De democratisering van de ICT
Een onafhankelijke visie op Informatie- en Communicatie-Technologie
in het onderwijs1
Herman Bruyninckx
Post-doctoraal onderzoeker F.W.O.-Vlaanderen en
deeltijds docent K.U.Leuven
Departement Werktuigkunde, Celestijnenlaan 300B, 3001 Heverlee
http://www.mech.kuleuven.ac.be/
bruyninc
v.3.7: 6 februari 2002
Samenvatting:
Dit document pleit voor het aanvaarden van het succesrijke model van
Vrije Software (zowel ontwikkeling als gebruik), om het ICT onderricht in het
onderwijs op een kwalitatief hoger niveau te brengen. De grote
waarde van Vrije Software ligt niet alleen in zijn technische
aspecten en in zijn grote verscheidenheid aan projecten en
programma's, maar vooral in de bijhorende mentaliteit van voortdurend
en onvoorwaardelijk delen van kennis en ervaring, in een geest van
multi-culturele samenwerking met respect voor ieders kwaliteiten en
gevoeligheden. Vrije Software betekent voor ICT wat de Renaissance
betekende voor de Westerse beschaving: de democratisering van het
deelnemen aan, en het verantwoordelijkheid opnemen voor, de
onwikkeling van de (ICT) maatschappij. Op dit gebied biedt Vrije
Software op pedagogisch vlak een competitief voordeel dat geen enkele
van de commerciële ICT-producenten ooit kan aanbieden.
Deze uitgebreide samenvatting bevat de kern van het betoog uit
de rest van het artikel. De samenvatting geeft gehaaste lezers een
overzicht, en, hopelijk, ook de smaak, om het gehele artikel
te doorworstelen en te verwerken.
De invoering van ICT in het onderwijs is één van de belangrijke
beleidsstrategieën die Ministeries van Onderwijs van alle landen
en regios moeten doorvoeren. Deze tekst ontplooit een totaalvisie op
die strategie, die verder kijkt dan de feitelijke invoering van
computers en Internet-toegang in de scholen. De kern van dit artikel
bestaat uit een kritische evaluatie van de huidige
stand van de Informatie- en Communicatie-Technologie (ICT), en
een schets van concrete krijtlijnen voor een onafhankelijk
ICT-programma voor onze lagere en middelbare scholen.
Het ``geheim'' achter Vrije Software is de
door geen enkele commerciële organisatie te evenaren dynamiek,
motivatie en flexibiliteit van duizenden, door het Internet verbonden
en samenwerkende vrijwilligers en professionelen. Eenzelfde dynamiek
kan (ook in kleine taalgebieden!) zorgen voor de
ontwikkeling van, aan de ene kant, goede educatieve software,
aangepast aan de culturele eigenheid van de regio en de wensen van de
individuele leraar, en, aan de andere kant, voor de technische
ondersteuning van leraren en scholen. Bovendien past de Vrije Software
mentaliteit uitstekend bij de waarden van samenwerking, kritische
houding, onafhankelijkheid, pluralisme, en delen van kennis, die
iedereen vanzelfsprekend vindt in een goed onderwijssysteem.
Op strategisch gebied is lef al wat een overheid, een school of
een administratie nodig heeft
om het schier onmetelijke potentieel van de Vrije Software aan
te boren: lef om de voorgestelde onorthodoxe weg te durven bewandelen,
om het stimulerende klimaat te scheppen waar creatieve Vrije Software
vonken kunnen overslaan, en om daarna te vertrouwen op de
dynamiek van het eigen initiatief die in een scholengemeenschap, een
administratie of een bestuur zelf
zal ontstaan. Dat het niet utopisch is om op de grote
hefboomswerking van deze organisch groeiende dynamiek te rekenen is
reeds ten overvloede bewezen door voorbeelden zoals het Internet en
Linux: beide zijn succesverhalen van wat er aan creativiteit en
kwaliteitssoftware kan ontwikkeld worden via de niet-gestuurde,
niet-commerciële maar wereldomvattende inspanningen van
vrijwilligers, universiteiten, onderzoekscentra en bedrijven. Deze
``amateur''-ontwikkelaars hebben bovendien al sinds geruime tijd
het gezelschap gekregen van een groeiend aantal medewerkers uit
professionele software en hardware bedrijven, wat de kwaliteit en
verspreiding van Vrije Software alleen maar kan verbeteren.
Democratisering en
ontvoogding van de burger is een twee-richtingsverkeer: de overheid
moet niet alleen de persoonlijke ontplooiing en waardigheid van de
burger alle kansen geven, maar moet tevens de mogelijkheden scheppen
opdat diezelfde burger op eenvoudige wijze zijn bijdrage kan leveren
aan het gemeenschappelijk bezit. De Vrije Software wereld toont
voortdurend aan dat het kan, en wat de technische en de
juridische infrastructuur zijn waarin zulke synergie kan ontstaan.
