-mogelijkheden worden onderbenut. De belangrijkste reden hiervoor is dat alle commerciële PC software kunstmatige beperkingen oplegt aan de gebruikers, in die zin dat licenties ervoor zorgen dat hun software slechts op één enkele computer mag draaien. Deze beperkingen zijn louter van financiële aard: de leverancier wil per licentie langs de kassa passeren. In tegenstelling daarmee geeft Vrije Software software altijd de mogelijkheid om (al dan niet via een netwerk) gebruikt te worden op een onbeperkt aantal computers. Zo is het voor niet-commerciële besturingssystemen (zoals Linux) helemaal geen probleem om toepassings-programmatuur (zoals, bijvoorbeeld, de LATEX tekstverwerker, of de BlueFish HTML-editor) op één enkele computer te installeren en toch te gebruiken op alle andere computers van het netwerk. Dit biedt niet alleen voordelen voor de gebruikers (een ruimer gamma aan beschikbare programma's, op een ruimer gamma aan computers), maar zeker ook voor de systeem-verantwoordelijken, wiens installatie- en onderhouds-inspanningen drastisch gereduceerd worden.

Een andere kunstmatige beperking aan de vrije verspreiding van kennis en software komt vanuit een andere juridische hoek: de explosie aan software patenten.2Voor voldoende kapitaalkrachtige ondernemingen is het al een hele tijd mogelijk om patenten te nemen op welk soort technische ontwikkeling dan ook (met inbegrip dus van software, zakentechnieken en onderwijsmethoden), indien de aanvrager zijn thema maar op een professionele juridische wijze kan inkleden. De politieke macht heeft de controle over de patenten-bureaus verloren, of liever gezegd, uit handen gegeven. Deze patenten-bureaus zijn commerciële ondernemingen op zich geworden, met als directe streefdoel om zoveel mogelijk patenten toe te kennen, terwijl hun oorspronkelijke doel was om het belang van de gemeenschap te dienen. In de praktijk komt het er dus op neer dat in feite geen enkel software programma van enige omvang meer kan geschreven worden, zonder dat niet één of ander patent ``overtreden'' wordt. Met andere woorden, heel wat kennis uit het publieke domein is geprivatiseerd geworden. Dit betekent bijvoorbeeld dat de maatschappij (en dus iedere belastingbetaler) meerdere keren betaalt voor dezelfde kennis: (i) om de kennis te creëren (in universiteiten en onderzoeksinstellingen) en de mensen op te leiden die kennis creëren (in het onderwijs); (ii) om reusachtige administraties in leven te houden om die kennis te kunnen privatiseren in patenten; en (iii) om die kennis te gebruiken in commerciële producten die op die kennis steunen.

Een gelijkaardig fenomeen is de ``spin-off manie'' van de moderne universiteit: de maatschappij investeert enorme hoeveelheden middelen om goede onderzoekers de kans te geven om vooruitstrevend onderzoek te doen. Daarna geeft diezelfde overheid financiële stimuli aan deze mensen om hun verworven kennis geheim te houden en te commercialiseren in een spin-off bedrijf. Dit betekent niet alleen een grote directe meerkost voor de maatschappij, maar tevens een enorm verlies aan de toegevoegde waarde die zou kunnen ontstaan zijn indien ieder geinteresseerd bedrijf (en niet alleen dat van de onderzoekers) van de kennis zou kunnen gebruik maken om diensten errond aan te bieden. Uiteindelijk zijn het deze diensten die het maatschappelijk welzijn echt vooruit helpen, en niet het bezit op de kennis die de diensten mogelijk maakt.

Deze evolutie wordt doorgaans verantwoord door te zeggen dat zonder bescherming van de zogenaamde intellectuele eigendom geen innovatie meer zou plaatsgrijpen. Dat deze verantwoording op zijn zachtst gezegd ernstig moet genuanceerd worden mag blijken uit een korte terugblik op de geschiedenis van technologie en wetenschap in het Westen: het is de Renaissance geweest die aan de wieg heeft gestaan van de onvoorstelbare bloei die het Westen heeft doorgemaakt, en het essentiele fundament van die bloei was de vrije toegang tot alle kennis en technologie! De meest spectaculaire vooruitgang is geboekt door iedereen, zonder onderscheid van afkomst of kapitaal, de mogelijkheid te geven om ideeën en ontwikkelingen van anderen te onderzoeken, te bekritiseren en te verbeteren. Dit concept van ``peer review'' is de essentie van elke vorm van onderwijs en ontwikkeling, en precies deze essentiele bron van kennis-creatie wordt bedreigd door de patenten-commercie. Bovendien hebben kennis en software de aangename eigenschap dat ze niet verloren gaan als je ze met anderen deelt, integendeel. Dit maakt dat de klassieke verantwoording van de theorie van de schaarste, die opgaat voor materiële goederen, niet opgaat voor kennis en software. Het is dus misleidend deze laatste als product te omschrijven; dienst is een beter geschikte terminologie.

Het weze wel duidelijk dat dit artikel niet pleit voor een naar Marxisme ruikende monopolistische overheidsinvloed in het proces van kennis-creatie en -exploitatie, maar wel voor het herstel van het evenwicht tussen private en maatschappelijke belangen.

2.2 De consument

Een lange-termijn ICT-beleid moet scholieren niet alleen een aantal technische ICT-vaardigheden bijbrengen, maar tevens ook voldoende kritische zin aankweken om de hogervermelde, louter op commerciële motieven gestoelde verkoopstruuks te kunnen doorzien, en om met verstand van zaken hun elementaire consumentenrechten op te eisen. Op termijn zou dit vanzelf moeten leiden tot een beter ICT-gebruik in het onderwijs, het bedrijfsleven en de overheid. De oorzaken van het huidige gebrek aan kritische zin ten opzichte van ICT zijn niet ver te zoeken: De inrichtende overheden (die niet meer zijn dan ICT-consumenten, maar dan wel erg zwaarwichtige) moeten zich eindelijk rekenschap beginnen geven van de scheefgegroeide praktijk, en niet langer slaafs de weg volgen die de ICT-marketing voor hen uitstippelt. Deze weg leidt immers naar steeds meer en duurdere software, met een groeiende nadruk op extegratie in plaats van op integratie. Maar naar één ding leidt hij zeker niet: naar een betere ICT-opleiding! Een kijkje op de webpagina's van de belangrijkste spelers op dit gebied (Ministerie van Onderwijs, de scholen-groepen, de onderwijs-portals, ...) versterkt voor leerkrachten, leerlingen en ouders bovendien de indruk dat enkel Microsoft software maakt. Het kan dan ook niet verwonderen dat de individuele leerkrachten onvoldoende kritisch het ingelepelde aanbod kunnen evalueren, gesteld dan nog dat ze op de hoogte zijn van alternatieve mogelijkheden. In de weinige gevallen waar dat toch zo is, staan zij zeer vaak alleen tegen een overmacht van behoudsgezind (of zelfs vijandig) reagerende collega's. En tenslotte blijft er het grote praktische probleem van de niet-uitwisselbaarheid van bestandsformaten; overschakelen brengt dus een aanzienlijke kost met zich mee.

Een kritische evaluatie van software en van de gangbare commerciële software-praktijken moet ook aandacht besteden aan de fundamentele verschillen tussen de begrippen gebruiksvriendelijkheid en leervriendelijkheid: het laatste slaat op de capaciteit van software om zich optimaal te laten aanpassen (``configureren'') aan het expertise-niveau en de specifieke noden van de gebruiker. Dit betekent bijvoorbeeld dat men moet beseffen dat vroeg of laat een grafische interface of een ``wizard'' een belemmering gaan vormen voor de evoluerende gebruiker in plaats van een hulp. Wees ook kritisch voor software die zich ``automatisch'' aanpast aan de gebruiker; de gebruikers zelf moeten het initiatief nemen als ze wensen dat de computer zich met een meer efficiënte interface aan hen moet aanbieden. In deze context is het opmerkelijk dat Microsoft het als een ``vernieuwing'' voorstelt dat zijn nieuwe versies van Office automatisch de menu-items gaat verstoppen die de gebruiker een tijd niet meer gebruikt. Dit leidt inderdaad tot kleinere menus, maar beperkt nog meer de stimuli die de gebruiker krijgt om zelfstandig op zoek te gaan naar een efficienter ICT gebruik.

De hoger aangehaalde symptomen van de onrijpheid van zowel de ICT-gebruiker als de ICT-markt worden pas echt schrijnend duidelijk als men vergelijkt met het doorsnee consumentengedrag ten opzichte van andere producten: een huishoudapparaat dat met grote regelmaat de geest geeft wordt een commerciële flop; je auto of televisie kan je nog zonder problemen blijven gebruiken ook als er een nieuwe versie (``software'') op de markt komt omdat hun ``bestandsformaten'' (brandstof, wegen, TV-beelden, ...) blijft werken met de reeds bestaande versies; producenten van televisies, videos, audio-apparatuur, camera's, benzine, en dergelijke, zijn allemaal gedwongen geweest om gezamenlijk standaarden en normen af te spreken, zodat je de producten van verschillende aanbieders onderling kan uitwisselen en dus hun kwaliteit kan vergelijken; je kan zonder problemen overschakelen van merk A van auto/radio/camera/... naar merk B, ook al staan de knopjes en schakelaars misschien niet helemaal op dezelfde plaats; hoe zou je het vinden als heel de wereld dezelfde kleren zou aanhebben, en in dezelfde huizen zou wonen? Of dat de winkels slechts één soort koekjes zouden aanbieden? ...

Waarom beschouwt men deze mogelijkheden tot keuze, uitwisselbaarheid, personalisatie en merk-differentiëring als een voordeel als het gaat over ``normale'' consumenten-artikelen, en als een nadeel als het gaat over software? Hoe u het ook draait of keert, een consument wil keuze, kwaliteit en onafhankelijkheid, en de huidige ICT-markt biedt die in onvoldoende mate. Het meest bekende voorbeeld is natuurlijk de monopolie-positie van Microsoft Office, maar er zijn talloze andere voorbeelden. Microsoft controleert het bestandenformaat waarmee de Office software werkt, en zet daarmee de concurrentie buitenspel, omdat het zo verhindert dat gebruikers kiezen met welke software zij hun documenten bewerken. Dit wordt een vicieuze cirkel die zich steeds verder uitdijt, met enkel de monopolie-houder als winnaar: hoe meer .doc bestanden er circuleren op de computers van gebruikers, hoe duurder en ingrijpender het opengooien van deze desktop-markt wordt. Bovendien gebruikt Microsoft zijn dominantie op het ene vlak ook telkens opnieuw om een dominantie op andere vlakken te realiseren; bijvoorbeeld van het desktop-besturingssysteem naar de server, de Internet-browser, de bureau-toepassingen, en de ingebedde systemen. De volgende stadia zijn de inpalming van de audio- en video-formaten, en de toegang tot het betalende Internet (via de PassPort-procedures).

Het zojuist vernoemde monopolie van Microsoft is echter voor het grootste deel te wijten aan de achteloosheid van de consumenten zelf. Toch heeft het gerecht in de Verenigde Staten beslist om Microsoft te veroordelen omwille van monopolie-praktijken. Een aantal van de voorgestelde strafmaten zijn echter oneerlijk ten opzichte van Microsoft en bovendien volledig inefficiënt:

Een mogelijke oplossing die op termijn de ICT-markt zijn gezond concurrentieel karakter kan teruggeven is dat consumenten echt open standaarden voor bestandsformaten eisen. Als, bijvoorbeeld, de Amerikaanse en Europese overheden wetten goedkeuren die het verplicht maken dat alle elektronische communicatie met en door overheden uitlsuitend moet gebeuren met zulke open bestandsformaten, dan spelen alle producenten met gelijke wapens en kansen, want hun producten worden uitwisselbaar. De meest succesvolle speler zal dan niet die zijn die het bestandsformaat controleert, maar diegene die het meeste waar voor zijn geld geeft op het gebied van de software die de informatie in die bestandsformaten verwerkt. En er zullen ook producenten komen van ``lichtgewicht'' versies van de grote software-pakketten, voor gebruikers die niets meer nodig hebben, en om leerlingen op een pedagogisch verantwoorde wijze te laten kennis maken met ICT. Nu worden ze gedwongen om vanaf hun prilste stappen gebruik te maken van dezelfde software die ook de vergevorderde professionele gebruiker bezigt. Stel u voor dat we hetzelfde zouden toepassen op andere onderwijs-activiteiten: onze eerste stapjes Frans met behulp van de Larousse Encyclopédie; onze eerste meetkunde uit een handboek dat ook de relativiteitstheorie van Einstein uit de doeken doet; enz.

Dat hogervermelde soort oplossingen niet voorkomt in de Amerikaanse en Europese anti-monopolie-onderzoeken wijst eens te meer op het gebrek aan inzicht van de beleidsmensen als het aankomt op het begrijpen van het fundamentele onderscheid tussen software en bestandsformaten.


3 ICT-eindtermen

De invulling en de motivering van een lijst van vereiste ICT-vaardigheden is één van de zaken waarbij onderwijs-ministeries wereldwijd erg in gebreke blijven. Wat zijn de basis ICT-vaardigheden? Onder welke vorm moeten we die aanbrengen? Is er nood aan een apart vak ICT, of integreren we ICT beter in de reeds bestaande vakken? Is er nood aan aparte, specifieke PC-klassen, of is het beter om een beperkt aantal PCs in alle klassen ter beschikking te hebben? ...

Deze sectie gaat dieper in op een aantal van deze vragen, niet in de eerste plaats om een ondubbelzinnig antwoord te formuleren, maar eerder om een aantal aspecten te belichten en te beargumenteren die zelden terug te vinden zijn in de huidige beleidsdiscussies.

De kwaliteitsnormen die vanzelfsprekend zijn bij de opleiding in de ``klassieke'' vakken (talen, wiskunde, natuurkunde, geschiedenis, biologie, enz.) blijken om één of andere reden sterk afgezwakt te worden wanneer het over ICT gaat. Bij het aanleren van zowel de moedertaal als vreemde talen vindt iedereen het normaal dat de leerlingen niet alleen leren lezen, maar ook leren schrijven, dat ze in staat zijn een creatief en samenhangend opstel te produceren, dat ze een kritische evaluatie van teksten aankunnen, en dat ze zelfs ``dode'' talen zoals Latijn en Grieks bestuderen. Niettegenstaande het feit dat de overgrote meerderheid later enkel maar ``gebruiker'' van teksten zal worden, en zeker niet zelf creatief met (dode en levende) taal zal omgaan. Voor de wetenschappelijke vakken vindt men het normaal dat leerlingen stellingen leren bewijzen, dat ze vraagstukken oplossen, dat ze de opbouw en werking van de levende en levensloze materie begrijpen. Ook al zullen de meesten onder hen enkel ``gebruikers'' van wetenschap worden, d.w.z., kopers van moderne consumptie-artikelen die steeds meer en meer technische kennis en vaardigheden vereisen om goed gebruikt te kunnen worden. Voor wat betreft auto's en wasmachines is de doorsnee consument al een hele tijd over deze vaardigheids-kloof heen, maar wat ICT gebruik betreft is die kloof nog erg groot.

Dezelfde ``creatieve'' inspanningen die in de vorige paragraaf werden vermeld verwacht men dan plotseling weer niet meer wanneer het gaat over die o zo belangrijke nieuwe vaardigheid: het vlot gebruik van computers in steeds meer facetten van het dagelijkse leven. Neem een willekeurig staal uit de computer-opleidingen die aangeboden worden aan de meerderheid van scholieren, studenten en werknemers. Deze opleidingen bestaan, bijna zonder uitzondering, uit niets méér dan een inleiding tot het gebruik van commerciële software-pakketten die de volgende problemen behandelen: tekstverwerking, rekenblad, vullen van websites, communicatie via Internet. Deze software komt bovendien bijna zonder uitzondering van éénzelfde leverancier, met name Microsoft. De nadruk van deze ``opleiding'' ligt op het ``gebruik'', en in de praktijk dan nog uitsluitend op het gebruik van de Microsoft producten. Dit veroorzaakt een onnatuurlijke en ongezonde schraalheid en monocultuur in het ICT-landschap.

Hoe de gebruikte software in elkaar steekt, wat het verschil uitmaakt tussen goede of slechte software, wat de algemene kenmerken zijn van het eigenijke probleem dat de software helpt oplossen, hoe men zelf tot het schrijven van degelijke software kan komen, hoe de producten van Microsoft de vergelijking kunnen doorstaan met gelijkaardige producten van andere aanbieders, ..., dat alles laat men zonder nadenken aan de ``specialisten'' over. Dat beschouwt men als te veeleisend, als te vergezocht, want ``de bedrijfswereld vraagt daar toch niet om.'' Een ander citaat waarachter men zich vaak verschuilt is het volgende: ``de huidige software is zo gebruiksvriendelijk dat we ons dus de moeite kunnen besparen om te leren hoe ICT en software nu eigenlijk echt in mekaar steken.'' De negatieve effecten van deze lakse ingesteldheid komen later nog aan bod, maar de hogervermelde parallellen met klassieke leerprogramma's maken duidelijk dat de ``eindtermen ICT'' tegen deze louter op gebruik gerichte trend moeten ingaan, en een minimum aan op inzicht-gerichte opleiding moeten voorzien. Een ICT-opleiding mag immers niet verengd worden tot een gebruikerscursus voor MS Office. Net zoals een automechanica-opleiding veel méér moet zijn dan een studie van de auto's van, pakweg, General Motors. Net zoals literatuurgeschiedenis méér moet omvatten dan een begeleide lezing van enkel de werken van Claus. Net zoals de lessen lichamelijke opleiding méér moeten zijn dan alleen maar voetbaltrainingen. Net zoals ..., u vult verder zelf maar in.

Tenslotte is ook de pedagogische aanpak van ICT in vele opleidingen (ook buiten de schoolmuren!) nog in een ander bedje ziek: de opleidingen zijn proceduraal gericht, dit wil zeggen, men vertrekt van een gegeven software-pakket (de ``oplossing'') en legt dan zoals in een keukengerecht stap voor stap uit hoe de functionaliteit van dat pakket aangesproken moet worden. Terwijl men beter een object-georiënteerde aanpak zou volgen: het uitgangspunt is een concrete vraagstelling waarvoor men een software-oplossing zoekt.

Proceduraal en object-georiënteerd zijn twee termen uit de programmeerwereld: de klassieke, procedurale manier van programmeren vertrekt van een hoop beschikbare software-functies die de programmeurs bij elkaar brengen om daarmee hun ``recept,'' t.t.z., hun programma, klaar te maken. De object-georiënteerd aanpak is van recentere datum, en vertrekt van de verschillende ``objecten'' die in het probleem voorkomen, en van de functionaliteiten die die objecten bezitten en waarop andere objecten kunnen beroep doen door ``boodschappen'' uit te wisselen; programmeren komt daarna neer op het sturen van de juiste boodschappen aan de juiste objecten. Deze object-georiënteerd aanpak wordt nu algemeen beschouwd als de betere, omdat (i) het ontwerp van de software veel getrouwer het werkelijke probleem beschrijft, en (ii) het daarom ook eenvoudiger is om naderhand aan te passen aan wijzigende omstandigheden en/of noden.

Een voorbeeld van het verschil tussen proceduraal en object-georiënteerde didactiek is de discussie over wat de typografische vereisten en conventies zijn waaraan een tekst moet voldoen om goed leesbaar te zijn? Rekening houdend met de moderne realiteit dat die tekst zowel op papier als op het Internet zal gelezen worden. De procedurale methode begint met het openen van Word, en met te zeggen welke knopjes moeten geklikt worden om een stuk tekst in vette font en grootte 14 punt te krijgen. De object-georiënteerde methode begint met uit te leggen wat de eigenschappen van het object ``tekst'' zijn: wat is een boek, een artikel, een brief? Waarom gebruikt men onderverdelingen van de tekst, en welke stijl gebruikt men daarbij? Enzovoort. Men legt pas daarna uit hoe deze vereisten kunnen gerealiseerd worden in software pakketten, en hoe verschillende alternatieven andere aanpakken en/of nuances aanbieden.