Bovendien is wat mogelijk is voor Vrije Software even goed mogelijk
voor Vrije Inhoud (lessen, documentatie, foto's, enz.);
programmeerkennis is dus helemaal geen vereiste om nuttige bijdragen
te kunnen leveren aan een betere ICT-ondersteuning van het onderwijs.
Politiek vertaalt de keuze voor of tegen Vrije Software zich als een
keuze tussen geloven in, enerzijds, de zelf-regelende en scheppende
kracht van een meritocratische, multi-culturele meritocratie in een
vrije markt klimaat, of, anderzijds, de corporatistische, verstikkende
oligarchie van groeiende monopolies.
Dit artikel bespreekt (onder meer) de volgende ICT-aspecten in meer
detail:
- overheden en scholen doen er goed aan om op middellange termijn
een ondubbelzinnige keuze te maken voor
``Vrije Software''
oplossingen voor al hun ICT-behoeften. En dit omwille van de unieke
eigenschappen van onafhankelijkheid, aanpasbaarheid, educatieve
meerwaarde, en mogelijkheid tot samenwerken die de Vrije Software werkwijze
van nature met zich meebrengt.
- onderwijs is per definitie een maatschappelijke domein waar
gelijke kansen voor iedereen moeten gegarandeerd worden. In de
praktijk worden die gelijke kansen op verschillende manieren met de
voeten getreden:
- veel scholen verplichten hun leerlingen om uitsluitend met
Microsoft Office te werken, en laten geen alternatieve
bestandsformaten of tekstverwerkers toe. Dit is een even laakbare
praktijk als, bijvoorbeeld, op een rijschool eisen dat deelnemers
leren autorijden met precies één type van auto en van
autoverzekering.
Het kan toch ook niet de bedoeling zijn dat de overheid het onderwijs
sponsort om op te treden als gratis opleidingscentrum voor de
producten van één enkele firma?
Deze discriminatie gebeurt echter meestal onbewust: scholen en
leerkrachten weten niet beter. Het is echter de taak van een
maatschappelijk verantwoord ICT beleid dat die onwetendheid zo snel
mogelijk uit de wereld geholpen wordt.
- de ongelijkheid in de commerciële aspecten van ICT in het
onderwijs is de reden van de bovenvermelde onwetendheid:
onderwijs-overheden gaan op hun knieën smeken bij Microsoft om de
licenties voor alles en nog wat toch maar niet te duur te maken,
omdat ze om één of andere ruistere reden denken dat enkel
Microsoft nuttige software kan leveren.
- hoewel investeren in ICT in het onderwijs een hele dure
aangelegenheid is zijn er nog nooit openbare aanbestedingen geweest,
waarbij iedereen een bod kan uitbrengen op het invullen van de
technische (hardware en software) ICT noden in het onderwijs.
Overheidsadministraties geven er de voorkeur aan om onderhands te
onderhandelen met Microsoft, in plaats van een objectief en
producenten-neutraal lastenboek op te stellen.
- dezelfde overheden kunnen met één pennetrek de hele
monopolie-problematiek oplossen, door wettelijk vast te leggen dat
alle elektronische communicatie met overheidsinstellingen (en dus ook met
scholen) moet gebeuren in gestandaardiseerde, genormeerde formaten. Op
deze manier kan concurrentie echt uitgespeeld worden, en is software in het
onderwijs binnen de korste keren gratis.
- onderwijs legt grote nadruk op pluralisme, maar blijkbaar is dat
pluralisme zoek als het over ICT gaat, want daar is de Microsoft
monocultuur troef.
- dit artikel heeft twee doelen: (i) het ontwikkelt een
niet-conformistische doch educatief verantwoorde
``ICT-zonder-computer''-aanpak; en (ii) het beschrijft de technische,
economische en politieke argumenten om resoluut te kiezen voor Vrije
Software.
Dit wil echter niet zeggen dat alle scholen plots moeten
overstappen op Linux! Het overgrote deel van de Vrije Software is ook
onder Windows en MacOS beschikbaar, en het betoog van dit artikel gaat
in eerste instantie over het goede voorbeeld dat de Vrije
Software geeft. Vrije Software is niet meer dan één (belangrijk)
middel om het uiteindelijke doel (betere, democratische
ICT) te bereiken.