Omdat de object-georiënteerde aanpak uitgaat van de concrete werkelijkheid buiten de ICT en de software ``modelleert'' naar die werkelijkheid, vermijdt men twee vaak voorkomende problemen: (i) het evalueren van software-pakketten louter en alleen op het aantal ``features'' dat de nieuwste versie aanbiedt, en (ii) de negatieve reacties in de aard van ``Toch weer niet opnieuw iets nieuws leren, zeker?'' wanneer men scholieren (of leerkrachten) wijst op de voordelen van andere software-pakketten dan degene die ze tot hiertoe gebruiken.

Een ander ``object'' dat van groot belang is in een algemene opleiding is het probleemoplossend denken. Vertrekkende van een probleem werkt men naar een oplossing voor dat probleem toe, en bij het oplossen botst men dan vanzelf op vaardigheden of kennis die men moet verwerven om de oplossing te kunnen uitwerken. Vanzelfsprekend worden ICT-hulpmiddelen meer en meer ingeschakeld om deze weg af te leggen. De leerkracht moet er wel op toezien dat de leerlingen op een kritische manier de meest geschikte ICT-hulpmiddellen kunnen kiezen voor het specifieke probleem. Al te veel wordt telkens hetzelfde ICT hulpmiddel gekozen om alle problemen mee op te lossen (bijvoorbeeld Excel en Word), omdat men in de huidige Windows-monocultuur geen weet heeft van alternatieven.


4 Suggesties voor het aanbrengen van ICT

Deze sectie bespreekt een aantal suggesties (voor leerkrachten en ouders) om in de ``normale'' opleiding ICT aan bod te laten komen, rekening houdende met de problemen aangehaald in de vorige secties, en vertrekkende vanuit de vertrouwde, computer-loze leefwereld. Het gaat hem hier dus niet over voor- en nadelen van specifieke software-pakketten. De discussie in deze sectie overstijgt trouwens de discussie over welke software al dan niet in het onderwijs moet gebruikt worden. De bedoeling is om de scherpe grenzen die nu nog gevoeld worden tussen ICT enerzijds en de klassieke schoolvakken anderzijds te laten verdwijnen. En dan spreken we niet alleen over het geïntegreerd gebruik van ICT in alle vakken, maar ook over het verdwijnen van het gevoel dat computers speciale, onbegrijpelijke dingen zijn voor de gewone ouders, leerkrachten en leerlingen. Dit gevoel verdwijnt enkel door de leerlingen een minimum aan inzicht te verschaffen in de ietwat meer technische aspecten van computers, communicatie en informatie. Net zoals we tegenwoordig geen schrik meer hebben van auto's of wasmachines, omdat we allemaal wel ongeveer weten hoe zulke dingen in elkaar steken.

De voorgestelde suggesties zijn onderverdeeld in modules, die telkens starten op basis van een verhaal rond vertrouwde begrippen en situaties uit de maatschappij. Hetzelfde verhaal kan gedurende de hele schoolloopbaan meerdere keren hernomen worden, met telkens meer diepgang en andere accenten. Het doel van de verhalende aanpak van elke module is om het corresponderende ICT-concept te demystifiëren, door het blootleggen van de analogieën met vertrouwde dagdagelijkse activiteiten. De moraal van elk verhaal is dus dat ICT helemaal geen mysterieuze technologie hoeft te zijn die verborgen blijft in het on(be)grijpbare inwendige van een software pakket, maar dat het niet meer is dan een door mensen gemaakte, vereenvoudigde afbeelding van hoe zij al eeuwenlang hun samenlevingen organiseren.

De hieronder behandelde onderwerpen kunnen op het eerste zicht hoog gegrepen lijken, maar toch vragen ze (door de sterke overeenkomsten met bestaande maatschappelijke gebruiken of organisaties) beduidend minder intellectuele inspanningen dan het begrijpen van hoe, bijvoorbeeld, de tabel van Mendeljev in elkaar steekt, of hoe de passé composé moet worden gebruikt, of hoe de stofwisseling van mens en dier werkt, of hoe je een eenvoudige draaibank moet gebruiken, ...

4.1 Computer-gewenning via multi-media.

4.1.1 Verhaal.

De leerkracht toont de kinderen alle mogelijke informatie-media: boeken, kranten, televisie, radio, bibliotheken, archieven, Internet, ... en vertelt over hoe ze tot stand komen, over hoe ze gebruikt worden, over hoe ze elkaar overlappen en aanvullen.

4.1.2 ICT concept: de computer als polyvalent multimedia toestel.

Reeds vanaf de kleuterschool komen veel kinderen op vanzelfsprekende wijze in contact met de computer als informatie-drager: ze spelen spelletjes van een CD-ROM, ze zoeken onder begeleiding naar prentjes of verhaaltjes op het Internet, ze kleuren of tekenen zelf met eenvoudige grafische programmaatjes. Daarnaast hebben ze ook ervaring met de meeste andere klassieke media. De essentie van de opleiding in dit gedeelte ``Computer-gewenning'' is dat de leerkracht de leerlingen (regelmatig maar terloops) attent maakt op de verschillen en overeenkomsten tussen het computermedium en de klassieke media:
  1. computer-programma's en klassieke media hebben een hoge productie-kost, en worden daarna in grote hoeveelheden van identieke copies verspreid. De gebruiks-kosten (na aankoop, en met uitzondering van de licentiekosten) zijn laag; de mogelijkheden tot individualisering eveneens.

  2. elektronische informatie verspreid via het Internet heeft een veel lagere productie-kost: maak zelf eens een eenvoudige webpagina voor een klasproject, en merk hoe snel en met hoe weinig middelen dit kan. (Je hebt inderdaad geen FrontPage nodig om een webpagina te maken!) Maar ze hebben wel een hogere gebruiks-kost: niet alleen in geld (kosten van de telefoon- of kabelcommunicatie), maar ook in tijd (het kan lang duren vooraleer je de gewenste informatie opgeladen hebt, of vooraleer je in de Internet-hooiberg precies gevonden hebt wat je zoekt).

  3. het is contra-productief om de Internet-informatie in een strikt grafische opmaak aan te bieden: zware grafische inhoud verhoogt sterk de ophaalkost, en je moet ermee rekening houden dat verschillende lezers verschillende groottes en verschillende capaciteiten van scherm hebben. Nochtans bezondigen heel veel aanbieders zich aan overdadige opmaak, en krijg je draken van webpagina's die bovendien nog trots lijken te zijn op hun ontoegankelijkheid door een label ``Best bekeken met browser XYZ op een resolutie van xyz $\times$ abc'' te dragen!

    De leerkracht toont voorbeelden van een goed ontworpen webstek: d.w.z., één die snel oplaadt; die zich aanpast aan verschillende schermgroottes zodat delen van de pagina niet langs links of rechts uit het beeld vallen; die geen beroep doet op ``plug-ins'' tenzij die echte toegevoegde waarde bieden; die navigatie toelaat op basis van tekst en dus niet met alleen icoontjes, zodat ook blinden, slechtzienden en motorisch-belemmerden de inhoud kunnen ``lezen'' en kunnen navigeren; die een identificatie en een contact-adres bevat van de producent van, en de verantwoordelijke voor, de informatie; die een consistente huisstijl heeft wat het terugvinden van informatie op verschillende pagina's van de webstek vergemakkelijkt; die een datum van aanmaak draagt, en een vermelding van gebruikte bronnen; en waarvan de makers beseffen dat bezoekers terugkomen voor de inhoud en niet voor de prentjes.

    Soms kan de aanbieder van informatie echter wel gegronde redenen hebben om die informatie wel in een nauwkeurig geformatteerde opmaak te verspreiden; bijvoorbeeld, bedrijven hebben vaak een specifieke ``huissstijl'' die hun herkenbaarheid vergroot. In dat geval is het best om die informatie te stockeren in een formaat dat die specifieke opmaak garandeert, en dat toch door iedereen te gebruiken is. Bijvoorbeeld, GIF of PNG bitmaps, of het PDF pagina-opmaak-formaat.

  4. stel je in de plaats van een blinde, en ga eens na hoe moeilijk de toegang wordt tot al die programma's die alleen maar een ``gebruiksvriendelijke'' grafische interface ter beschikking stellen, of overvloedig gebruik maken van scripts om te navigeren. Zonder visueel houvast is het namelijk uiterst moeilijk om de weg te vinden op zo'n webpagina of programma-interface... En maak van de gelegenheid gebruik om een discussie op te zetten over hoe succesvol de computer-evolutie al dan niet geweest is om zwakke minderheden beter in de maatschappij te integreren.

  5. computer-programma's laten in principe interactie toe. De leerkracht toont voorbeelden van interactieve programma's (bijvoorbeeld, het klassieke memorie-spelletje, in computervorm) en webstekken (invullen van een elektronisch formulier om iets te bestellen, of meer uitleg vragen via het email-adres dat op de webpagina staat).

  6. de principes van het opmaken van een tekst of brochure zijn vrij gelijk. In de loop der beschaving zijn een aantal typografische tradities gegroeid, die de essentie van een goed gestructureerde tekst vertalen in grafische opmaak-principes. Vergelijk eens een aantal boeken en zie hoe zij hoofdstukken, secties, opsommingen, bibliografieën, enzovoort, aanduiden. Die tradities helpen de lezer om de structuur van de informatie in een oogopslag duidelijk te maken. Dit laatste lukt natuurlijk alleen maar optimaal wanneer die typografische technieken op een consistente wijze gebruikt worden. Dit is zelden het geval wanneer men de leerlingen zonder goede voorbeelden hun tekstverwerker laat misbruiken! En nog minder bij zovele chaotische, met reklame, bewegende beelden en talloze rubrieken overladen ``webportals''.

    De ervaring leert dat slechts een zeer kleine minderheid van de leerkrachten zich van deze problematiek bewust is, en dus voor de nodige begeleiding kan zorgen.

  7. het is niet omdat iets op papier gedrukt staat, of op het Internet gepubliceerd is, dat men het kritiekloos moet aanvaarden als de grote waarheid. Een groot deel van wat in druk of op het scherm verschijnt verdient het trouwens niet om ``informatie'' te worden genoemd. In klassieke media (met inbegrip van de uitgaven op CDROM) handelen uitgevers en redacties als filter, en hebben vaak daardoor een specifieke kwaliteits-reputatie opgebouwd; in de Internet-wereld zijn er nog weinig ``uitgevers'' die zo'n kwaliteits-label verdiend hebben.

    Discussieer met de leerlingen over de kwaliteit van de informatie die ze eventueel zelf op hun school-webpagina plaatsen.

  8. sommige informatie veroudert (bijvoorbeeld, project-informatie op een school-webstek), andere is ``eeuwig'' geldig (bijvoorbeeld, een interactieve rekensommen-trainer). Sommige informatie is via verschillende bronnen beschikbaar (bijvoorbeeld, nieuwsberichten), andere heeft een exclusieve of streng gecontroleerde oorsprong (bijvoorbeeld, technische informatie over een bepaald product).

Deze ICT-gewenning is reeds mogelijk vanaf de kleuterklas: zelfs al kunnen kleuters niet lezen, ze herkennen wel de titel van een krant; ze weten wanneer het over reklame gaat of wanneer het ``echte'' informatie is; ze kunnen verbazend kritisch kiezen tussen ``begrijpelijke'' en ``onbegrijpelijke'' webpagina's; ze staan er niet van versteld dat computers ook langs de telefoon met elkaar kunnen praten; ze zien het kwaliteitsverschil tussen een mooie afdruk in een boek en een prentje op het computerscherm dat gemaakt is door een amateur; enzovoort.

Het is zinvol om reeds aan kleuters te tonen dat ze niet alleen passieve gebruikers moeten blijven van wat anderen op CD-ROM of op het Internet aanbieden, maar dat ze ook ``informatie'' kunnen creëren. Er bestaan eenvoudige, webgebaseerde programma's die toelaten dat ze met elkaar ``communiceren'' van de ene hoek (of klas) naar de andere, door tekeningen door te sturen of ze gezamenlijk aan te maken vanop verschillende computers.

Voor wat hogere klassen loont het de moeite om eens samen een webpagina aan te maken. Niet alleen met een grafische HTML-editor, maar zeker en vast ook eens door de HTML-codes manueel in een bestand in te tikken. Hiermee toon je de kinderen de essentie van het World Wide Web, en verdwijnt de ``magie'': ze zien dat de mens de computer één voor één zeer eenvoudige bevelen geeft, en dat het resultaat daarvan toch ``magisch'' en complex kan zijn.

De ICT-maatschappij is veel meer een informatie-maatschappij dan een software-pakket-maatschappij. Laat dus de kinderen al vroeg spelenderwijs kennis maken met de beginselen van een gegevensbank (de opslagplaatsen van informatie) door hen, bijvoorbeeld, via een web-interface in zo'n gegevensbank te laten ingeven welke projecten ze reeds gedaan hebben, of welke er nog op stapel staan. Idem dito wat de kennismaking met ``e-commerce'' betreft: geef ieder kind een aantal ``credits'' waarmee ze, bijvoorbeeld, speeltijd op de computer kunnen ``kopen.'' Maak van de gelegenheid gebruik om de verschillen uit te leggen tussen de winkel-op-de-hoek, de supermarkt, en de Internet-winkel.

De ICT-maatschappij is ook bij uitstek een communicatie-maatschappij. Maak de leerlingen duidelijk dat het gebruik van standaarden de communicatie-mogelijkheden van iedereen bevorderen. Wijs op de gevaren van monopolies op communicatie- en informatie-protocols: als een bedrijf al zijn computer informatie en communicatie afhandelt via bestandsformaten en uitwisselingsprotocols die slechts door één enkele producent ondersteund worden, dan stelt het zich bloot aan problemen zoals volledige afhankelijkheid van die ene producent, onzekerheid over de beveiligingskwaliteit en de levensduur van de software, en problemen om gegevens uit te wisselen met anderen.

Tenslotte illustreert niets beter de ``C'' uit ``ICT'' dan de leerlingen te laten emailen of chatten met één van de ouders die zich tijdens de schooltijd op het werk of thuis bevindt. (De uitleg over hoe de communicatie via telefoon en kabel eigenlijk werkt maakt deel uit van een andere module.)

4.2 De werking van de computer

4.2.1 Verhaal.

Vertel over hoe grote menselijke organisaties en samenwerkings-structuren functioneren, zoals: een fabriek, een overheidsadminstratie, een school, de post, of de spoorwegen. Laat zien hoe elk van hen bestaat uit een ``geheugen'' (magazijn, archief, bibliotheek, ...), waaruit de medewerkers informatie of materiaal halen, dat ze bewerken volgens beschikbare ``programma's'', die elk bestaan uit (talloze) kleine acties van individuele mensen, die elkaars activiteiten onderling aanvullen, gebruiken en synchroniseren.

4.2.2 ICT concept: hoe werkt een computer?

De analogie met een computer is vrij duidelijk: de CPU (processor) doet het werk, verdeeld over talloze taken die hun informatie (gegevens zowel als instructies) uit het computer-geheugen halen en de resultaten ervan terug in dat geheugen opslaan, of doorsturen naar andere media (scherm, printer, communicatie-lijn, ...).

De leerkracht gebruikt het bovenstaande vergelijkingskader om, wanneer de gelegenheid zich voordoet, de volgende vragen te beantwoorden, of te laten onderzoeken in een begeleid project-werk:

  1. Welke verschillende programma's heeft iedere moderne computer ter beschikking om al de diensten te leveren die de gebruiker van hem verwacht?

    Laat ze hierbij namen gebruiken die ze ook kennen uit de echte wereld: politie-agent, bakker, schrijver, ...

  2. Welke dingen kan je nu nog niet van een computer verwachten, terwijl die voor de mens vanzelfsprekend zijn? En waarom is dat zo?

    Discussieer over het concept ``intentie.'' En over hoe mensen kunnen uitmaken wat de intenties van hun medemensen zijn, en hoe men die tracht af te leiden uit de interpretatie van hun daden.

  3. Wat gebeurt er nu precies ``achter de schermen'' als je in je grafische bureablad op het icoontje klikt om een elektronische boodschap te versturen?

    Vergelijk dit met wat Oom Karel zal doen als je hem vraagt om je pasgeschreven brief mee te nemen naar de post. En wat de posterijen er dan mee zullen aanvangen.

  4. Wat is eigenlijk het verschil tussen een toepassingsprogramma en het besturingssysteem van de computer? Hoe werkt de koppeling tussen de computer en een randapparaat zoals een scanner of een printer?

    Vergelijk dit met de arbeider en de bediende van een bedrijf. Met de wetgevende, uitvoerende en rechterlijke machten in het bestuur van een land.

  5. Wat zijn ``ingebedde'' computers? En waar kom je die (vaak goed verstopt) tegen in het dagelijkse leven (GSM, bankkaart, microgolfoven, fototoestel, auto, ...)?

    Maak duidelijk dat de PC-computer een hele hoop eigenschappen niet heeft, die ingebedde computers wel hebben: zuinig met energie; dadelijk klaar om nuttige dingen te doen als je ze opzet; onhoorbaar en onzichtbaar; enz.

  6. Bespreek de ``bureaublad metafoor'': de meeste grafische interfaces willen zich voordoen als een bureaublad, waar de gebruikers hun documenten en programma's op plaatsen. Bekijk eens de zaken die jullie in de klas gebruiken, en bespreek of en hoe die geschikt zijn om op een computer-bureaublad te plaatsen. Vergelijk de bureaublad-aanpak met de toegang via bevelen in een tekstconsole. Stel je eens voor hoe kassa-personeel in de supermarkt op een snelle manier de prijzen van alle mogelijke producten zou moeten ingeven indien ze enkel over een bureaublad-interface zouden beschikken. Bekijk eens hoe de bediende achter het spoorwegloket je ticket uitschrijft.

    In deze context is het opportuun om het verschil tussen ``instapvriendelijk'' en ``leervriendelijk'' te bespreken.

Dezelfde vragen komen doorheen de hele schoolloopbaan terug, met aangepaste diepgang. Het minimum resultaat moet uiteindelijk zijn: dat de leerlingen zich een gefundeerde mening kunnen vormen over wat ze van een computer al dan niet mogen verwachten, en over wat er mis zou kunnen zijn met hun computer of netwerk in geval van problemen of pannes; dat ze in staat zijn de marketing propaganda van software-firma's met een kritisch oog te analyseren als die hen fantastische ``nieuwe'' features beloven; dat ze met zelfvertrouwen kunnen discussiëren met verkopers die hen nieuwe software, onderhoudscontracten of apparatuur willen aansmeren.

Eigenlijk moet dit deel van de opleiding ervoor zorgen dat de volgende generaties zich even vertrouwd voelen bij ICT als wij nu bij de auto, de televisie en de wasmachine.

4.3 Informatie en communicatie

4.3.1 Verhaal.

Vertel over de talloze verschillende manieren waarop mensen met elkaar communiceren, en informatie uitwisselen. Ga na waarom zakelijke en administratieve communicatie zo verschilt van de gewone omgangstaal. Waarom ouders anders praten tegen hun kleine kinderen dan tegen elkaar.

4.3.2 De ``I'' en de ``C'' in de ICT.

  1. Bespreek de verschillende soorten informatie die via een browser beschikbaar zijn. Wat is informatie eigenlijk? Waarom is een gegeven wel informatie voor persoon A, maar niet voor persoon B? De waarde van informatie heeft immers veel te maken met wat de ontvanger reeds weet.

  2. Wat is het verband tussen informatie en communicatie? Hoe komt het dat men op ontvangst van dezelfde informatie (bijvoorbeeld, ``Het regent.'') heel anders reageert in verschillende contexten?

    Probeer eens op te sommen welke context (``achtergrond-informatie'') men bij een menselijke uitwisseling van informatie eigenlijk allemaal wel niet gebruikt. Vergelijk dat dan eens met wat je in een computer-programma allemaal zou moeten programmeren opdat het juist zou reageren op de informatie dat het regent?

    Maak van de gelegenheid gebruik om na te denken over: demagogisch gebruik van informatie en communicatie; hoe marketing mensen, diplomaten en politici omgaan met communicatie; hoe invloedrijk de media zijn als ze beslissen om over een bepaald onderwerp al dan niet verslag uit te brengen.

  3. Bekijk eens de http-adressen van al de verschillende bronnen die je op Internet vindt, en bespreek hoe je hieruit al het één en het ander kan afleiden uit de te verwachten ``kwaliteit'' van de informatie. Knoop hier natuurlijk onmiddellijk de discussie aan vast dat de afkomst van informatie geen absoluut waarde-vooroordeel mag inhouden.

    Maak van de gelegenheid gebruik om het begrip ``vooroordeel'' eens te bekijken in de context van informatie en communicatie.

  4. Bespreek het verschil in communicatie tussen chatten, telefoneren, SMS-en, een web-pagina aanmaken, emailen en samen een artikel schrijven voor de krant.

    Wat lijkt het meest op: een postkaart? een brief? een krant? een radio? geheimschrift?

    Welke vorm van communicatie vereist het meeste zorg? Waarom? Welke communicatie kan je nog ongedaan maken en welke niet?

  5. Bespreek de beveiliging van deze verschillende soorten communicatie: afluisteren; zich voordoen voor iemand anders dan je bent; aanpassen van andermans informatie, enz.

Leerlingen moeten leren nadenken over wat informatie en communicatie eigenlijk inhouden; over de verschillende manieren waarop mensen met elkaar en met machines communiceren; over het verschil tussen de inhoud en de vorm van een boodschap; over het feit dat het doorsturen van meer en meer gegevens niet per sé betekent dat je ook meer informatie uitwisselt. Deze kritische reflecties hoeven natuurlijk niet enkel binnen het enge kader van een informatica-les aan bod te komen, aangezien het thema veel universeler is.

4.4 Basiskennis van computer-netwerken

4.4.1 Verhaal.

Vertel over de communicatie-technologie waarover wij nu beschikken, en die van onze grootouders, de aboriginals, de treinmaatschappijen in de 19de eeuwse ``Far West'', of de Egyptenaren. Belangrijk is dat de leerkracht duidelijk het onderscheid maakt tussen de twee basiscomponenten van communicatie: (i) een drager en (ii) een protocol. De drager kan zijn: papier; elektrisch geleidende draad (telegrafie, telefonie); licht (verkeerssignalisatie, de semaforen langsheen de treinrails, de vlaggen van een schip, ...); bolletjes en gaatjes (Braille-schrift, CD-ROM, ...); enzovoort. Het communicatie-protocol kan zijn: een alfabet, met woorden en syntax voor elke taal; grafische symbolen; ... En informatie kan slechts echt worden overgedragen van de ene partij naar de andere indien beide dezelfde drager gebruiken en hetzelfde protocol verstaan.

4.4.2 De ``T'' in de ICT

De communicatie tussen computers verloopt volgens exact hetzelfde stramien. De informatie-dragers zijn digitaal (d.w.z., gebruiken enkel ``bolletjes'' en ``putjes'' (of eentjes en nulletjes) als ``alfabet''), en er zijn honderden, zoniet duizenden communicatie-protocols, in de vorm van programmeertalen (zoals C, Perl, of Java), of informatie-beschrijvingstalen (zoals de webpagina-taal HTML, of de gegevensbank-taal SQL). De volgende topics kunnen op basis van dit eenvoudige maar universeel geldende communicatie-kader aan bod komen:
  1. het enige verschil tussen mensen die met elkaar praten via de GSM, en de communicatie tussen computers op een netwerk, is dat de eerste vorm van communicatie gebruik maakt van radio-golven als drager, en de laatste (meestal) van elektrische kabels. Eigenlijk is daar weinig of geen verschil tussen, en dus is er geen enkel technisch probleem om ook computers via telefoon of GSM met elkaar te verbinden. GSM telefoons zijn trouwens nu al krachtige computers die met elkaar ``praten''.

  2. computers van verschillende merken, en van zeer uiteenlopende grootte, kunnen met elkaar boodschappen uitwisselen, indien ze met dezelfde soort drager (kabel) kunnen verbonden worden, en indien ze hetzelfde communicatie-protocol gebruiken.

  3. voor de meest uiteenlopende domeinen bestaan er standaard communicatie-protocols: HTML voor webpagina's; LDAP, XML en SQL voor gegevens-``banken''; ASCII en UNICODE voor tekst; SGML en LATEX voor gestructureerde documenten; SVG, GIF, PNG, JPEG, ... voor grafische informatie; MPEG voor video en audio; IMAP, SMPT, ... voor email; enzovoort. Al de genoemde standaarden verdienen het om inderdaad ``standaard'' genoemd te worden, omdat: (i) ze ontworpen zijn na overleg door verschillende onafhankelijke partijen; (ii) hun specificaties zijn volledig gedocumenteerd; en (iii) deze specificaties zijn voor iedereen toegankelijk. Veel zogenaamde ``de facto standaarden'' voldoen niet aan deze voorwaarden: Word, PowerPoint, of WordPerfect documenten; de programmeer-instructies aangeboden door het Windows besturingssysteem; de SAP bedrijfsadministratie-protocols; een MacroMedia Flash of RealAudio multimedia fragment; enzovoort. Deze ``standaarden'' worden door één enkel bedrijf beheerd, en deze bedrijven gebruiken vaak deze macht om gebruikers te verplichten om nieuwe versies van hun software aan te kopen.

  4. Hoe komt het dat je ook kan telefoneren en video-conferenties organiseren via het Internet? Omdat er voor beide toepassingen communicatie-protocols bestaan, en omdat spraak en beeld kunnen gedigitaliseerd worden.

  5. Het is best mogelijk dat twee computers met elkaar gegevens kunnen uitwisselen, maar dat ze niet zomaar elkaars programma's kunnen uitvoeren. De reden hiervoor is dat een programma bestaat uit een opeenvolging van instructies voor de processor van de computer; indien beide computers met verschillend processoren werken, dan is het niet verwonderlijk dat een instructie voor de ene processor niets betekent voor de andere processor. Maar dan nog kan op beide hetzelfde communicatie-protocol geprogrammeerd worden, zodat communicatie wel mogelijk is.

  6. Dezelfde informatie kan uitgewisseld worden via een verschillend protocol. Vaak zijn de bestanden die dezelfde informatie coderen volgens verschillende protocols van erg uiteenlopende grootte: een ASCII bestand met de woorden ``Hello world'' is 12 bytes groot, terwijl een Word document met dezelfde inhoud verschillende duizenden bytes groot kan zijn. Om ``files'' op het Internet te vermijden kies je dus best geen Word om je informatie in door te sturen! (Het feit dat Word helemaal geen standaard is is natuurlijk nog meer een reden om dit niet te doen.)

  7. als je met verschillende mensen vanop afstand en via de computer aan hetzelfde project wil werken, moet je niet alleen beschikken over een gemeenschappelijk communicatie-standaard (drager plus protocol), maar ook over software die de informatie bij alle deelnemers consistent en gesynchroniseerd houdt. Dat betekent dat wijzigingen die door de eerste deelnemer worden aangebracht ook ter beschikking komen van de andere deelnemers, en dat verschillende deelnemers tegelijk op hun lokale kopie van de informatie mogen werken.

  8. wat zijn de voordelen van een netwerk van computers in vergelijking met alleenstaande PCs? De opkomst van de Personal Computer heeft zeker gezorgd voor een democratisering van het computergebruik. Aan de andere kant heeft de PC evenzeer gezorgd voor de individualisering ervan: ``Ik werk met mijn PC, en daarop hebben anderen niks te zoeken'' is zowat het (onuitgesproken) motto van de huidige computergebruiker geworden. Deze evolutie was misschien nog te begrijpen tot voor enkele jaren, maar sindsdien is de technologie van computernetwerken dermate geëvolueerd en goedkoper geworden dat het concept van de ``persoonlijke computer'' meer nadelen dan voordelen heeft: programma's installeren (en deftig onderhouden!) op elke PC is veel tijdrovender dan een eenmalige installatie en een gecentraliseerd onderhoud op een server; het is veel goedkoper en eenvoudiger om een krachtige server te voorzien waaraan eenvoudige, goedkope clients hangen; het is veel makkelijker om iedereen met dezelfde versie van een programma te laten werken als je enkel het examplaar op de server moet upgraden; in een echt netwerk speelt het geen rol aan welke computer je begint te werken, omdat je overal over al je gegevens en configuraties beschikt; enzovoort.

  9. als je in de klas aan je schoolwebpagina's werkt, denk er dan aan dat de informatie erop door iedereen moet kunnen gelezen worden, ook door mensen die op hun computer niet over de allerlaatste snufjes beschikken, die een ander merk of versie van besturingssysteem gebruiken, of die enkel over een trage en dure toegang tot het Internet beschikken. Dit betekent dat je je aan de beschikbare standaarden moet houden. Spijtig genoeg is het resultaat van de strijd tussen voornamelijk de Microsoft Internet Explorer browser en de Netscape Navigator browser geweest dat beide een hoop niet-standaard uitbreidingen aan de open HTML-standaard hebben aangebracht. Dit mag je er echter niet van weerhouden om wel uitsluitend standaard HTML te gebruiken; de standaardisatie-organisatie voor Internet protocols, W3C, biedt op haar webstek www.w3c.org een gratis controle aan op hoe goed jouw webpagina's de standaarden volgen.

  10. hoe komt het dat computers gekraakt kunnen worden? En wat kan je daar als individu tegen doen? Het voordeel van communicatie-standaarden is inderdaad dat je computers onderling met elkaar kunt laten ``praten''. Dit voordeel is tegelijk echter ook het grootste nadeel: je eigen computer is via die standaard communicatie-protocols ook bereikbaar voor mensen met minder oprechte bedoelingen. De ``oplossing'' voor mogelijke kraak-problemen is om je computer zo te (laten) configureren dat hij slechts wil praten met andere computers die hij ``vertrouwt''. Dat vertrouwen is gestoeld op het feit dat die andere computers de juiste ``wachtwoorden'' of ``encryptie-sleutels'' kunnen tonen. Dit soort beveiliging is echter heel arbeidsintensief, en weinig scholen hebben hiervoor de competentie in huis. Vandaar dat het absoluut aan te raden is om geen enkele vertrouwelijke informatie (persoonlijke gegevens van de scholieren of het personeel; uitslagen van toetsen; loonadministratie; ...) op computers te bewaren die met het Internet verbonden zijn; de extra moeite om gegevens naar en van die computer over te brengen via bijvoorbeeld floppies weegt niet op tegen de mogelijke beschadiging, vernietiging of wijziging van de vertrouwelijke gegevens!

  11. hoe zoek ik informatie op het Internet? En in de plaatselijke bibliotheek! Het ergste wat je inderdaad kan doen als leraar of ouder is laten uitschijnen dat je tegenwoordig enkel nog op Internet nuttige informatie kan vinden. Snel is nog altijd niet hetzelfde als degelijk!

  12. hoe reageer ik als consument op software bedrijven die beslissen om hun producten niet te laten werken met internationaal aanvaarde standaarden op het gebied van gegevensuitwisseling? Zelfs als relatief onbelangrijke school-gebruiker moet je de reflex hebben om hiertegen te reageren, door een boze brief of email naar de producent te sturen. Niet alleen maken vele kleintjes één grote, maar bedrijven weten maar al te goed (en zelfs veel beter dan de scholen zelf) hoe belangrijk de onderwijs-wereld is voor hun bedrijf: scholieren gaan de producten die ze in hun schooltijd hebben leren kennen en gebruiken automatisch ook in hun latere beroepsleven willen gebruiken. Zonder overdrijving kan dus gesteld worden dat de scholenkoepels en het Ministerie van Onderwijs de meest invloedrijke ICT-beslissingsnemers van het land zijn! Deze macht wordt nog veel te weinig gebruikt om producenten aan te zetten tot betere, en beter toegangkelijke en uitwisselbare software...

Het resultaat van deze ``netwerk''-module moet zijn dat de leerlingen zich bewust worden van zowel de mogelijkheden als de problemen van computernetwerken. Dat ze beseffen wat de problemen zijn veroorzaakt door de huidige trend om berichten of documenten naar elkaar te versturen in het gesloten, niet-standaard formaat van de tekstverwerker van één specifieke leverancier.

4.5 Basisvaardigheden voor ICT gebruik

4.5.1 Verhaal.

Laat de leerlingen uitleggen hoe ze een video-recorder gebruiken, of een fiets, een telefoon, een wagen, een uurregeling van de bus of trein, een microgolfoven, ... Ze zijn met de meeste van deze dingen reeds meermaals in contact gekomen, met producten van verschillende leveranciers, en in verschillende uitvoeringen. Hoogstwaarschijnlijk gaan de leerlingen dus bij hun uitleg zelfs geen merken van video-recorders, fietsen, wagens of treinen noemen, om de eenvoudige reden dat ze, onbewust en door veelvuldig gebruik, in hun geest een beeld hebben gevormd van hoe het bijhorende abstracte object werkt.

4.5.2 ICT-concept: efficiënt gebruik van ICT.

De volgende paragrafen besteden aandacht aan de echt fundamentele vaardigheden bij het gebruik van ICT. (De vorige secties behandelden het begrijpen van ICT.) Deze gebruikers-vaardigheden zijn fundamenteel omdat

4.5.2.1 Proceduraal versus object-georiënteerd.

De ICT-opleiding bij het gebruik van de meest courante toepassingsprogramma's (email, browser, tekstverwerking, rekenblad, gegevensbank) moet evolueren van de huidige procedurale aanpak naar een object-georiënteerde aanpak. Dit wil zeggen dat de basis ICT-vaardigheden niet mogen aangeleerd worden door de leerlingen een bepaald pakket onder de neus te duwen en enkel uit te leggen op welke knopjes ze moeten drukken om een bepaald resultaat te bekomen (dit is de ``procedurale'' methode), maar wel door hen eerst vertrouwd te maken met de ``objecten'' achter de programma's. Al de andere pedagogische modules in dit artikel hebben precies dit tot doel: ze behandelen een bepaald concept in een object-georiënteerde, computer-onafhankelijke wijze door de leerlingen te leren welke eigenschappen of functionaliteiten bij dat concept horen, zonder in te gaan op hoe die concepten in een bepaald software-programma geïmplementeerd zijn. Die software mag trouwens pas tevoorschijn komen nadat in de lessen materiaal is aangebracht dat nut kan hebben om met computer-hulp verwerkt te worden: een opstel, de verwerking van meetgegevens van een natuurkunde-proef, het bestellen van een boek, het opzoeken van de samenstelling van de huidige regeringen, enzovoort.

Natuurlijk hebben vele leerlingen thuis reeds basis-programma's ``geleerd'', zij het meestal op de hogervermelde, verkeerde procedurale wijze. Dit hoeft helemaal geen hinderpaal te vormen om hen de object-georiënteerde aanpak alsnog toch aan te leren: laat deze meer ``ervaren'' leerlingen hetzelfde probleem eens aanpakken met drie of vier verschillende programma's, om hen te confronteren met de beperkingen van de procedurale methode. Tussen haakjes: als leerkrachten deze vergelijkende methode als een overbelasting voor hun begeleiding beschouwen, dan betekent dit dat ze zelf dringend nood hebben aan een meer object-georiënteerde visie op ICT. Het positieve resultaat van een vergelijking is net dat men een beter inzicht verwerft in wat essentieel is en wat bijkomstig, en dus leidt het tot het gemakkelijker begrijpen van nieuwe programma's en ICT-begrippen.

4.5.2.2 Vorm versus inhoud.

Het onderscheid kunnen maken tussen het ingeven van de inhoud van een tekst aan de ene kant, en de opmaak ervan aan de andere kant, is één van die fundamentele vaardigheden die zowat volledig teloorgegaan zijn in de huidige ICT-wereld. Alle programma's met een grafische gebruikersinterface mengen vorm en inhoud door elkaar, niet alleen in hun uitzicht (d.w.z., de icoontjes op hun scherm) maar ook in de bestandsformaten die ze gebruiken om de ingegeven informatie op te slaan en uit te wisselen. Bijvoorbeeld: in Word vind je niet alleen een knopje om een gemaakte selectie te markeren als een ``Titel,'' maar ook een knopje om de selectie weer te geven in een bepaalde fontgrootte. De ``Titel'' is inhoudelijke informatie (het zegt wat de bedoeling is van dit stukje tekst), maar de fontgrootte is pure vorm (het zegt hoe het ding eruit moet zien).

De vermenging van vorm en inhoud maakt het enorm moeilijk om nuttig gebruik te maken van de zonder twijfel meest nuttige eigenschap van computers: de mogelijkheid om informatie te hergebruiken voor andere doeleinden zonder ze opnieuw te moeten ingeven. Die mogelijkheid wordt inderdaad door de meeste programma's niet benut, omdat het onmogelijk is om vorm en inhoud terug te scheiden nadat ze eenmaal in het programma opgeslagen zijn!

Een eenvoudig voorbeeldje uit de praktijk maakt dit snel duidelijk. De secretaris van een bedrijf moet een jaarlijks verslag maken van de activiteiten van het bedrijf, en vraagt aan al de betrokken personeelsleden om hem een tekst te sturen met hun bijdragen. Ieder van hen snelt naar een grafische tekstverwerker, en begint de nuttige inhoud van zijn verslag in te tikken. Spijtig genoeg gaat het mis bij de keuze van de vorm van de bijdragen: de ene gebruikt een vet font van grootte 12 punts om een de titels van zijn verschillende activiteiten aan te geven, en de andere gebruikt 14 punts en een cursief font. De secretaris kan niet anders dan al de toegestuurde bijdragen manueel door te nemen, en te knippen en te plakken naar een nieuw bestand, dat het uiteindelijke jaarverslag bevat. Op deze wijze worden jaarlijks miljoenen werkuren en tonnen papier verspild aan een activiteit zonder enige toegevoegde waarde. Nochtans bestaat de technische mogelijkheid om automatisch zo'n geïintegreerd verslag te maken, indien alle medewerkers zo verstandig waren geweest om een ICT-tool te gebruiken dat toelaat (of liever, dat dwingt) om vorm en inhoud te scheiden.

De essentie van een goed ICT-tool dat vorm en inhoud scheidt is dat het bestandsformaat bestaat uit gewone leesbare tekst, waarbij tags het onderscheid duidelijk maken tussen vorm en inhoud. Om even terug te keren naar het voorbeeld van het jaarverslag: iedere medewerker kan net zo goed gewone tekst produceren om zijn bijdrage te leveren, en die voorzien van tags die de betekenis van elk stukje tekst aanduiden. Op die manier kan de secretaris een programma laten lopen dat alle bijdragen doorloopt en, bijvoorbeeld, de inhoud gestructureerd in een gegevensbank plaatst, van waaruit dan (opnieuw automatisch) een jaarverslag kan geproduceerd worden.

Zulke ICT-tools bestaan, al jaren, maar worden door het Microsoft-monopolie doodgezwegen... Een voorbeeld van zo'n tool is de LATEX tekstverwerker die in één van de volgende paragrafen kort aan bod komt.

4.5.2.3 Editor: tekst versus beeld.

Het zal misschien velen verbazen, maar het belangrijkste toepassingsprogramma dat leerlingen zouden moeten leren gebruiken is een editor. Een editor (grafisch of niet) is een programma waarmee informatie aan een computersysteem wordt gegeven onder de vorm van tekst-bestanden. En, zoals besproken in de vorige paragraaf, goede programma's bieden de mogelijkheid om in tekstvorm invoer te geven die vorm en inhoud uit elkaar houdt. Een editor is dus één van de meest flexibele vormen om met computers te interageren, en ermee leren werken is het ICT-equivalent van het leren schrijven met een pen, en van de dactylo-lessen uit vroegere tijden.