- op het gebied van zowel de nascholing van leerkrachten als de
opleiding van de leerlingen is het aangewezen om de huidige
``procedurale'' wijze om software-pakketten aan te leren te vervangen
door een aanpak die gericht is op het verschaffen van inzicht
in de belangrijke ICT-concepten en -vaardigheden. Dit inzicht wordt
makkelijker verkregen door verbanden te leggen met vertrouwde
maatschappelijke structuren en geplogenheden, dan wel door ICT te
``doceren'' als een apart vak.
- de term ``democratisering'' uit de titel weerspiegelt niet
alleen het vrije karakter van de ontwikkeling en verspreiding van de
Vrije Software ICT-producten, maar ook de lage prijs ervan. En
democratisering betekent tevens dat een steeds groter deel van de
basis-behoeften op ICT-gebied gedekt kunnen worden door ``commodity''
software, dit wil zeggen, software zonder markt-waarde maar van
perfecte kwaliteit. Deze vorm van democratisering is te realiseren met
Vrije Software en komt de hele maatschappij ten goede. Met
uitzondering dan van een klein (maar uiterst invloedrijk) aantal
commerciële software producenten, die deze evolutie halsstarrig
tegenhouden en ondermijnen.
Een doorbraak op dit gebied hangt niet af van de technische evolutie
van Vrije Software projecten, maar wel van een bewustwording bij
gebruikers en beslissingsnemers ten aanzien van deze monopoliserende
praktijken.
- één van de onmiddellijke positieve gevolgen van de
invoering van Vrije Software op korte termijn is dat de scholen
al de beschikbare middelen kunnen aanwenden om degelijke apparatuur en
netwerken te kopen, in de geruststellende zekerheid dat (i) ze de
programmatuur altijd en overal, en zonder beperking, ter beschikking
zullen hebben, en (ii) er op middellange of lange termijn geen
financiële addertjes onder het gras zullen opduiken.
Bovendien is de technische kwaliteit van de basis
ICT-infrastructuur (dit wil zeggen het computer-besturingssysteem) uit
de Vrije Software wereld op dit ogenblik reeds veel hoger (lees:
stabieler en meer aanpasbaar aan specifieke noden) dan de nu meestal
gebruikte Windows en MacOS besturingssystemen. Dit kwaliteitsverschil
is van dien aard dat het de ICT-coördinatoren op scholen met een
aanzienlijk computerpark ettelijke uren tijd per week aan onderhouds-
en reparatie-tijd kan besparen.
- de discussie over welke software-pakketten gebruikt moeten
worden hangt in de eerste plaats niet af van de technische kwaliteiten
van die pakketten, en zeker niet van hun lijst van ``features,'' maar
wel van de mate waarin ze kunnen werken met open
bestandsformaten. Gebruikers beseffen nog te weinig hoeveel macht
software producenten over hen hebben omdat ze de gebruikers
kunnen dwingen om nieuwe software versies te kopen enkel en alleen
omdat ze het monopolie hebben over de bestandsformaten waarmee de
gebruikers hun gegevens aan de computer toevertrouwen.
- de huidige ICT-opleiding is veel te exclusief ``muis''- en
``Office''-gericht, en schenkt geen aandacht aan het aanleren van
de basis ICT-vaardigheden (het onderscheid kunnen maken tussen vorm en
inhoud; het aanleren van een editor om met programma's te
interageren).
- weinige computer-gebruikers kunnen het onderscheid maken tussen
``instapvriendelijkheid'' en ``leervriendelijkheid,'' want ze
beschouwen beide als één en het zelfde, namelijk
``gebruiksvriendelijkheid.'' Een grafische interface kan
gebruiksvriendelijk zijn omdat hij de instapdrempel tot het gebruik
van ICT verlaagt, maar is al snel niet leervriendelijk meer omdat hij
de veelvuldige gebruiker niet leidt naar een efficiënter en
onafhankelijker ICT-gebruik.
- scholen moeten kritischer staan tegenover de ICT-eisen vanuit
het beroepsleven: ook deze wereld is (over)bevolkt met gebruikers en
beslissingsnemers die zich niet in het minst bewust zijn van de
kritische observaties die in deze tekst besproken worden. Hun
(gebrek aan) strategisch denken over ICT mag dan ook geen blind te
volgen leidraad zijn.
De ICT sector is de enige die bij vacatures het
onderscheid niet maakt tussen, enerzijds, het vragen naar het
beschikken over een vaardigheid (bijvoorbeeld, tekstverwerking)
en, anderzijds, het beheersen van een specifiek software-pakket
dat die vaardigheid nodig heeft (in dit geval, Word).
Zo'n situatie is echter ondenkbaar in andere sectoren: iemand kan best
taxi-chauffeur worden zonder specifieke rij-ervaring te hebben met het
type van wagens die nu over het algemeen als taxi gebruikt worden.