Natuurlijk vraagt het leren werken met een editor wat tijd, zeker voor de meer efficiënte editors die toelaten om alle editeer-commando uit te voeren met alleen maar toetsencombinaties, dit wil zeggen, zonder bij elke actie te moeten overschakelen van toetsenbord naar muis en terug naar toetsenbord zoals in programma's gebaseerd op grafische interfaces. Maar de tijd ``verloren'' aan het aanleren van een goede editor winnen de leerlingen gedurende hun hele verdere leven ruimschoots terug. Vergelijk de inspanning van het aanleren van een editor met het aanleren van een gesproken taal: het is mogelijk als toerist naar gelijk welk land in de wereld te reizen, en jezelf verstaanbaar te maken door naar voorvertaalde zinnetjes in een reisgids te wijzen, maar als je echt iets van het bezochte land wil leren kennen gaat er niets boven het spreken van de lokale taal. Op de wereld bestaan honderden natuurlijke talen, en het is dus niet vanzelfsprekend om die allemaal onder de knie te krijgen. Op ICT gebied is de situatie heel wat gunstiger: je hoeft maar één enkele editor te kennen om te kunnen ``praten'' met alle programma's. Tenminste, als die programma's dat toelaten, wat vaak niet het geval is met commerciële software: zij verhinderen vaak dat gebruikers interageren met het programma op de manier die voor hen het meest efficiënt is.

4.5.2.4 Editor: je onafhankelijkheid in de ICT-wereld.

Editors dienen als fundament voor andere basisprogramma's: elektronische communicatie, echte tekstverwerking (zie later), gegevensbanken, programmatie. Een goede editor draait onder alle besturingssystemen (zodat een gebruiker overal zijn editor-vaardigheden optimaal kan aanwenden), heeft gevorderde zoek- en vervang-functies, biedt ``syntax highlighting'' aan voor alle formele computer-talen (HTML, LATEX, SQL, C++, ...) maar ook voor communicatie via email of op nieuwsgroepen, laat gebruiker toe om persoonlijke voorkeursinstellingen op te slaan in aparte configuratie-bestanden, kan volledig via het toetsenbord bediend worden voor wie wenst snel en efficiënt te werken zonder om de drie tellen naar de muis te moeten grijpen, en kan gebruikt worden binnen in andere programma's zodat gebruikers steeds kunnen werken met de editor die ``in hun vingers'' zit. Een goede editor ``groeit'' ook mee met de vaardigheden van de gebruiker: een grafische ondersteuning voor beginners, en hopen extra ``commando-lijn''-functionaliteit voor de meer gevorderden. Die grafische ``instap''-versie moet trouwens zodanig zijn dat ze het gebruik van de ``commando-lijn''-functionaliteit duidelijk maakt en stimuleert. Een editor leer je voor je leven, en wil je ter beschikking hebben op alle computers waarmee je werkt. Klassieke voorbeelden van goede editors zijn emacs en vim, beide beschikbaar op alle computerplatformen, en beide al gedurende tientallen jaren gerijpt en geoptimaliseerd voor efficiënt en veelzijdig gebruik. De laatste jaren verschijnen er een hoop nieuwe editors, vaak ook van goede technische kwaliteit, met beperktere mogelijkheden dan emacs of vim, en meestal (enkel!) op grafische leest geschoeid.

Het feit dat Microsoft geen goede editor aanbiedt in zijn besturingssystemen is helemaal geen toeval, maar nog maar eens een bewijs dat software firma's hun klanten ``dom'' wil houden om ze zo des te sterker aan zich te kunnen binden. De vrijheid die een editor biedt als basis-gebruiksmiddel voor flexibel en open ICT ondermijnt inderdaad hun machtspositie.

4.5.2.5 Tekstverwerking.

Tekstverwerking verdient extra aandacht als een basisvaardigheid, omdat dit waarschijnlijk de toepassing is waarmee de meerderheid van de scholieren levenslang in aanraking zal komen. Daarom is het des te spijtiger dat de huidige de facto manier om tekstverwerking aan te leren uitsluitend gebruik maakt van zogenaamde WYSIWYG tekstverwerking (What You See Is What You Get):
  1. WYSIWYG doet weinig moeite om vorm en inhoud te scheiden, en heeft weinig ondersteuning voor het aanmaken van gestructureerde teksten.

  2. WYSIWYG is een hoofdzakelijk procedurale manier van werken.

  3. teksten krijgen een uitzicht met lelijke typografie, omdat gebruikers onverantwoord beroep doen op alle ``toeters en bellen'' die ze onder handen krijgen, en omdat weinig commerciële tekstverwerkers goede typografie onder de motorkap hebben. Kijk eens even rond in je omgeving, en je merkt dat volgende zaken meer regel dan uitzondering zijn: vette titels die dan nog eens extra onderlijnd worden; kris-kras door elkaar gebruiken van verschillende lettertypes en lettergroottes; manuele formattering van paragrafen en opsommingen met behulp van tab-toetsen, ``-'' tekens, extra spaties en dies meer; paragrafen die nu eens gescheiden worden door twee witregels, dan weer door één enkele, en dan weer door drie; enzovoort.

  4. de gebruiker is voortdurend bezig met opmaak van de tekst, wat de aandacht afleidt van structuur en inhoud. Studenten verspillen vaak massa's tijd aan de opmaak van het schutblad voor een verslag, of aan de positionering van een figuur binnen in hun lopende tekst, terwijl ze dus minder tijd en concentratie overhouden om de inhoud en de structuur te verzorgen.

  5. de standaard-instellingen van programma's zoals WordPerfect of Word zijn typografische miskleunen, die 500 jaar ervaring met tekstopmaak overboord gooien. Vergelijk eens de opmaak van een boek van, pakweg, vijftig jaar geleden met de resultaten van die hedendaagse tekstverwerkers, en merk op dat, zoals met alle vaardigheden, het meesterschap ligt in soberheid, opleiding en discipline, en niet in de ``gebruiksvriendelijke'' ondersteuning van een overdaad aan features.

  6. WYSIWYG-opmaak heeft de ambitie om onmiddellijk de invoer van de gebruiker te verwerken tot een ``definitieve'' vorm. Deze ambitie is onmogelijk te vervullen voor ietwat langere en/of complexere documenten, omdat heel wat vormgevingsaspecten de hele tekst in zijn globaliteit moeten verwerken: nummering van figuren en pagina's, kruis-referenties binnen en buiten de tekst, plaatsing van figuren, opmaken van een index, consistente stijl van sectie-hoofdingen, enzovoort.

Alternatieven voor WYSIWYG-tekstverwerking bestaan reeds tientallen jaren, in de vorm van wat men wel eens WYSIWYM noemt: What You See Is What You Mean. Dit soort tekstverwerking (met LATEX, HTML en SGML als typische voorbeelden) werken volgens het principe dat gebruikers in een editor hun tekst intikken, en in die tekst aanwijzingen geven over de betekenis van stukken van hun tekst. Het document dat u nu leest is geschreven met LATEX, en daarin gebruik ik structuur-aanwijzigingen zoals \subsection{Programmeren} om de hoofding van de onderstaande sectie aan te duiden zonder te expliciteren hoe de opmaak van die hoofding er moet uitzien; de ``hoe'' uit voorgaande zin is geschreven als \emph{hoe} waarbij de \emph slaat op de bedoeling om het woordje ``hoe'' te benadrukken (``emphasize''); enzovoort. De tekst die in de editor geschreven is, wordt daarna verwerkt (``gecompileerd'') door de eigenlijke tekstverwerker tot een opgemaakte tekst; de gebruikers hebben de keuze tussen een (groot) aantal ``stijlen'' die aangemaakt zijn door professionele typografen (en die zorgen voor een kwalitatief hoogstaande opmaak), en tussen een groot aantal ``eindformaten'' (afdrukbare versie, webpagina, PDF- of ASCII-versie, enzovoort).

Een belangrijke eigenschap die WYSIWYM-tekstverwerking onderscheidt van WYSIWYG is dat de inhoud en de opmaak van de tekst gescheiden worden. Bovendien bestaat de inhoud uit gewone tekst, aangemaakt met een editor, die veel minder plaats inneemt dan een WordPerfect of Word-bestand met dezelfde inhoud, die zonder problemen ook na tien jaar nog leesbaar is op elk computersysteem (probeer dat maar eens met commerciële tekstverwerkers...), en waarvan de inhoud elektronisch kan verwerkt worden door andere programma's dan de tekstverwerker (bijvoorbeeld door een zoek-programma dat je de opdracht geeft om na te gaan in welke teksten uit je archief je spreekt over ``ICT'', of door een programma dat de structuur-opdrachten vertaalt naar een ander formaat, zoals van LATEX naar HTML). Een laatste voordeel is dat WYSIWYM-tekstverwerkers zoals LATEX modulaire uitbreidingen hebben voor alle denkbare toepassingen: gevordere wetenschappelijke tekstverwerking, opmaak van muziek-partituren, creatie van computer-presentaties of interactieve toetsen, koppeling met gegevensbanken om bijvoorbeeld adres-labels of gepersonaliseerde brieven aan te maken; enzovoort. Het ``geheim'' van deze flexibiliteit is de openheid van het programma (zie later) zodat duizenden gebruikers al die uitbreidingen hebben kunnen maken voor hun specifieke toepassingen, zonder te moeten wachten op één of andere producent en zonder afhankelijk te zijn van de willekeur van die producent.

Ik volg al meer dan tien jaar aandachtig en kritisch de ervaringen van studenten die hun thesistekst maken, en de resultaten zijn zonder meer duidelijk: de gebruikers van een niet-WYSIWYG tekstverwerker zoals LATEX hebben een week of zo nodig om het concept en het programma onder de knie te krijgen, maar winnen deze tijd in veelvoud terug naarmate hun tekst groter en complexer wordt. Bovendien is het resultaat ook van typografisch professionelere kwaliteit, en van beperktere omvang op de harde schijf, en zonder problemen overdraagbaar naar andere computer-systemen en integreerbaar in de teksten van anderen.

Gevorderd gebruik van WYSIWYM-tekstverwerking hoeft niet per se te betekenen dat gebruikers een hoop structuur-commando's van buiten moeten leren: er bestaan grafisch-ondersteunde editors voor LATEX, HTML en SGML, die erg lijken op de WYSIWYG-tekstverwerkers, maar die de gebruiker niet toelaten om typografische ``vloeken'' te produceren. Maar ik pleit voor de ``minder gemakkelijke'' weg: het aanleren van het WYSIWYM-concept loont onbetwistbaar de moeite, aangezien het levenslang en universeel bruikbaar is.

4.6 Programmeren

4.6.1 Verhaal.

Laat de kinderen uitleggen hoe ze hun verjaardagsfeestje voorbereiden; of een reis met de familie; of hoe zij of hun leiders een kamp met de jeugdbeweging organiseren; of hoe de open-deur-dag op school wordt aangepakt. Maak hen erop attent dat mensen meestal op natuurlijke wijze een verdeel-en-heers-strategie gebruiken om de complexiteit van problemen te reduceren tot een aantal kleine deelproblemen, door de verantwoordelijkheden te verdelen over verschillende medewerkers. Dit laatste is opnieuw de object-georiënteerde aanpak die de kop opsteekt: de organisatie beperkt zich tot het (tijdig) ``verzenden'' van de benodigde boodschappen naar de deel-verantwoordelijke (die zelf wel uitmaken hoe ze de hun toegewezen verantwoordelijkheden kunnen uitvoeren), en tot het synchroniseren en controleren van de resultaten van de werkzaamheden.

4.6.2 ICT-concept: Hoe ontwerp ik een ``programma''?

Het is een kleine stap van de mondelinge of schriftelijke beschrijving van de organisatie van de open-deur-dag naar een programma geschreven in een computertaal. Het belang van dit soort ``programma-ontwerp'' in de opleiding kan moeilijk overschat worden. Niet omdat we nu per sé van al onze scholieren programmeurs willen maken, maar omdat het duidelijk en gestructureerd leren overbrengen van ideeën en structuren een algemene expressie-vaardigheid is. Of het nu over het schrijven of documenteren van programma's gaat, of over een kritische bespreking van een krantenartikel, of over discussies hoe het met het schoolwinkel-project nu verder moet. Dit aspect van ``programmeren'' hoeft dus helemaal niet in een informatica-kleedje gestoken te worden, want het is een vaardigheid die in alle vakken van pas komt.

De basis van goed ``programma''-ontwerp kan best gegeven worden zonder dat daar een echte computertaal aan te pas komt, dit wil zeggen, in de natuurlijke taal van het kind. De nadruk ligt daarbij op het nauwkeurig formuleren van doelstellingen en van de procedure om die doelstellingen te realiseren; de nadruk mag niet liggen op het aanleren van de grammatica van een computertaal. Toch is het reeds van in het basisonderwijs mogelijk om kinderen al spelend ``echt'' te leren programmeren met programmeerspelletjes zoals Logo, of speelgoed zoals Lego of Fisher Technik die ondertussen ook (proceduraal!) programmeerbaar zijn geworden.

4.7 Gegevens opslaan, opzoeken en uitwisselen

4.7.1 Verhaal.

Laat de leerlingen informatie zoeken over een bepaald onderwerp via de bibliotheekcatalogus, via een zoek-machine op het Internet, en door uitleg te vragen aan ouders of leerkrachten. Maak hen attent op het ``object'' gegevensbank dat gemeenschappelijk is aan al deze bronnen: een gegevensbank is een opslagplaats van informatie, waarin die informatie op een gestructureerde manier opgeslagen is, en waar men, in het algemeen, dezelfde informatie kan consulteren via enorm veel verschillende zoekwegen. In hun zoektocht zullen ze informatie vinden op papier, in verschillende talen, in tekstvorm of als figuur, als geluidsfragment of als beeld. Sommige van deze informatie-dragers zullen ze misschien niet kunnen gebruiken, omdat ze geen toegang hebben tot een ``vertaler'' naar de informatiedragers die ze begrijpen.

4.7.2 ICT-concept: bestandsformaten en gegevensbanken.

Computers houden informatie bij in zogenaamde ``bestanden''. Alle bestanden hebben een bepaalde formaat: een bestand met de HTML-tekst van een webpagina heeft een andere structuur dan een Word-document; de structuur wordt in een bestand gelegd door sleutelwoorden met een specifieke betekenis afhankelijk van het type bestand. Een ``gegevensbank'' is een speciaal soort bestand (of groep van bestanden), speciaal bedoeld om massa's gegevens bij te houden, en met een structuur die efficient zoeken toelaat. Het aantal gegevensbanken waarmee we in onze dagelijkse activiteiten bewust of onbewust in aanraking komen groeit gestaag: je belt naar de inlichtingen van de telefoonmaatschappij en je krijgt je antwoord snel via de gegevensbank van alle abonnees; je bestelt een stuk speelgoed via Internet en zowel de bestelling, de logistiek als de verzending maken gebruik van meerdere databanken; als je zoekt op een zoekmachine op Internet naar alle naamgenoten die een eigen webpagina hebben gebruik je één van de grootste gegevensbanken ter wereld; enzovoort.

Laat de leerlingen, bijvoorbeeld, een bestand maken met daarin de namen, straatnamen, gemeenten, geboortedata, hobbies, schoolresultaten, en klasgegevens van alle kinderen in de school, alles in een welbepaalde structuur, die ze zelf mogen kiezen. Maak hen nu wel duidelijk dat dit geen gegevensbank is. Om de eenvoudige reden dat het opzoeken van, bijvoorbeeld, de hobbies van de kinderen die deze week jarig zijn meer dan evenredig meer tijd vraagt naarmate de lijst langer wordt; een echte gegevensbank heeft zijn gegevens zodanig gestructureerd dat de zoektijd veel minder dan evenredig toeneemt met de grootte van de gegevensbank.

De essentie van ICT is eigenlijk het opslaan, uitwisselen en verwerken van informatie, in elektronische vorm. Daarom is het belangrijk om de leerlingen bewust te maken van de problematiek van het verstandig opslaan van die informatie: hoe bewaar ik gegevens zodat ze

De (enige!) oplossing voor dit probleem zijn open bestandsformaten. Het is niet zo moeilijk om in te zien dat het gesloten houden van bestandsformaten één van de grootste belemmeringen is op het vrij uitwisselen van informatie. Bedrijven hebben er inderdaad belang bij om de gebruikers van hun programma's ``vast te houden'' binnen de eigen gesloten bestandsformaten van het bedrijf; het wijzigen van die formaten betekent immers een gegarandeerde nieuwe bron van inkomsten, door de verkoop van ``upgrades''. En het verhindert gebruikers om over te stappen naar concurrerende software.

4.8 ICT-hygiëne

4.8.1 Verhaal.

Bespreek welke ontwikkelingen de mensheid heeft doorgemaakt in verband met persoonlijke en maatschappelijke hygiëne. Met maatschappelijke hygiëne bedoelen we bescherming en beveiliging van goederen en gebouwen. Sta even stil bij het feit dat we het als vanzelfsprekend aannemen dat we de deur van ons huis sluiten, dat we kinderen leren om niks aan te nemen van vreemden, dat we onze gebouwen (laten) schoonmaken, enz.

4.8.2 ICT-concept: beveiliging en privacy.

Vergelijk nu de zojuist beschreven gewoonten met hoe de doorsnee computer-gebruiker handelt om zijn ICT-zaken op orde te houden. Wat betekent ``opruimen'' op je PC? Wat betekent ``de deur sluiten''? Wat betekent ``niets aannemen van vreemden''? Bespreek wat er allemaal kan mislopen als deze elementaire hygiëne-regels niet gevolgd worden: overlopende harde schijven, verlies van gegevens, noodzaak tot herinstalleren van software, virussen, inbraken op de PC, enz.

Vaak wordt er op websites gevraagd om persoonlijke gegevens in te vullen. Hoe ga je daarmee om? Hebben de vragers het recht om dit te vragen, en heb jij het recht om dit te weigeren (of nep-gegevens in te vullen)? Waarom doen deze sites dat? Verkopen ze die gegevens aan marketing-bedrijven? Kom je terecht in ``spam''-lijsten?

Wat zijn de mogelijkheden en de gevaren van diensten zoals Microsoft's Passport, die eenmaal je paswoord vragen en je dan automatisch toelaten tot alle websites waarvoor je een authorisatie nodig hebt en/of waarvoor je betaald hebt. Hoe komt het dat zo'n dienst in handen van Microsoft automatisch leidt tot een nieuw monopolie, namelijk een monopolie op het betaalde Internet? Wat zijn de gevolgen als de hele wereld zijn betaal-verkeer via de servers van één enkel, niet-controleerbaar bedrijf laat verlopen?

Deze module leert de leerlingen beseffen waarom sommige programma's of systemen kwetsbaar zijn voor virussen of inbraak, en dat ze voor een heel groot stuk zelf verantwoordelijk zijn voor hun eigen ICT-hygiëne.

4.9 ICT tussen overheid en burger

4.9.1 Verhaal.

Zelfs als adolescent ben je hoogstwaarschijnlijk al wel in contact gekomen met één of andere administratie van de overheid: afhalen van een nieuwe identiteitskaart, adresverandering, registreren van je hond of fiets, enzovoort. En je hebt je misschien wel afgevraagd of je al die paperassen niet vanaf je computer thuis zou kunnen aanvragen of zelfs invullen. Je bent niet alleen met die vraag, want ook de overheden van zowat alle Westerse landen hebben plannen in die richting.

4.9.2 E-government

Wat kan elektronisch ter beschikking gesteld worden en wat niet? Wat zijn de vereisten waaraan een veilige elektronische dienstverlening van de overheid moet voldoen? Wat zijn democratische en economisch verantwoorde manieren om iedere burger toegang te geven tot deze elektronische dienstverlening? Wat is de ``digitale kloof'' en hoe is hier aan te verhelpen? Wat vervangt de handtekening op papier?

4.10 Kritisch kijken naar ICT

4.10.1 Verhaal.

Laat de leerlingen de beginsels van de vrije markt ontdekken: de vrije markt levert een veelheid aan keuze-mogelijkheden voor consumenten (hoeveel verschillende merken GSMs of corn flakes kan je wel niet kopen); de werking van de (echt) vrije markt is transparant (consumenten zijn goed ingelicht over welke leveranciers er zijn, en welke kwaliteit ze leveren); concurrerende producten zijn onderling uitwisselbaar (elke camera werkt met filmrolletjes van alle leveranciers; elke HIFI-keten werkt met CDs van alle leveranciers; alle auto's kunnen banden en batterijen gebruiken van alle leveranciers; enz.); en (dus) zijn de consumenten kritisch (ze kiezen de voor hen optimale prijs/kwaliteit-verhouding). Bovendien treden overheden steeds vaker op om de scherpe kantjes van de zuivere markt af te ronden: ze geven financiële steun aan innovatieve starters die met hun nieuwe producten moeten opboksen tegen financiëel oppermachtige wereldconcerns; ze reglementeren de markt zodat niemand een oneerlijk voordeel krijgt; ze leggen standaarden op; enzovoort.

4.10.2 ICT-concept: Vrije Software.

Als je bovenstaande beschrijving van de ``normale'' consumentenmarkten vergelijkt met de toestand op de software-markt, dan valt onmiddellijk op dat deze laatste helemaal geen vrije markt is: producten zijn helemaal niet gemakkelijk uitwisselbaar, de consument is helemaal niet kritisch of volledig ingelicht, en kan zeker niet met minimale kosten van zijn oude op een nieuwe leverancier overschakelen. Opnieuw zijn het vooral de gesloten bestandsformaten die de vrije concurrentie verhinderen. Maar er is meer dan alleen de bestandsformaten: ook de keuze aan toepassingsprogramma's is uiterst beperkt. Terwijl we het vanzelfsprekend vinden dat er wereldwijd tientallen producenten van aardolie zijn, of auto's, of huishoudtoestellen, of GSMs, blijkt deze overvloed aan producenten niet te bestaan voor software! De reden hiervan is reeds lang bekend, en geldt voor alle markten waar uitwisselbaarheid van producten niet bestaat: increasing returns. Dit wil zeggen dat de consumenten in een niet-open markt door hun individueel koopgedrag als vanzelf een monopolie gaan creëren: omdat ze hun (in dit geval, software) product met zoveel mogelijk anderen willen uitwisselen kiezen ze voor de producent die het grootste marktaandeel heeft; deze producent geniet dus van het omgekeerde effect dan wat er in een open, concurrentiële markt gebeurt: hij kan zijn winstmarges verhogen naarmate de markt groeit en hij dus meer gebruikers in zijn macht heeft. Deze situatie heeft zich in het verleden reeds voorgedaan in de telefonie (AT&T monopoliseerde de Amerikaanse markt tot aan haar verplichte opspliting, waarna de dienstverlening en de kostprijs van telefonie spectaculair verbeterd zijn in het voordeel van de consument), de video-industrie (VHS haalt het tegen BetaMax en Video2000, met een technisch minderwaardig product), en de Internet-wereld (TCP/IP haalt het op andere protocols zoals X25); het meest extreme en actuele geval is natuurlijk Microsoft.

Zulke situatie is niet gezond (tenzij voor die ene monopolist). De remedie is meer open software. ``Open'' betekent hier niet noodzakelijk hetzelfde als bij de ``Vrije Software'' die later in de tekst aan bod komt; het woord ``open'' slaat hier op de eigenschap dat de specificaties van de software (d.w.z., de zogenaamde API, Application Programming Interface) volledig beschikbaar zijn, zodat concurrentie mogelijk is met uitwisselbare producten. De code zelf van de software hoeft daarom niet vrijgegeven te worden, wat wel het geval is met echte Vrije Software.

Bovenstaande argumentatie om de leerlingen (en leerkrachten!) op te leiden tot kritische ICT-consumenten stuit vaak op veel weerstand. De veelgehoorde argumenten om hen niet te moeten lastig vallen met een uitleg over de ``interne keuken'' van de ICT-wereld zijn: (i) als gebruiker hebben ze daar toch geen boodschap aan, (ii) de computers worden toch alsmaar krachtiger zodat we er ons geen zorgen over moeten maken of we nu op een efficiënte wijze met onze computer omspringen of niet, en (iii) de prijzen van computers dalen voortdurend, dus zal er wel concurrentie zijn zeker? Deze argumenten zijn op zijn minst misleidend (bijvoorbeeld: PCs worden inderdaad steeds goedkoper en krachtiger, maar dit is uitsluitend te wijten aan de harde concurrentie op de hardware-kant, en helemaal niet aan het goedkoper worden van de Windows licenties!), en worden nooit toegepast op andere, reeds langer ingeburgerde consumenten-artikelen. Dit is misschien het eenvoudigst aan te tonen aan de hand van een vergelijkend voorbeeld. In de gouden na-oorlogse jaren werden auto's met dezelfde motivatie gebouwd en gebruikt als computers en software nu: natuurlijk moesten ze rijden, maar liefst waren ze zo groot(s) en krachtig mogelijk, om de consument te imponeren. Klanten werden gelokt door meer chroom of grotere motoren. Ondertussen is men tot het besef gekomen dat compactheid, recycleerbaarheid, modulariteit, eenvoud en zuinigheid steeds belangrijker worden. Bovendien is het ondenkbaar dat autobedrijven de motorkap van hun wagens zouden dichtlassen, om zo te vermijden dat de geïnteresseerde consument zelf aan zijn motor sleutelt of zijn technische nieuwsgierigheid bevredigt. De computerwereld gaat voorlopig nog helemaal de andere kant op: hermetisch afgesloten, steeds complexere, en steeds meer hardware eisende programma-paketten. (Maar ook de auto-industrie evolueert terug in die richting: meer en meer functionaliteit in een moderne auto komt via ingebedde computers, waartoe de ``garagist op de hoek'' geen toegang meer heeft en geen herstellingen aan kan verrichten...) Vroeg of laat zal dezelfde evolutie naar rationelere oplossingen zich voordoen in de computerwereld zoals zij zich heeft voorgedaan bij al die andere, reeds meer gerijpte consumentenproducten. Het zal maatschappelijk onaanvaardbaar worden om om de zoveel jaren computers op de vuilnisbelt te gooien, enkel en alleen omdat de nieuwe modellen veel krachtiger zijn. Gebruikers zullen zich steeds meer beginnen afvragen waarom ze zouden ``upgraden'' als hun huidige hardware en software het nog uitstekend doen, en ze geen nood hebben aan nog meer toeters en bellen. Zoals de snelwegen en onze vuilnisbelten slibt ook het Internet dicht, niet zozeer door de toenemende informatie-inhoud van de aangeboden webpagina's, maar door de groeiende belasting die de ``verpakking'' van die informatie met zich meebrengt (een overvloed aan beeldjes en ``special effects'' op de web-pagina's; boodschappen die verstuurd worden als tekstverwerkerbestanden die tientallen malen omvangrijker zijn dan de nuttige inhoud van de berichten; grafische interfaces voor alles en nog wat; muziek of film-fragmenten om webpagina's of emails ``op te luisteren''). De huidige trend van steeds nauwer geïntegreerde ``office'' pakketten (tekstverwerking, email, rekenblad, en dergelijke, in één complex geheel en alles in de gesloten bestandsformaten van één leverancier) zal ombuigen door een toenemende vraag van de kritischer wordende consument naar afzonderlijke componenten van hoge kwaliteit, die wel conform moeten zijn met open mondiale standaarden en normen, om met elkaar gegevens te kunnen uitwisselen. Enkel op deze manier kan de concurrentie tussen verschillende aanbieders van dezelfde functionaliteit maximaal in het voordeel van de gebruiker spelen.

De Amerikaanse en in mindere mate de Europese markten vertonen nu reeds de eerste tekenen van een groeiende consumenten-rijpheid. (Niet in het minst door de groeiende media-aandacht voor Vrije Software veroorzaakt door het monopolie-proces tegen Microsoft.) Meer en meer bedrijven bieden eenvoudige en goedkope computer-producten aan (wat men in het Engels ``appliances'' pleegt te noemen), die slechts een beperkt aantal taken aankunnen, maar dan wel zonder ``crashes'' en tegen een lage prijs. Voorbeelden zijn: ``intelligente'' video-recorders, hand-computers, internet-computers, spel-consoles, domotica, enz. De aandacht en het gebruik van Vrije Software groeit exponentieel: de webserver Apache en zijn ``programmeertaal'' PHP, de scripting-talen Perl, Tcl en Python, het besturingssysteem Linux en zijn ``real-time'' variant RTLinux, de gevensbank MySQL, de desktops Gnome en KDE, het rekenpakket Octave, de grafische ``widgets'' van Qt en GTK, het foto- en bitmap-verwerkingsprogramma Gimp, de alle standaarden respecterende browser Mozilla, het onlangs onder Vrije Software software licentie gebrachte (en reeds gedeeltelijk operationele) OpenOffice, ...

In de ICT-praktijk op school moeten leerkrachten vooral de verleiding weerstaan om te kiezen voor zogenaamde geïntegreerde oplossingen (d.w.z., een totaal-programma dat een aantal deel-programma's vlot data laat uitwisselen) wanneer die integratie eigenlijk neerkomt op extegratie. Op zich is elke vergemakkelijking van data-uitwisseling toe te juichen, maar enkel en alleen indien dat gemak voortkomt van het feit dat open en standaard bestandsformaten worden gebruikt; de commerciële aanbieders misbruiken echter het integratie-gemak om gebruikers aan zich te binden: de integratie lukt enkel met programma's van de eigen stal. De lange-termijn gevaren verbonden aan zo'n user lock-in kunnen moeilijk onderschat worden!


5 Keuze van hardware en software

Deze sectie ontvouwt een visie op hoe ICT in het onderwijs moet aangepakt worden, met het oog op enerzijds het bereiken van de doelstellingen uit de vorige secties, en anderzijds op wat praktisch haalbaar is. Beide aspecten van het probleem vinden een oplossing in het idee van ``Open Software.''


5.1 Hardware

De kreet ``1 computer voor elke 10 leerlingen'' klinkt niet slecht in de oren, maar bij nader inzien heeft deze slogan even weinig om het lijf als dezelfde kreet ``1 op 10'' wanneer het zou gaan over boeken in de schoolbibliotheek. Wat men met computers of boeken doet is veel belangrijker dan hoeveel men ervan heeft. Vanzelfsprekend geeft meer uitrusting meer mogelijkheden, maar ook hier schuilt meer dan één addertje onder het gras. Ten eerste, een groot computerpark impliceert een grote onderhoudslast, een stevig netwerk, en, niet onbelangrijk, degelijk opgeleide computer- en netwerkbeheerders. Ten tweede, de commerciële mallemolen in de computerwereld is nu dermate verhit dat een computerinfrastructuur van enkele jaren oud onterecht het etiket ``hopeloos verouderd'' meekrijgt. Opnieuw stellen weinigen zich hierbij de vraag waarom het wel aanvaardbaar is dat een school, die de opleiding tot automechanieker of laborant aanbiedt, didactisch materiaal gebruikt (automotoren, distillatiekolven, enz.) dat men ook al jaren niet meer in echte garages of labo's aantreft maar nog wel volgens dezelfde principes werkt en dus zijn educatief doel perfect kan bereiken, terwijl het niet aanvaardbaar zou zijn om oudere PCs te gebruiken. De moderne computer mag dan al honderden malen sneller werken dan zijn voorganger van tien jaar terug, de basisprincipes zijn nog geen jota veranderd! De ``veroudering'' van computers heeft meer te maken met de perceptie gecreëerd door aanhoudende marketing, en met de zwaardere belasting veroorzaakt door de nieuwe versies van commerciële software, dan met een echte toename aan functionaliteit van die software.

Bijvoorbeeld, een 386 of 486 PC is nog altijd ruim krachtig genoeg om te dienen als netwerkrouter, of als (``diskless'', en dus onderhoudsvrije) grafische terminal van een server. Scholen hoeven dus helemaal niet mee te doen met deze commerciële mallemolen, aangezien er goede en gratis Vrije Software alternatieven bestaan die heel wat minder eisen stellen aan de hardware dan hun commerciële concurrenten; bovendien kan in die wereld één moderne server PC een heleboel andere PCs toegang geven tot gecentraliseerde toepassingsprogramma's. Bovendien heeft deze oplossing het extra voordeel dat gebruikers hun gegevens van overal op het netwerk kunnen bereiken, en programma's kunnen draaien die geïnstalleerd zijn op andere dan hun eigen computer. Deze trend van client-server architectuur is groeiend, en wordt nog versterkt door de recente evolutie in de telecommunicatie-markt: GSM en elektronische zakagenda's zijn inherent ``genetwerkt'' en nemen meer en meer functionaliteiten over van de klassieke ``persoonlijke'' computer; dit zal op niet al te lange termijn voor een drastische verschuiving en mentaliteitsverandering zorgen in de perceptie van de gewone gebruiker op de ICT-wereld.


5.2 Software

Wie een beetje vertrouwd is met ICT op school beseft al snel dat de meeste scholen een vrij beperkte verzameling van software-pakketten gebruiken: Microsoft Office voor tekstverwerking en rekenblad, Internet Explorer voor web-browsing, PhotoShop en FrontPage voor aanmaak van webpagina's, en hier en daar ook een specifiek programma voor wiskunde of natuurkunde.

Er bestaat echter ook een hoop niet-commerciële (``Vrije Software'') alternatieven voor al de software die een school nodig heeft, en de kwaliteit ervan is verbazend vaak vergelijkbaar of zelfs hoger dan de gangbare commerciële pakketten (niet-commerciëel mag zeker niet verward worden met niet-professioneel!). Vrije Software biedt bovendien keuzevrijheid en onafhankelijkheid, en de ontwikkeling ervan drijft op een filosofie van openheid en samenwerking die perfect aansluit bij de waarden die iedereen graag herkent in een onderwijs van hoge kwaliteit.

De volgende paragrafen gaan dieper in op verschillende aspecten van Vrije Software, omdat het voor de overgrote meerderheid van de geïnteresseerden nog altijd niet vanzelfsprekend is om te begrijpen wat Vrije Software is, en onder welke omstandigheden het kan ontstaan en een hoge kwaliteit kan bereiken.

5.2.1 Vrije Software

Software wordt ``open source'' of ``free software''3 genoemd indien:
  1. de licentie waaronder de software verspreid wordt gratis is, en onbeperkt copiëren toelaat.

  2. de broncode van de programma's beschikbaar is voor al wie uitbreidingen en verbeteringen wil aanbrengen, of voor wie gewoon nieuwsgierig is en wil kijken hoe de software precies in elkaar steekt.

  3. geen enkel individu of bedrijf de vrije en gratis toegang tot de software aan anderen kan ontzeggen.

Standaarden (voor de uitwisseling en opslag van elektronische informatie) zijn ``open'' indien:
  1. ze tot stand zijn gekomen na overleg tussen verschillende partijen (commerciële zowel als niet-commerciële).

  2. hun specificaties volledig beschreven zijn.

  3. deze specificaties voor iedereen toegankelijk zijn.
(Deze tekst gebruikt meestal de term ``Vrije Software'' om zowel de software als de bestandsformaat-standaarden aan te duiden.) Vrije Software heeft, dankzij de snelle evolutie van het Internet, op minder dan tien jaar tijd een enorme vlucht genomen, met als resultaat een grote hoeveelheid beschikbare software van hoge kwaliteit en zo goed als verwaarloosbare aanschafkost. Vrije Software wordt op een, op het eerste zicht, onorthodoxe en ``chaotische'' wijze ontwikkeld én ondersteund door duizenden vrijwilligers en professionelen overal ter wereld. (Het besturingssysteem Linux is waarschijnlijk het best gekende voorbeeld.) Omdat deze methode sterk verschilt van de manier waarop commerciële bedrijven software maken, staan vele oningewijden aanvankelijk wantrouwig tegenover het fenomeen: ``Hoe kan iets dat gratis is ook goed zijn?'' Dit wantrouwen is onterecht.4Het is echter nog wel steeds zo dat Vrije Software weinig doorgedrongen is tot het onderwijs, om enkele eenvoudige redenen: Het hoofddoel van deze tekst is om mee te helpen deze scheve situatie recht te trekken, aan de ene kant door het fenomeen ``Vrije Software'' te demystifiëren en aldus de instapdrempel voor de kennismaking met, en het gebruik van, Vrije Software te verlagen, en aan de andere kant door een gemotiveerd alternatief aan te bieden voor de commerciëel gestuurde ICT-``opleiding'' die heden ten dage ten onrechte als vanzelfsprekend wordt ervaren en aanvaard, maar die eigenlijk helemaal geen opleiding is.

De rest van deze tekst legt uit waarom het wantrouwen jegens Vrije Software ongegrond is. En waarom alleen Vrije Software een optimale oplossing biedt voor alle aspecten van de invoering van ICT in het onderwijs.

Gemakshalve verzamelt deze tekst alle Vrije Software soms onder de gemeenschappelijke en beter bekende term ``Linux'', alhoewel Linux slechts het topje van een (enorme) Vrije Software ijsberg is. De internationaal erkende (en beschermde!) term ``Open Source'' software is minder ingeburgerd, maar zegt wel nauwkeuriger waarover het gaat: de ``source'' oftewel broncode van de programma's is voor iedereen vrij beschikbaar. Linux zelf is het meest populaire van een reeks open versies van het Unix besturingssysteem, maar zeker niet het enige. Een besturingssysteem is het programma op een computer dat de verbinding verzorgt tussen de apparatuur (processor, geheugen, harde schijf, ...) en de gebruikersprogramma's. De kwaliteit van het besturingssysteem is dus van essentieel belang. Linux is op dat gebied een alternatief voor de Windows besturingssystemen, en ten opzichte van Windows zelfs van een technisch superieure kwaliteit. Buiten het besturingssysteem Linux bestaan er verder nog duizenden, gratis en/of Vrije Software gebruikersprogramma's. De belangrijkste redenen om voor Linux en Vrije Software te kiezen zijn:

  1. Linux is een Unix-besturingssysteem. Unix is veel ouder dan de meeste andere huidige besturingssystemen, en de onderliggende concepten en structuren zijn ondertussen al lang uitgepuurd en geoptimaliseerd. Tegenstanders gebruiken echter de relatief hoge levensduur van Unix (foutievelijk) als een argument in omgekeerde richting: ze beweren dat het een voorbijgestreefde technologie uit het verleden is, terwijl hun systemen ``nieuw'' en dus(?) beter zouden zijn. In feite maken jongere systemen, zoals Apple MacOS en Microsoft Windows, nogmaals de lange en dure leerschool door die Unix reeds jaren achter de rug heeft; dit bewijzen de technische evoluties die geleid hebben tot Windows 2000 of Apple MacOS X ten overvloede. (MacOS X is trouwens gebouwd op een Vrije Software Unix kernel!)

    Het fundamentele verschil tussen Unix en Linux aan de ene kant, en Windows en MacOS is dat de kern van een Unix/Linux besturingssysteem onafhankelijk is van de grafische gebruikersinterface, terwijl Apple en Microsoft deze grafische interface (die steeds extra belasting en complexiteit veroorzaakt) juist als een onlosmakelijk deel van hun besturingssystemen ontwikkelen. Een aangenaam gevolg van de inherente modulariteit van Linux is dat dit besturingssysteem haast nooit vastloopt: complexiteit is immers makkelijker te bedwingen door te modulariseren (zoals in Linux) dan te integreren (zoals in Windows). Nog een belangrijk verschil in het voordeel van Linux is dat het een echt multi-tasking, multi-user systeem is; de Apple MacOS en Microsoft Windows besturingssystemen zijn dat nog altijd niet.

    Steeds meer professionele gebruikers worden zich bewust van de kwaliteiten van Unix/Linux, met als (voorlopig) meest markante resultaat dat Linux steeds meer de eerste keuze wordt op ``server''-gebied, d.w.z., om de computers draaiende te houden die andere computers in een netwerk van gegevens en programma's moeten voorzien. Zo werken bijvoorbeeld een groot deel van de servers aan universiteiten, hogescholen, internet-providers en bedrijven op Linux of Unix systemen, en/of met Vrije Software internet-programma's.

  2. Linux is open en gratis. En dus wordt het voortdurend verder ontwikkeld door duizenden medewerkers verspreid over de hele wereld, die via Internet programma's uitwisselen en testen. Niemand is eigenaar van de software, en alle broncode is voor iedereen beschikbaar. Elke nieuwe ontwikkeling wordt dus dadelijk door vele anderen bekeken, aangepast en/of verbeterd, met een onverbiddelijke survival of the fittest als gevolg. Deze ``chaotische'' combinatie van entoesiasme, kritische ingesteldheid, competente mankracht, concurrentie, flexibiliteit en snelheid is door geen enkel commerciëel bedrijf te evenaren. Bedrijven schermen nu eenmaal angstvallig hun broncode af, want dat beschouwen ze als hun meest kostbare bedrijfskapitaal. Met als negatief gevolg dat gebruikers enkel kunnen feedback geven over de functionaliteit van de software, maar niet over hoe de code zelf kan verbeterd worden.

  3. Vrije Software wordt steeds meer en meer ook door commerciële software-leveranciers ontwikkeld, en het zijn dus al lang niet meer alleen onbetaalde vrijwilligers die bijdragen aan Open Software projecten. Dit verhoogt alleen maar de kwaliteit en kwantiteit van de beschikbare software, maar doet niets af aan de openheid ervan. De meeste Vrije Software licenties zijn hier immers absoluut duidelijk: wie verder bouwt op Vrije Software is verplicht zijn uitbreidingen onder dezelfde vrije voorwaarden beschikbaar te stellen.

    Op het eerste zicht is het paradoxaal dat bedrijven geld kunnen verdienen met software die gratis is, maar die paradox verdwijnt snel als men beseft dat: (i) een toenemend aantal industriële sektoren toegevoegde waarde leveren via dienstverlening en niet alleen via productie; en (ii) kosten besparen is ook een vorm van winst maken.

  4. Linux is platform-onafhankelijk. Het draait zowel op de Intel en AMD processoren waarop ook Windows draait, als op PowerPC (de MacOS processor), Sparc, en Alpha, en nog vele andere. Er bestaan Linux-versies voor zowel zeer kleine computersystemen (ingebouwd in machines of gebruikstoestellen), als voor super-computers en mainframes.

  5. Er bestaat maar één Linux (terwijl er een hoop niet volledig compatibele Windows besturingssystemen bestaan), wat de onderhoudbaarheid en overdraagbaarheid van op Linux gebaseerde programma's enorm bevordert.

  6. Linux is aanvaard en ondersteund door alle grote hardware-leveranciers: IBM, SGI, Hewlett-Packard, Sun, Compaq, Dell, Siemens. Dit betekent op termijn waarschijnlijk dat consumenten gaan kunnen kiezen of ze Linux op hun computer willen geïnstalleerd hebben bij aankoop. Op dit ogenblik betekent dit dat je met een gerust gemoed Linux kan gebruiken op de meeste hardware, en dat er een hoop dienstverlening beschikbaar is op commerciële basis.

  7. Linux biedt scholen alles om hun leerlingen op te leiden tot kritische en bekwame ICT-consumenten, volgens het programma dat hoger in deze tekst is beschreven. Dit is niet toevallig, want Linux is precies ontwikkeld voor en door kritische ICT-gebruikers.

Op dit ogenblik moet Linux slechts voor Windows onderdoen op het gebied van het aantal toepassingsprogramma's en randapparaten dat ondersteund wordt; nog lang niet alle fabrikanten hebben de reflex om hun programma's en ``drivers'' ook voor Linux uit te brengen, of de specificaties ervan vrij te geven zodat ze door Linux-medewerkers kunnen gebruikt worden.

5.2.2 Classificatie

De bestaande Vrije Software programma's kunnen grosso modo ingedeeld worden in de volgende categorieën:
  1. Echte Vrije Software, dit wil zeggen software die verdeeld wordt met een GPL licentie (``General Public Licence''), of gelijkaardige OpenSource licenties. Steeds meer en meer ontwikkelaars stellen hun software ter beschikking onder deze vorm van ``copyleft''. Zoals de naam het al laat vermoeden is dit het tegenovergestelde van ``copyright'': in plaats van het gebruik en de verdeling van de software te beperken verplicht de GPL licentie de gebruiker of ontwikkelaar om al de code ter beschikking te (blijven) stellen en te verdelen.

  2. Visible Source software: deze software is gratis en de broncode is ter beschikking, maar het monopolie op het aanpassen van de code en het samenstellen van upgrades hoort toe aan één enkel bedrijf.

    Ook Microsoft biedt aan zijn grootste klanten de mogelijkheid om (delen van) hun software te laten inkijken. Maar hun Shared Source initiatief laat niet toe dat deze gebruikers zaken veranderen of met elkaar een gemeenschap kunnen vormen; en deze open gemeenschap is nu net het sterkste punt van de Vrije Software.

  3. Gratis maar niet open software (``shareware'', ``freeware''). Sommigen individuen zowel als bedrijven bieden hun software gratis aan, eventueel alleen voor niet-commerciëel gebruik, zonder de broncode ter beschikking te stellen, of onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat zij alleen de enige eigenaar van de code blijven. Soms heeft dit tot doel om klanten te winnen voor een niet-gratis, uitgebreidere ``professional edition.''

    Deze vorm van software-verdeling is erg populair in het onderwijs. Maar opnieuw verliest deze vorm alle mogelijkheden om in gemeenschap te gaan samenwerken aan de verbetering en uitbreiding van de software, zodat freeware-projecten zelden of nooit uitgroeien tot iets met voldoende kritische massa om ``incontournable'' te worden.

  4. Commerciële software. Meer en meer bedrijven brengen hun software ook uit voor Linux tegen vergelijkbare prijzen en onder vergelijkbare gesloten licenties als hun versies bedoeld voor commerciële besturingssystemen.

Er bestaat nog een tweede classificatie, die dwars op de bovenstaande staat: software die al dan niet zo veel mogelijk op de voor Windows uitgebrachte software wil lijken. Enkele van de meest bekende voorbeelden zijn: KDE (samen met Gnome een alternatief voor de grafische schillen van Windows of Apple), Gnumeric, en StarOffice (gelijkaardig aan, en zeer compatibel met, Microsoft Office). De code van StarOffice is ondertussen onder GPL uitgebracht, en dient als basis voor het vrije OpenOffice. Het gevolg van deze ontwikkelingen is dat er nu (voor het eerst in de geschiedenis van de computer!), concurrentie bestaat tussen echt vergelijkbare ``desktop'' producten. Zodat eindelijk de echte rijping van de software markt kan beginnen...

5.2.3 Kwaliteit

Een goed besturingssysteem is een nodige, maar niet voldoende voorwaarde voor een goed werkende computer. Goede toepassingsprogramma's zijn de tweede noodzakelijke component. Ook op dit gebied heeft de hogervermelde dynamiek van het ``anarchistische'' Internet voor massa's programma's van hoge kwaliteit gezorgd. Omdat Vrije Software niet kan rekenen op commerciële marketing is het tot hiertoe niet echt gekend bij het doorsnee publiek (waartoe scholen toch nog steeds behoren), en de ervaring leert dat men enkel in de hoge kwaliteit van Vrije Software begint te geloven als men een Linux systeem in werking ziet en inzicht heeft in hoe die software tot stand komt. Om alle misvattingen en euforie te vermijden is het toch belangrijk om het volgende te beseffen: (i) het gratis zijn van software is zeker niet een garantie voor kwaliteit (er zwerft ook een heleboel rommel rond op het Internet!), (ii) niet alle commerciële software heeft een Vrije Software alternatief van voldoende hoge kwaliteit om competitief te zijn, en (iii) de grote keuze tussen verschillende programma's met vrij gelijkaardige functionaliteiten schrikt menig minder ervaren ICT-gebruiker af. Maar in het algemeen kan men toch de volgende punten aanhalen als fundament voor het hoge kwaliteitsniveau van Vrije Software:
  1. Veel Vrije Software komt tot stand omdat gebruikers hun eigen concrete noden willen oplossen en daarvoor geen geschikte (of goedkope) commerciële aanbiedingen vinden. Dit betekent dat Vrije Software zich als vanzelf toespitst op no-nonsense oplossingen die doen wat de gebruikers wensen.

  2. Commerciële software wordt vaak gedreven door marketing die lanceerdata oplegt, terwijl Vrije Software zichzelf enkel kwaliteits-doelstellingen oplegt en niet gedreven wordt door willekeurige en onrealistische deadlines.

  3. Van Vrije Software kan iedereen de broncode inkijken, en aangezien programmeurs zich niet belachelijk willen maken in de ogen van hun gelijken zorgen ze ervoor dat er zo weinig mogelijk valt op te merken over de kwaliteit van hun bijdragen. Het is trouwens niet toevallig precies dit principe van peer review dat de bloei van de West-Europese wetenschap en technologie heeft gedragen sinds de Renaissance.

  4. Deze openheid zorgt er ook voor dat veel meer mensen een kritische blik op de programma's kunnen werpen dan bij commerciële software, en dit verhoogt de kans dat fouten snel ontdekt en verbeterd worden.

  5. De openheid laat ook toe dat gebruikers zelf de code kunnen aanpassen aan de specifieke problemen of noden die optreden tijdens gebruik op een heel breed scala van machines en onder heel verschillende situaties, wat ook weer niet mogelijk is bij de ontwikkeling van software binnen in één enkel bedrijf.

  6. De ontwikkeling van Vrije Software is niet gebonden aan de ruimte- en tijds-beperkingen van commerciële bedrijven: er wordt 24 uur op 24, 365 dagen op 365 aan gewerkt, er is altijd on-line informatie beschikbaar, uit Internet-archieven of via communicatie met menselijke specialisten, en er is inbreng vanuit de meest verscheiden culturele achtergronden.

  7. Bedrijven die met dienstverlening bij software hun brood verdienen hebben er alle belang bij dat die software de best mogelijke in de markt is. Bovendien verhoogt hun marktwaarde bij de klanten enorm indien zij zich kunnen voorstellen als belangrijke ontwikkelaars van die software.

  8. Vele vrijwilligers werken mee aan Vrije Software voor het plezier of voor de eer. En zoals voor alle andere hobbies, van modelbouw tot amateurtheater, geldt ook bij het schrijven van software dat men zorgvuldiger tewerk gaat bij wat men met plezier verricht.

  9. Vrije Software ontwikkeling benadert zeer goed het theoretisch ideale model van de vrije markt economie: alle deelnemers zijn perfect ingelicht (de markt is ``transparant''), en kunnen zich in hun keuze laten leiden door kwaliteits-criteria (het prijscriterium valt weg, want de software is toch gratis). Dit betekent dat de beste projecten overleven, en de minder goede verdwijnen.

  10. Vrije Software speelt echter bij deze keiharde survival of the fittest ook nog eens de rol van ideaal recyclage-centrum: alle bruikbare ideeën en programma-code uit de afstervende projecten kunnen zonder problemen opgenomen worden in de overlevende projecten. In de praktijk wacht men natuurlijk niet tot een project faalt alvorens er de goede ideeën uit te halen. En in tegenstelling tot commerciële producten is dit ``stelen'' geen misdaad, maar wel een compliment voor de oorspronkelijke ontwikkelaars! En hun naam blijft verbonden aan de geschreven code, ook al verhuist die code van het ene project naar het andere.

  11. Voor een beginnend programmeur is er geen betere gelegenheid om de knepen van het vak te leren dan door deel te nemen aan de ontwikkeling van Vrije Software. Men kan naar hartelust de ogen de kost geven, en verschillende oplossingen voor gelijkaardige problemen met elkaar vergelijken.

5.2.4 De praktijk van een Vrije Software project

De bovenstaande argumenten maken duidelijk dat het concept van Vrije Software enkel werkt indien er: (i) een groot aantal geïnteresseerde gebruikers kan verzameld worden rond een bepaald project, en (ii) er tussen die gebruikers er een groot aantal zitten met voldoende technische bagage om software te ontwikkelen.

In de praktijk werkt een typisch Vrije Software-project als volgt. Een beperkt aantal personen neemt het initiatief om een nieuw programma-pakket te ontwikkelen; ze leggen de lange-termijn doelstellingen vast, programmeren een eerste prototype, en kondigen hun initiatief aan via het Internet. (Er bestaan speciale ``portals'' voor dit soort initiatieven, zoals bijvoorbeeld Freshmeat.net.) De code en documentatie worden ook via Internet beschikbaar gesteld, via een projectwebpagina. Die pagina bevat bovendien nieuwsberichten over de recente evolutie van het project, een archief van de mailinglijst waarop geïnteresseerden met elkaar van gedachten kunnen wisselen en elkaar bijstaan bij het beantwoorden van vragen, een aantal ``screenshots'' die het programma in werking tonen, en een ``FAQ'' (Frequently Asked Questions) die de antwoorden op de meest voorkomende vragen bevat. Eventueel zijn ook voor-gecompileerde versies van het pakket beschikbaar (``binaries'') die gemakkelijk te installeren zijn op verschillende computer-systemen.

Na enkele maanden is duidelijk of het project aanslaat of niet. Goede graadmeters van het succes zijn bijvoorbeeld de snelheid waarmee nieuwe versies van het programma beschikbaar komen, de intensiteit waarmee de mailinglijst gebruikt wordt, en het ontstaan van ``mirrors''. (Een ``mirror'' is een exacte copie van de originele website, die de bedoeling heeft om enerzijds de belasting op de hoofdsite te verlichten, en anderzijds om gebruikers een toegangspunt te geven dat geografisch dichter bij huis ligt en dat dus(?) een snellere toegang verschaft.) Elk gezond Vrije Software project heeft ook een natuurlijke leider, die alle medewerkers aan het project aanvaarden als de persoon die de uiteindelijke beslissingen neemt over wat er al dan niet in de software terecht komt. Natuurlijk leiderschap moet je verdienen, en is niet iets dat je krijgt louter op basis van je positie in welke hierarchie dan ook.

Veel projecten veranderen af en toe van leiderschap, omdat de vorige leider niet meer in het project geïnteresseerd is, geen tijd meer heeft, een betere persoon opgedaagd is, enzovoort. Overdracht van leiderschap blijkt in de praktijk heel soepel te verlopen.

Andere belangrijke verschillen tussen Vrije Software projecten en commerciële projecten zijn:


6 Educatieve bonus van Vrije Software

De nadruk in de voorgaande secties ligt op de technische en organisatorische voordelen van Vrije Software. Deze sectie legt uit hoe het concept en de mentaliteit van ontwikkeling van Vrije Software extra bijdragen kunnen leveren tot het lenigen van de educatieve noden van scholen, en tot de volwaardige ontplooiing van onze kinderen. En de nadruk in deze sectie ligt niet op het gebied van de ICT! (Sectie 8 sluit de cirkel, en ontwikkelt een strategie om dit potentieel in de praktijk om te zetten.)

6.1 Educatieve software

De huidige kwaliteit van Vrije Software is reeds meer dan voldoende om de concrete software noden van scholen (en bedrijven) te lenigen: tekstverwerking, rekenpakketten, communicatiesoftware, servers, grafische pakketten, enz. Het ``gat'' in het aanbod is echter hetzelfde als dat van de commerciële software sektor, al is het gat bij Vrije Software nog altijd een beetje groter: educatieve software, aangepast aan de noden van de eigen taal en cultuur. Maar ook hier biedt Vrije Software een uitkomst (zij het niet op korte termijn): wat zich afspeelt op wereldschaal bij de ontwikkeling van Linux en andere Vrije Software toepassingsprogramma's kan op kleinere, lokale schaal ook gebeuren bij de ontwikkeling van educatieve software voor een beperkt taal- en/of cultur-gebied. Sommige leraren zullen beginnen hun eigen software te schrijven voor gebruik in hun lessen (of ze zijn daar reeds jaren geleden mee begonnen, maar zonder de synergetische effecten die samenwerking over het Internet hen biedt), en zullen zich gesterkt voelen door het Linux-voorbeeld om hun software met anderen te delen, in alle openheid te bediscussieren, en op een iteratieve wijze aan te passen aan de suggesties en ervaringen van hun collega's. Deze software kan bovendien onmiddellijk en onvoorwaardelijk aangepast worden wanneer de educatieve noodzaak hiervoor bestaat; en niet wanneer een bedrijf hiervoor de commerciële ``noodzaak'' voelt. Zo is het bijvoorbeeld een niet al te grote moeite om bestaande vrije educatieve software uit een andere taal om te zetten naar de eigen taal, met inbegrip van een aanpassing aan de lokale noden. Vanzelfsprekend kunnen de lokale uitgevers ten allen tijde mee op de kar springen als zij brood zien in één of andere van deze ontwikkelingen. Het vrij houden van de software is echter essentieel: alleen op die manier kan het volledige potentieel aan bijdragen van leerkrachten en leerlingen nuttig gebruikt worden, en alleen op die manier is men ervan verzekerd dat de commerciële partners de best mogelijke dienstverlening blijven bieden. De openheid is bovendien ook een niet te onderschatten motivatie om de leerlingen en hun ouders bij de ontwikkeling van de software te betrekken.

6.2 Respectvolle communicatie

Vrije Software wordt ontwikkeld via wereldwijde samenwerking. Er bestaan geen officiële regels of regelende organen. Om tot een succesvol resultaat te komen zijn alle medewerkers verplicht met elkaar te communiceren, afspraken te maken en na te leven. Deze communicatie gebeurt meestal via zogenaamde mailing lijsten: de boodschap die je stuurt naar het elektronische adres van een mailing lijst wordt doorgestuurd naar de elektronische adressen van iedereen die zich op de lijst ``geabonneerd'' heeft. Het abonnement zelf is vanzelfsprekend gratis. Nieuwsgroepen zijn een gelijkaardig medium: de boodschappen die je er naartoe stuurt kunnen gelezen worden door iedereen wiens Internet leverancier die nieuwsgroep ondersteunt.

Je hoeft slechts gedurende een korte tijd de communicatie op enkele van die lijsten of nieuwsgroepen te volgen om te merken dat die getuigt van zeer veel respect voor de suggesties, meningen en ideeën van anderen, en dat er een grote zelf-discipline aan de dag gelegd wordt door alle deelnemers. Of liever, door bijna alle deelnemers: er zijn er steeds die agressief, kwetsend of neerbuigend uit de hoek komen. Deze deelnemers kunnen echter meestal rekenen op verbolgen reacties (``flames'') van de meerderheid aan normale gebruikers. (Dit soort sociale controle blijkt om één of andere reden uitgestorven te zijn in de klassieke, niet-Internet maatschappij...)

De hogervermelde vorm van ongeschreven Internet-beleefdheid heeft de toepasselijke naam netiquette meegekregen. Het loont dus de moeite om scholieren (actief of passief) te laten deelnemen aan een aantal van deze mailing lijsten. Er zijn er trouwens ook massa's die met andere dan ICT-onderwerpen te maken hebben. Het volgen van mailing lijsten is niet alleen nuttig omwille van de technische scholing, maar zeker ook omwille van het aanscherpen van je sociale vaardigheden.

6.3 Primus inter pares

De economische theorie van de gift verklaart waarom kwaliteitszorg bij Vrije Software projecten zo succesvol kan zijn. Geld is (vaak, maar niet altijd) als motiverende factor vervangen door de drang om gerespecteerd te worden door zijn gelijken: mensen leveren vrijwillige en onbezoldigde bijdragen omdat ze respect willen verdienen bij anderen, liefst zelfs bij diegenen die zij zelf beschouwen als de specialisten en autoriteiten in hun interessegebied. Het afleveren van hoge kwaliteit is daarbij de enige norm. Iedereen voelt zich persoonlijk verantwoordelijk indien blijkt dat er fouten zitten in zijn bijdrage, en doet zijn best om die zo snel mogelijk te verbeteren (en, in de eerste plaats, om ze zelf te vinden en te verbeteren vooraleer de code vrij te geven!).

Het bestuderen van Vrije Software ontwikkeling geeft de scholieren de kans om te leren hoe men in groep kan samenwerken aan een groot project en wat de psychologische en economische aspecten zijn van een succesvolle groep. Bovendien hoeft zo'n project helemaal niet te gaan over het ontwikkelen van software: scholieren kunnen veel bijdragen tot ``Vrije Cursussen'' rond alle mogelijke vakken.

Het zelf opzetten van een eigen Vrije Software project biedt nog een extra dimensie: hier is het niet alleen nodig om in groep te kunnen samenwerken, maar moet men ook anderen overtuigen van het nut van het nieuwe project, en moet men de rol van natuurlijke leider trachten waar te maken.

6.4 Afspraken naleven

Om respect af te dwingen van zijn evennaaste draagt de individuele ontwikkelaar graag zijn steentje bij. Maar dubbel of inefficiënt werk wil men mijden als de pest. Vandaar dat de Vrije Software wereld altijd reeds een voortrekkersrol gespeeld heeft in de ontwikkeling en verdediging van open standaarden (d.w.z., afspraken over hoe computers of programma's gegevens uitwisselen en stockeren). Het naleven van die afspraken garandeert een langere levensduur van de software: standaarden worden pas vervangen als er technologische nood aan is, niet als één of ander bedrijf verwacht er commerciëel voordeel uit te halen. Maar Open projecten hebben niet alleen nood aan dit soort technologische afspraken, maar evenzeer aan afspraken, compatibiliteiten en engagementen van samenwerkende mensen onderling; actieve medewerking aan zo'n project is dus ook op het vlak van de sociale vaardigheden van samenwerking een rijke leerschool.

6.5 Democratische reflex

Vrije Software ontwikkelaars streven optimale kwaliteit na. Maar niemand kan precies definiëren wat optimale kwaliteit juist betekent. Zodoende ontstaan er bij elk project vroeg of laat verhitte discussies over de voor- en nadelen van alternatieve voorstellen. Iedere deelnemer weet echter dat een impasse of een zwak compromis de geloofwaardigheid van het hele project beschadigt, en dus ook de reputatie van de deelnemers aan dat project. Iedereen verlangt dus overeenstemming te bereiken, zonder echter zonder meer van zijn standpunt af te wijken.

Het deelnemen aan dit soort debat verstevigt de democratische vaardigheden van de scholieren; het volgen ervan leert hen veel over hoe beslissingen te nemen en te verdedigen in groepsverband.

6.6 Beheren en stimuleren van creatief denken

Vrije Software projecten beginnen niet altijd met een mooi omlijnd doel voor ogen. In tegenstelling tot veel commerciële software worden vrije pakketten ontwikkeld in de richtingen die de deelnemers het meeste interesseren, zelfs als die ver afwijken van de oorspronkelijke doelstellingen. Projecten zijn dus enkel maar succesvol indien de deelnemers dit proces van creativiteit in goede banen kunnen leiden. Zeer vaak wordt de innovatie binnen een project gedragen door één of twee mensen, die de krijtlijnen uitzetten waarbinnen tientallen anderen de ``details'' invullen.

6.7 Zelfredzaamheid en groeps-behulpzaamheid

Meewerken aan Vrije Software betekent in veel gevallen ``je plan trekken.'' Je kan wel terecht op de mailing lijst van het project voor discussie en ideeën, maar regelmatig sta je er alleen voor. (Niet dat dit erger is dan wanneer je enkel commerciële software zou gebruiken: in dat geval kan je immers helemaal niets zelf doen om de software te verbeteren...) Maar zelfstudie en leren leren zijn toch hoekstenen van elke moderne onderwijsopvatting, niet? Scholieren kunnen hun vaardigheden op deze domeinen in de praktijk van de Vrije Software ontwikkeling uitproberen en aanscherpen, en snel feedback krijgen over hoe goed ze hierin slagen. Dezelfde praktijkervaring is ondenkbaar met commerciële software-ontwikkeling, waar geheimhouding de regel is, en men dus van veel minder mensen feedback kan krijgen.

6.8 Betrokkenheid van ouders

Vrije ICT-initiatieven (zowel software als documentatie en cursussen) bieden ouders de gelegenheid om actief bij te dragen tot de kwaliteit van het onderwijs van hun kinderen. Iedereen kan bijdragen, en zelfs als die bijdrage beperkt blijft tot het kritisch en constructief nalezen en verduidelijken van wat anderen reeds gerealiseerd hebben is de uiteindelijke winst enorm groot. Niet enkel op kwalitatief en financiëel vlak, maar zeker ook op het vlak van actieve ouderparticipatie in het onderwijs.


De filosofie achter Vrije Software heeft heel wat te bieden aan het onderwijs, zelfs als het niet uitsluitend over software of ICT gaat, want de sociale basisvaardigheden zijn dezelfde: communicatie, kritische zin, creativiteit en ontwerpen, zelfredzaamheid, engagement, respect, enzovoort. Vanzelfsprekend is software-ontwikkeling slechts één van de vele maatschappelijke activiteiten waar leerlingen deze ervaringen kunnen opdoen. Andere vertrouwde voorbeelden zijn: jeugdverenigingen, sportclubs, theatergroepen, enzovoort. Is het toeval dat deze allemaal voor een groot deel steunen op dezelfde motivatie: hoe verdien ik het respect van mijn medemensen?


7 Een portaal-webstek voor een school en voor het Onderwijs

Het Internet biedt nieuwe mogelijkheden om sneller en intenser samen te werken, ook voor onderwijsdoeleinden; en veel overheden hebben gezorgd voor een aanzienlijke verspreiding van computers en Internet-toegang in scholen. Maar de uitnodiging (uitdaging?) om beide opportuniteiten te combineren om meer en betere (elektronische) lesinhouden te creëren blijft tot hiertoe echter grotendeels onbeantwoord door de leerkrachten.

De idee is niet nieuw, noch origineel, dat een portaal-webstek als catalysator kan werken om dit proces van samenwerking aan inhoud in gang te zetten en in goede banen te leiden; het bestaan en succes van zo vele Vrije Software projecten is het best mogelijke bewijs. En, zoals andere secties van deze tekst aantonen, is de onderwijs-wereld en -cultuur de best mogelijke ``biotoop'' waarin samenwerkings-projecten kunnen gedijen.

Deze sectie van de tekst legt uit welke diensten een portaal-webstek voor het onderwijs zou moeten aanbieden, en hoe zo'n initiatief praktisch en optimaal kan gerealiseerd worden. ``Optimaal'' betekent hier: met de grootste opbrengst voor de maatschappij, niet noodzakelijk met de grootste opbrengst voor enkele bevoorrechte software firma's.


7.1 Inhoud

De volgende rubrieken zijn nodig (doch niet altijd voldoende!) om van een portaal-webstek een succes te maken: Al de rubrieken van de portal hoeven niet dagelijks van vers materiaal te worden voorzien, maar toch verhoogt zo'n dagelijkse aanvoer van nieuw materiaal enorm de ``klanten-trouw'' van de bezoekers. In ieder geval moet elk artikel in elke rubriek een datum dragen, en moeten de nieuwe bijdragen met één muisklik in omgekeerde chronologische volgorde kunnen opgevraagd worden, zodat ook wat minder trouwe bezoekers snel toegang krijgen tot alle voor hen nieuwe informatie.


7.2 Realisatie

Het recept om een portal succesvol te maken met behulp van bijdragen van vooral vrijwillige medewerkers, en voor een in de eerste plaats niet-commerciëel doelpubliek, is reeds meermaals uitgetest in de praktijk van de Vrije Software. Enkele van de initiatieven die het gehaald hebben zijn Freshmeat.net, Slashdot.org, of LinuxDevices.com. (Let wel: het onderhoud van deze websites wordt wel door betaalde krachten gedaan!) Zij hebben elk een specifieke focus (aankondigen van nieuwe software, ``community'' nieuws en discussie, en aankondigingen en duiding voor gebruik van Linux in ingebedde systemen, respectievelijk), en beantwoorden aan de vereisten uit de vorige paragrafen. Ze hebben hun succes te danken aan de combinatie van volgende eigenschappen: Van al de bovenstaande criteria zijn die over de Vrije Inhoud licentie en de open bestandsformaten de allerbelangrijkste: zij garanderen dat het beschikbare materiaal enkel maar kan groeien, zowel in omvang, in bruikbaarheid, als in kwaliteit.

De lezer mag niet besluiten dat een Vrije Inhoud licentie elke vorm van commercialisering uitsluit, door de oorspronkelijke auteurs of door derden. Maar het ``business model'' verandert wel van het gebruik van eigendomsrechten als bron van inkomsten naar het leveren van diensten rond die inhoud. Zo is het bijvoorbeeld best denkbaar dat mensen geld kunnen verdienen door het bij elkaar brengen van verschillende les-inhouden, aangepast aan bepaalde doelgroepen, en met een maximale toegankelijkheid en navigatie doorheen het materiaal. Dit is hetzelfde model als wat de Linux-distributeurs zoals SuSE of RedHat met succes gebruiken. En niet toevallig zijn deze dienstenleveranciers bij de grootste contributeurs van materiaal (software in dit geval) onder een Vrije Software licentie: hoe beter de inhoud, hoe succesvoller hun compilaties. Bovendien staat hun reputatie op het spel, want de klant koopt bij hen de garantie dat de verschillende pakketten met elkaar kunnen samenwerken waar nodig, en dat ze voldoen aan strenge kwaliteitseisen.


8 Lange-termijn visie en strategie

De vorige secties bespraken een visie op het hoe en het waarom van Vrije Software en Vrije Inhoud in het onderwijs; deze sectie geeft een concrete strategie voor een succesvolle implementatie van die visie.

Het eerste (hardware) deel van de ICT strategie is eigenlijk reeds in uitvoering: de scholen krijgen computers en communicatiemiddelen. Een eenvoudige ingreep van overheidswege kan echter de introductie van Vrije Software enorm veel vlotter laten lopen: spoor leveranciers aan om de geleverde systemen ook ``Designed for Linux'' te maken. Zonder in details te treden: dit vereist enkel dat de harde schijf op een treffelijke wijze gepartitioneerd wordt (of dat de leverancier er reeds een Linux-versie op plaatst), en dat de rand-apparaten voldoende standaard zijn zodat ze ook onder Linux aangesproken kunnen worden. Voor de leverancier is dit een verwaarloosbare meerkost, die echter de ICT-leerkracht op de school nuttige tijd kan besparen. De huidige Linux software distributies op CD zijn gemakkelijk te installeren, ook indien de computer reeds een ander besturingssysteem draait.

De volgende strategische stap voor de overheid is het opstellen van ``concrete(re) ICT eindtermen''. Er bestaan reeds voorstellen voor zulke eindtermen, maar deze zijn in veel te vage bewoordingen uitgedrukt. Hoe concreter de eindtermen, hoe duidelijker de vereisten opgelegd aan de software (educatieve en andere) zich profileren, en hoe gemakkelijker de kritische keuze tussen concurrerende alternatieven wordt. Dit artikel heeft in een vorige sectie reeds de essentie van zulke concrete eindtermen voorgesteld. Een belangrijke en in deze context relevante les uit de ontstaansgeschiedenis van Vrije Software is de volgende: ICT is nog steeds in ontwikkeling, zodat de eindtermen niet door een commissie van ``specialisten'' als voldongen feiten mogen worden opgelegd, maar continu ter discussie moeten kunnen gesteld worden door de basis van geinteresseerde leraars, directies, leerlingen en ouders. Twee voor de hand liggende media voor deze discussie zijn (i) het Internet, en (ii) de (in Vlaanderen) wijdverspreide en neutrale onderwijs-publikaties zoals het tijdschrift Klasse tesamen met zijn Internet-broertje. Af te raden media zijn initiatieven die louter commerciële beweegredenen hebben en die het educatieve als een lokaas gebruiken; bekende voorbeelden van zulke niet-onafhankelijke en niet-objectieve initiatieven zijn Digikids en CST. KlasCement is dan weer wel een voorbeeld van een Onderwijs-portal die een onafhankelijke koers tracht te varen.

Het succes van een democratisch, op Vrije Software gestoeld ICT onderwijs staat of valt met de mate waarin de overheid in staat is de bevolking te stimuleren om eraan mee te werken (en vooral ook de mate waarin ze zich kan inhouden om de dingen te reguleren!). De essentie van de Vrije Software dynamiek is immers dat mensen zich aangesproken voelen om vrijwillig en onbaatzuchtig bij te dragen tot iets dat nuttig is voor de maatschappij. Zoals eerder reeds aangehaald is, is dezelfde dynamiek al decennia lang de drijvende kracht achter jeugdbewegingen, sportclubs, theatergezelschappen, noem maar op, en deze dynamiek kan zonder twijfel ook aangeboord worden bij de invoering van ICT. Enkele suggesties voor een stimuleringsplan zijn:

  1. Resoluut kiezen voor Vrije Software. De voordelen zijn velerlei:

    1. Economisch: het kost niet alleen minder om de scholen degelijk uit te rusten, maar elke ontwikkeling van specifieke educatieve tools is ``verankerd'' in de lokale onderwijs-wereld. En elke investering heeft blijvende waarde: Vrije Software blijft vrij, en kan nooit ``opgeslokt'' worden door bedrijven met louter commerciële doeleinden. Bovendien kan onze industrie op langere termijn beschikken over beter opgeleide schoolverlaters, en zelf de vruchten plukken van de commercialisering van, en professionele dienstverlening bij, educatieve software projecten.

      Elke school zou eens voor zichzelf de (meestal ontnuchterende) proef op de som moeten nemen, en de optelsom maken van alle software licentie-kosten, zowel deze gedaan bij aankoop van de computers (het besturingssysteem komt niet gratis mee, wat de leverancier ook moge suggereren...), als de jaarlijks weerkerende kosten van upgrades, onderhoud, of huur van licenties. De overheid beseft onvoldoende hoe de kost van ICT moet berekend worden: de initiële aanschafkost van computers en programma's maakt minder dan de helft uit van de totale kost. Onderhoudscontracten, opleiding, upgrades, hulp bij gebruik, en dergelijke, kosten ook.

    2. Ecologisch: Linux is een uitermate aantrekkelijke oplossing, niet alleen omdat het toelaat om zeer professionele toepassingen te draaien zonder licentie-kosten, maar ook omdat het ``verouderde'' computers een tweede leven geeft als terminal aan een krachtigere machine, met beschikbaarheid van alle mogelijkheden van die krachtige machine. Dus: minder computers op de afvalberg!

    3. Politiek: onze scholen zijn niet langer afhankelijk van de willekeur van een monopolist waarop de overheid geen enkele vat heeft. Bovendien verplicht een wijde verspreiding van op Vrije Software gebaseerde systemen in de scholen de commerciële aanbieders tot eerlijkere concurrentie: zij moeten hun producten compatibel maken met open standaarden.

      Een voor de ICT-toekomst van het onderwijs uiterst belangrijke politieke ontwikkeling is de nakende beslissing van Europa om software patenten al dan niet toe te laten. De druk van de grote internationale software-bedrijven is enorm groot, maar de weerslag op de vrije verspreiding van ideeën en procedures kan onvoorstelbaar ingrijpend zijn: indien men inderdaad beslist dat software patenteerbaar wordt, dan worden niet alleen heel wat triviale software concepten eigendom van bedrijven (en zal de educatieve software die hiervan gebruik wenst te maken duurder worden), en staat de deur wijd open voor de patentering van, bijvoorbeeld, onderwijs-methodes! Deze evolutie ondergraaft de fundamenten van de Westerse technologische, culturele en wetenschappelijke bloei sinds de 16de eeuw.

    4. Maatschappelijk: een grote betrokkenheid van onze eigen bevolking kan enkel maar leiden tot een grotere voldoening in, en een groter respect voor, de door de overheid genomen ICT initiatieven. Bovendien opent Vrije Software een te weinig aangeboorde bron van ondersteuning voor het onderwijs: de ouders. In Vlaanderen alleen al zijn er ongetwijfeld enkele duizenden ouders die over voldoende technische bagage beschikken om mee te helpen aan het ontwerp, de ontwikkeling en de voortdurende verbetering van de educatieve software waarmee hun kinderen op school werken.

    5. Psychologisch: leerkrachten en scholen die nu met Vrije Software willen experimenteren voelen zich al snel uitgesloten en aan hun lot overgelaten, omwille van de de facto Microsoft-gerichte politiek van hun collega's en van de overheid. De reden van deze reactie is eenvoudig: van overheidswege zijn er nog onvoldoende signalen gekomen dat Vrije Software kan en mag in het onderwijs. Van zodra zo'n duidelijk signaal er komt kunnen de geïnteresseerden zonder risico op sociale uitsluiting hun energie richten op positieve bijdragen tot educatieve Vrije Software.

    6. Technisch: Vrije Software biedt oneindige mogelijkheden voor aanpassingen aan de eigen behoeften. Bovendien ben je nooit alleen op de wereld: anderen hebben dezelfde problemen of noden, en dus kan je ervaringen en code uitwisselen. En, last but not least, indien iemand een fout vindt in een Vrije Software programma, dan kan je binnen de korste keren de verbeterde versie van het Net halen en gebruiken. Zonder te moeten wachten tot je leverancier je een upgrade bezorgt.

      Een ander technisch criterium wordt tegenwoordig vaak over het hoofd gezien, omwille van het feit dat scholen (én bedrijven, én overheden) al twee decennia lang geconditioneerd zijn door het ``personal computer'' model: zowat iedereen denkt dat het normaal en onvermijdelijk is dat een computer maar voor één persoon tegelijk kan dienen, en dat ieder persoon ook afzonderlijk elk programma moet installeren op ``zijn'' PC. De Unix wereld volgt reeds vanaf het begin een andere wijze van organisatie van de toegang tot de computer: het zogenaamde client-server model. Dit betekent dat een bepaald programma op slechts één computer van het netwerk wordt geïnstalleerd, en dat gebruikers vanop hun eigen ``client'' computer ``inloggen'' op die ``server'' computer en zo met het desbetreffende programma kunnen werken. Hun eigen computer kan dan weer server zijn voor een andere toepassing. Het grote voordeel van dit concept is dat de systeembeheerder elk programma slechts op één enkele machine moet in orde houden. Microsoft heeft 25 jaar lang de persoonlijke computer als ``innovatie'' gepredikt; maar de marketing van hun nieuwe versie van hun besturingssysteem, Windows 2000, pakt uit met ``baanbrekende innovatie'', die op niets meer neerkomt dan het client-server principe dat Unix (en Linux) al altijd hebben gehuldigd. De echt nieuwe evolutie (voor Microsoft zowel als voor Unix/Linux) is dat de browser de universele interface wordt voor steeds meer en meer toepassingen. Dit heeft opnieuw een positieve impakt op de platform-onafhankelijkheid van de software, en dus op de gezonde concurrentie tussen ICT-aanbieders, zowel uit de commerciële als de Vrije Software hoek.

  2. Resoluut kiezen voor Vrije Inhoud licenties en open bestandsformaten voor zoveel mogelijk lesmateriaal.

  3. Inschakelen van universiteiten en hogescholen. Studenten en professoren aan onze universiteiten en hogescholen kunnen zeer belangrijke bijdragen leveren aan de ontwikkeling van educatieve software en lesmateriaal, en de dienstverlening bij het gebruik van Vrije Software programma's. Dit zal ook effectief gebeuren van zodra de overheid deze inspanningen beloont. Bijvoorbeeld door de huidige, sterk op ``publish or perish'' gebaseerde evaluatie van academici te wijzigen zodat zij ook ``punten'' kunnen verdienen door educatieve software te (helpen) ontwikkelen, en door scholen bij te staan met praktisch advies en opleiding. Of nog beter: geef de academici die dit wensen de kans om minstens één maand per jaar hun universiteit in te ruilen voor ``werk op het terrein,'' in scholen, bedrijven, overheidsadministraties, bibliotheken, enz. Een deel van hen zal nuttig werk willen leveren bij de ontwikkeling van educatieve Vrije Software, bij de opleiding van leraren en leerlingen, en bij de installatie en onderhoud van computer-infrastructuur.

  4. Organiseren van wedstrijden, of het uitschrijven van projecten om software en lesmateriaal met een specifiek educatief doel te ontwikkelen. Met de vereiste dat uitsluitend Vrije Software en Vrije Inhoud licenties worden gebruikt, en dat al het materiaal uitsluitend in open bestandsformaten wordt geleverd.

  5. Organiseren en technisch ondersteunen van mailing-lijsten, nieuwsgroepen en FAQs over ICT en educatieve software. Dit principe heeft zijn efficiëntie reeds ten overvloede bewezen bij de ontwikkeling van zowat alle Vrije Software programma's. Aangezien scholen aan een gunsttarief op het Internet kunnen moet deze opportuniteit maximaal worden aangewend om de informatiedoorstroming naar de scholen toe op gang te brengen en te organiseren. Geen enkele vorm van permanente bijscholing is zo efficiënt (en goedkoop) als het volgen van mailing-lijsten of nieuwsgroepen.

  6. Ondersteuning van pilootprojecten: scholen die initiatieven nemen met Vrije Software moeten dit kunnen kenbaar maken aan hun collega's in andere scholen. Een centraal beheerde webpagina met informatie over, en links naar, deze school-initiatieven volstaat om de zo belangrijke kruisbestuiving in gang te zetten. EToS (http://www.mech.kuleuven.ac.be/$\sim$bruyninc/etos) is een initiële aanzet tot zo'n webpagina.

  7. Maak Linux distributie CD-ROMs en handleidingen beschikbaar in de scholen en de openbare bibliotheken. Er zijn zeker commerciële Linux-distributeurs te vinden die een CD-ROM naar maat van het onderwijs willen produceren en verdelen. Met één enkele CD-ROM rust je al de computers van je school uit met honderden nuttige programma's!

  8. Aanmaak en onderhoud van Vrije ICT cursussen. Iedereen (leerlingen, leerkrachten, ouders, ...) kan meewerken om zulke cursussen (op papier of elektronisch) aan te maken, uit te bouwen en aan te passen aan de technische evolutie. Dit idee is trouwens niet beperkt tot ICT!

  9. Samenwerking met buurlanden. Vlaanderen en Nederland zijn voor de hand liggende partners, en ook de meeste buurlanden hebben meer culturele en educatieve banden met het Nederlandse taalgebied dan met de Verenigde Staten, van waar nog altijd de meerderheid van de programmatuur afkomstig is. In Duitsland bestaat reeds enkele jaren ``Freie Software und Bildung''; een voorbeeld van wat ook bij ons mogelijk is. Het Franse Minsterie van Onderwijs heeft openlijk partij gekozen voor Vrije Software, en heeft een raamakkoord afgesloten met de Franse ``Linux User Groups'' om hen in te schakelen bij opleiding en dienstverlening op scholen. In Engeland is men onlangs begonnen met Open Software for Education. En een wereldwijd initiatief is SchoolForge.

  10. Sponsor in elke stad de lokale Linux gebruikersgroep, (LUG, ``Linux User Group''), met afspraken waarbij beide partners baat hebben:

  11. Richt een nationaal (of regionaal) Vrije Software expertise-centrum in (bijvoorbeeld verbonden aan een universiteit), dat als overkoepelende Linux User Group optreedt, en waar de competentie aanwezig is om de zaken technisch en organisatorisch te coördineren: aanbevelen van software; coördineren van ontwikkeling van software; thuisbasis van de mailing-lijsten in verband met onderwijs en ICT; contact met, en advies over, commerciële partners; bepalen van lange-termijn strategie; ... (Zo'n centrum bestaat bijvoorbeeld reeds in Duitsland: BerliOS, Der Open-Source-Mediator.) In tegenstelling tot de grote hoop van de initiatieven die in onderwijsmiddens het leven zien is zo'n Vrije Software expertise-centrum van nature uit netoverschrijdend en neutraal: de openheid van de software en documentatie staat daar borg voor. Door de wereldwijde activiteiten rond Vrije Software zou zo'n expertise-centrum met weinig middelen een enorm grote hefboomwerking kunnen hebben.

  12. Versterk de link met de groepen die binnen de onderwijswereld al enkele decennia lang bezig zijn met de educatieve en pedagogische aspecten van ICT. Deze groep mensen kan nu eindelijk, door de huidige evolutie van het Internet, het hele onderwijskorps bereiken, om de broodnodige ondersteuning en feedback te verkrijgen, en om op snelle en goedkope wijze hun educatieve software te verspreiden en te laten evalueren. Maak hen duidelijk dat de openheid van hun inspanningen van primordiaal belang is.

  13. Wetgevende initiatieven om alle elektronische communicatie en gegevensuitwisseling met de overheid (en dus ook met en tussen scholen) verplicht te laten gebeuren in open formaten. (Dit lost monopolie-posities van bedrijven zoals Microsoft vanzelf op!) De motivatie achter zulke wetgeving is dezelfde als degene die deze tekst heeft geïnspireerd: onafhankelijkheid; gelijke kansen voor iedereen en eerlijke concurrentie tussen alle software-bedrijven; en zekerheid van een lange levensduur voor de gedane investeringen. Bovendien hebben alle overheidsadministraties en dus ook de scholen de plicht om het hen toevertrouwde belastingsgeld zo efficiënt mogelijk te beheren, en om hierbij een zo groot mogelijke neutraliteit aan de dag te leggen. Op ICT-gebied is Vrije Software de vanzelfsprekende oplossing om deze verplichting na te komen.

Een verstandige stimulering van de bestaande en denkbare activiteiten op het gebied van Vrije Software kan een enorme return on investment teweegbrengen. De overheid moet er alleen maar voor zorgen dat deze dynamiek niet verzandt door het geheel te ``ambtenarizeren'': een overheid die Vrije Software ICT in de onderwijs-wereld wil stimuleren kan dit alleen maar door de leerkrachten haar absoluut vertrouwen te geven, en de volledige vrijheid om zelf te bepalen welke paden ze willen bewandelen.

9 Veel Voorkomende Vragen (VVV)

  1. Moet ik Linux installeren om Vrije Software te kunnen gebruiken?
    Neen: Linux is slechts één van de vele Vrije Software pakketten; de meeste andere draaien ook onder andere besturingssystemen. Natuurlijk ga je pas echt de filosofie van Vrije Software begrijpen als je ook een besturingssysteem uit die hoek gebruikt.

  2. Waarom zou ik nog maar eens iets nieuws leren? We hebben al zoveel tijd gestoken in Windows en Office...
    Omdat de opbrengst op middellange en lange termijn enorm groot is: beter inzicht in de ICT-materie, veel goedkopere software, veel betere aanpasbaarheid aan individuele noden, veel grotere onafhankelijkheid, veel grotere levensduur van de investeringen, enzovoort. Het argument dat men als Windows-gebruiker geen tijd heeft om nog iets bij te leren is erg gelijkend op dat van de drenkeling in zijn lekke sloep, die geen tijd heeft om zich te laten redden omdat hij het te druk heeft met het water uit zijn boot te scheppen...

    En, trouwens, is leren levenslang leren niet het motto van het moderne onderwijs?

  3. Waarom ontkennen dat Microsoft de standaard is op ICT-gebied?
    Het eenvoudige antwoord is: Microsoft is geen standaard, want zijn producten beantwoorden aan geen van de definities van het begrip ``standaard.'' De bestandsformaten en API zijn niet of niet helemaal gepubliceerd, ze wijzigen naargelang de willekeur van één enkel bedrijf, en zelfs Microsoft programma's onderling geven heel vaak verschillende resultaten op dezelfde invoer (vooral Word is daar erg gevoelig aan). Bovendien leert de ICT-geschiedenis dat ``standaarden'' van deze de facto aard vaak erg snel van het toneel verdwijnen, d.w.z., met een ``levensduur'' van pakweg een tiental jaren. Vergeet ook niet dat Microsoft een lange geschiedenis heeft van het ``verbeteren'' van standaarden, onder het mom van ``innovatie'' of ``klant-gerichtheid,'' maar in werkelijkheid enkel om zijn machtsgreep op de gebruiker te versterken.

  4. Waarom geen Word gebruiken om documenten door te sturen? 90% van de mensen gebruikt toch dat programma...
    Ten eerste laat je dan nog altijd 10% van je ``klanten'' in de kou staan. Ten tweede (zie hoger) voldoen Word-bestanden niet aan de voorwaarden om als standaard te kunnen beschouwd worden. Ten derde kan je de grote hoop van boodschappen waarvoor nu Word-bestanden gebruikt worden evengoed in gewone tekst of in HTML doorsturen. (90% van de mensen zijn Word-gebruikers, maar 100% zijn HTML-gebruikers!) Ten vierde zijn Word bestanden editeerbaar, terwijl het gros van de communicatie enkel leesbaar mag/moet zijn; en daarvoor bestaan (standaard) bestandsformaten zoals HTML, PostScript of PDF. Ten vijfde zijn Word-bestanden al zo vaak de oorzaak geweest van verspreiding van virussen.

  5. Ik ben wel geïnteresseerd in de Vrije Software ideeën en projecten, maar hoe begin ik eraan?
    Stap voor stap. Bekijk eerst eens kritisch de huidige ICT-situatie op je school: waar is die het slachtoffer van user lock-in terwijl er toch vrije oplossingen voorhanden zijn? Zoek in je omgeving naar een Vrije Software-alfabeet (bijvoorbeeld iemand uit de lokale Linux Gebruikersgroep, of een ouder) die samen met jou een aantal testgevallen wil uitwerken: de Internet-server op Linux plaatsen, PostgreSQL gebruiken i.p.v. SQL Server, een Vrije Software HTML-editor uitproberen, enzovoort. Ga dan over tot het uitrusten van een PC-klas met Vrije Software, voor de leerlingen met enkel maar surf-, email- en HTML-noden (dit is 95% van het totaal!). Tegen dan ben je mans genoeg om te beginnen constructieve kritiek geven op de Vrije Software projecten die je interesseren, of om zelf actief bij te dragen of je eigen project op te starten. Gedurende deze hele actie-lijn (reken hierbij op een termijn van twee jaar) is het belangrijk dat je zoveel mogelijk over deze zaken praat met directie, collega's, leerlingen en ouders: bewustmaking is de sleutel tot voortdurend succes.

    En je bent zeker niet alleen in je zoektocht naar meer onafhankelijke en toegankelijke ICT. Kijk even wat anderen aan het doen zijn, op ontmoetingsplaatsen zoals SchoolForge of een Linux nieuwsgroep.

  6. Is het niet gemakkelijk dat Microsoft de koers van het ICT-gebeuren bepaalt? Dan zijn we tenminste zeker dat iedereen op een uniforme manier werkt...
    Dit ``gemak'' is hetzelfde gemak waarvan de vroegere Oostblok-landen ``genoten'': niemand moest een keuze maken, want de centrale overheid deed dit voor hen...

    De vergelijking gaat nog verder: de ``uniforme'' manier waarop iedereen ``mocht'' werken werd willekeurig bepaald én gewijzigd met elk vijfjaren-plan.

    Weinigen vinden zulke centraal-geleide economie leuk in het gewone leven, maar blijken er om redenen van ``gemak'' voorstander van te zijn als het om ICT gaat. Dit komt omdat ICT voor hen (en voor zowat alle beslissingsnemers in de maatschappij) nog steeds een vreemd en complex iets is.

    Kijk en vraag eens even rond in je onmiddellijke ICT-omgeving, en zoek uit hoeveel je kennissen vertrouwd zijn met niet-Windows producten? Bijna altijd is die vertrouwdheid uiterst beperkt, en even vaak is zo'n vorm van monocultuur enorm schadelijk voor de creativiteit en vrijheid van de ICT-consument en -ontwikkelaar. In dit opzicht verschilt ICT immers niet in het minst van andere menselijke activiteiten.

  7. Vind je de huidige onderwijs-``portals'' dan niet goed? Er zijn toch vele honderden programmaatjes op te verkrijgen...
    Het probleem met al die lovenswaardige huisvlijt van entoesiaste leerkrachten is dat ze enkel in binaire vorm (.exe) beschikbaar zijn, en dus als onafhankeljke eilandjes blijven voortbestaan. De mogelijkheid tot synergie verdwijnt helemaal op deze wijze. En het realiseren van die synergie is nu net het sterke punt van de Vrije Software werkwijze! Bovendien toont geen enkele van die portals hoe je efficiënt kan samenwerken om betere programma's en/of les-inhouden te genereren. En opnieuw geeft de Vrije Software wereld hier al jaren lang het goede voorbeeld.

  8. Scholen hebben geen keuze: de industrie vraagt toch dat mensen ``de facto standaarden'' hebben leren gebruiken?
    Dat de industrie inderdaad die eisen stelt is het beste bewijs dat de ICT-industrie nog in haar kinderschoenen staat, alsook de bijhorende opleiding. Zoals in alle andere (d.w.z., niet-ICT) sectoren hebben bedrijven er alleen maar baat bij dat er open bestandsformaten gebruikt worden, zodat ICT-producten uitwisselbaar worden, en dat dus concurrentie vrij kan spelen. En concurrentie moet gebeuren op basis van kwaliteit, en niet op basis van bezit van, en totale controle over, een bestandsformaat.

    Bovendien vragen bedrijven toch ook niet om werknemers die (enkel) met een BMW kunnen rijden, of alleen maar met een opname-studio van Philips overweg kunnen; en dat zijn beide toch ook hoogtechnologische producten, wiens ``gebruikers-interfaces'' niet moeten onderdoen voor die van een tekstverwerker of tekenprogramma.

  9. Vrije Software programma's hebben toch geen bedrijven achter zich staan waar je met problemen terecht kan?
    Sommige van de meest succesvolle Vrije Software projecten (MySQL, SendMail, Apache, GNOME, ...) hebben dat wel! En er staan heel wat bedrijven en bedrijfjes klaar die contractueel gegarandeerde ondersteuning voor Vrije Software willen aanbieden. Je kan trouwens ook terecht op talloze mailinglijsten en nieuwsgroepen. En de dienstverlening en ondersteuning die je daar krijgt is zeer vaak veel sneller en completer dan wat je verkrijgt bij Help Desks waar je moet voor betalen. Het is wel zo dat de ondersteuning niet gegarandeerd is; maar daartegenover staat dat je bij commerciële Help Desks vaak van het kastje naar de muur gestuurd wordt, omdat de producent van de software de problemen afwimpelt op de hardware, en andersom.

    Scholen hebben het bijkomende voordeel dat ze, indien gewenst, beroep zouden kunnen doen op lokale computer-gebruikersgroepen, in ruil, bijvoorbeeld, voor het gebruik van de beschikbare computer-infrastructuur.

  10. Vrije Software verliest toch al zijn nut voor het onderwijs, nu Microsoft helemaal of bijna helemaal gratis licenties aanbiedt?
    De openheid en onafhankelijkheid blijven een probleem: de hele ICT-maatschappij blijft op deze manier gedomineerd door Microsoft, en de ``kost'' van de gratis licenties in het onderwijs verdient Microsoft in veelvoud terug doordat afgestudeerden in hun latere beroepsleven ook voor Microsoft software gaan kiezen omdat ze nooit iets anders hebben leren kennen. Het hele onderwijs blijft dan immers een gratis opleidingscentrum voor de producten van één enkele fabrikant... Tenslotte blijft Microsoft de grootste tegenstander van onafhankelijk gecreëerde Vrije Software en Vrije Inhoud, en van de verspreiding ervan.

Colofon

Dit document is aangemaakt met de VIM-editor, en de LATEX-tekstverwerker. De elektronische versie (met heel wat hyperlinks) staat op
http://www.mech.kuleuven.ac.be/$\sim$bruyninc/ictvisie.html.

Commentaren en opmerkingen over dit artikel zijn van harte welkom bij
Herman . Bruyninckx @ mech . kuleuven . ac . be

Dankwoord

Ik dank volgende mensen voor hun waardevolle opmerkingen en bijdragen: Mark Tetrode, Kris Carlier, Johan Andries, Johan Vos, Hubert Christiaen, Lieven De Samblanx, Kris Luyten, Antoon Pardon, Philip Van Bogaert, Mark Vanlaethem, Luk Vermeylen, Geert Vernaeve. Ikzelf draag de volledige verantwoordelijkheid voor de inhoud van de tekst.

Versies

V.1.0 22 februari 2000 Initiële ideeën.
V.2.0 1 november 2000 Deze versie is opgestuurd naar Marleen Vanderpoorten, Vlaams Minister van Onderwijs.
V.2.3 1 april 2001 Sectie over onderwijs-portaal-webstek; paragrafen over Vrije Inhoud licentie; licentie veranderd in de GNU Free Documentation License; hyperlinks nagekeken en uitgebreid; sectie met Veel Voorkomende Vragen en Uitgebreide samenvatting toegevoegd; Besluit verwijderd; Edison link toegevoegd.
V.3.0 15 december 2001 Grote herschikking van het materiaal; extegratie vs. integratie; meer nadruk op educatieve suggesties.
V.3.1 20 januari 2002 Consistent gebruik van terminologie ``Vrije Software'' en ``Vrije Inhoud''; aanpassing aan nieuwe strategieën van Microsoft; tekst bruikbaar gemaakt voor gebruik buiten Vlaanderen; paragraaf over patenten; Edison link verwijderd.
V.3.2 23 januari 2002 Opmerkingen van Kris Luyten, Philip Van Bogaert en Anton Pardon geïntegreerd.
V.3.3 26 januari 2002 Paragraaf over gelijke kansen, en nood aan openbare aanbesteding.
V.3.4 27 januari 2002 Sectie Basisvaardigheden verbeterd.
V.3.5 28 januari 2002 Gratis Microsoft opleiding explicieter vermeld in uitgebreid overzicht. BerliOS.de toegevoegd.
V.3.6 31 januari 2002 Opmerkingen en correcties van Lieven De Samblanx geïntegreerd.
V.3.7 6 februari 2002 Kleine accenten in de Uitgebreide samenvatting bijgevoegd.




Copyleft 1999-2002, Herman Bruyninckx.



Hier is het LaTeX-bestand van waaruit dit HTML-document is afgeleid. Hier is de PostScript-versie, en hier de PDF-versie



Voetnoot

... onderwijs1
Deze tekst draagt de auteursrechterlijke bescherming van de GNU Free Documentation License (FDL). Deze maakt het mogelijk om tekstmateriaal uit te geven onder gelijkaardige juridische garanties voor vrije verspreiding als de GNU General Public License (GPL) voor software. In mensentaal: je kan deze tekst copiëren en vermenigvuldigen naar hartelust, zolang je de ontvangers van copies maar dezelfde rechten op vrije verspreiding garandeert, en eventuele aanpassingen aan de tekst onder dezelfde FDL-licentie vrijgeeft.
... patenten.2
Een patent is een van de overheid verkregen monopolie op een idee of uitvinding; een copyright is een monopolie op één specifieke uitvoering van een idee. Patenten geven hun eigenaar een veel grotere macht dan het auteursrecht. Het hele patenten-recht staat in Europa voor een grote hervorming: ofwel kiest Europa voor een systeem zoals in de Verenigde Staten, waar men heel makkelijk patenten kan krijgen op alles en nog wat, ofwel kiest Europa voor een restrictievere toekenning van patenten, waarin veel strenger wordt toegezien op de maatschappelijke relevantie en verantwoording van het patent.
...http://www.fsf.org''3
Er bestaan meer dan tien verschillende Vrije Software licenties, die onderling in soms belangrijke details verschillen; bijvoorbeeld, of ze toelaten of een programma in een commerciëel product mag geïntegreerd worden of niet.
... onterecht.4
Deze tekst gaat niet verder in op de antwoorden op deze vraag. Een tot de verbeelding sprekend boek over deze materie is The Cathedral & the Bazaar: musings on Linux and Open Source by an accidental revolutionary, van de hand van Eric S. Raymond, en uitgegeven door O'Reilly.


Herman . Bruyninckx @ mech . kuleuven . ac . be. Generated by LaTeX2HTML translator Version 2K.1beta (1.55) on Linux, 2002-02-06