- de commerciële software wereld is een bron van
``informatie'' die erg kritisch moet gebruikt worden: software
bedrijven zijn er in de eerste plaats op uit om winsten voor zichzelf
te genereren (wat ook hun eerste zorg moet zijn!), en niet om
het hun klanten zo gemakkelijk mogelijk te maken om hun ICT-noden te
kunnen spreiden over verschillende aanbieders, en hun gegevens
onafhankelijk van die aanbieders te kunnen gebruiken en verspreiden.
Maar omdat de overgrote meerderheid van de ICT beslissingsnemers
(waaronder leerkrachten en directies) helemaal niet vertrouwd zijn met
de technische aspecten van software, laat staan ervaring hebben met
meer dan alleen Windows en Office, zijn zij niet in staat om een
verantwoorde, kritische en onafhankelijke beslissing te nemen bij de
keuze van ICT in de school of in het bedrijf. Deze situatie is uniek
voor ICT, omdat in andere domeinen (transport, schoolboeken, gebouwen,
catering, ...) deze vertrouwdheid wel aanwezig is.
- het ``.doc'' formaat van Word wordt beschouwd als zijnde een
standaard, die het uitwisselen van informatie gemakkelijker maakt.
Hierbij vergeet men dat Word aan geen enkele definitie
van ``standaard'' voldoet, te beginnen met het feit dat de
specificatie ervan niet openbaar beschikbaar is en naar
willekeur gewijzigd wordt door Microsoft.
- Excel wordt te pas en te onpas gebruikt als gegevensbank
(opslaan van adressen, examenresultaten, uurroosters, e.d.) of als
rapporterings-tool (afdrukken van de zojuist genoemde informatie,
aanmaken van verslagen voor administratieve doeleinden, enz.). Voor
dit soort toepassingen is het echter absoluut aan te raden om een
echte gegevensbank te gebruiken, in combinatie met een echte standaard
taal (SQL) en een standaard interface (SQL-toegang via de webbrowser,
gebruik makende van het HTML-formaat en een (open standaard) koppeling
tussen web-server en gegevensbank). De twee belangrijkste redenen
zijn: (i) consistent houden van de gegevens (nu gebeuren veel
vergissingen bij het ``knippen en plakken'' tussen verschillende
(versies van) Excel-bestanden), en (ii) toegang tot de gegevens door
meer dan één persoon tegelijk (in plaats van de gegevens te
``begraven'' op de PC van één enkel individu, dat niet altijd
beschikbaar blijkt als de gegevens nodig zijn).
- Excel wordt te pas en te onpas gebruikt als wiskunde-
en/of programmeer-tool, omdat ``iedereen'' dit programma ``gratis''
ter beschikking heeft. Maar programmeren met Excel leert de gebruiker
enkel maar ``spaghetti''-code te schrijven: elke notie van
gestructureerd leren omgaan met informatie en instructies is
ver te zoeken. Er bestaan wiskunde-pakketten in Vrije Software die wel
gestructureerd programmeren toelaten, en bovendien veel meer
functionaliteit aanbieden dan Excel.
- emails krijgen steeds vaker .doc bestanden als attachment, ook
al gaat het in de overgrote meerderheid van de gevallen slechts om
eenvoudige tekst, zoals de agenda van een vergadering. Deze .docs zijn
niet alleen niet leesbaar voor niet-Word-gebruikers, maar zijn tevens
veel te omvangrijk voor de informatie die ze dragen, en vaak ook
een bron van virussen.
Dit ``feature'' om het versturen van .doc bestanden (en niet een HTML
of een tekstversie) zo makkelijk te maken vanuit Word is natuurlijk
geen toeval, maar een strategische beslissing van Microsoft: hiermee
verplichten ze de argeloze ontvanger van zulke email-berichten om de
nieuwste versies van Word aan te kopen, omdat ze anders al snel al de
emails niet meer kunnen lezen van correspondenten die de nieuwe versie
al gebruiken.
- computers worden nog steeds bijna uitsluitend gebruikt als PC,
dit wil zegggen: met de nadruk op ``Personal.'' Terwijl moderne PCs
zoveel kracht aan boord hebben, en moderne netwerken zoveel
capaciteit, dat ze gemakkelijk meerdere gebruikers tegelijkertijd
kunnen bedienen. Deze vorm van ``democratisch delen'' is altijd reeds
gemeengoed geweest, behalve in de beperkte ICT-wereld van Microsoft en
Apple die nu het bedrijfsleven domineren.
Bovendien zorgt de mogelijkheid om computers te delen er ook voor dat
de onderhoudsinspanningen en -kosten sterk verlaagd worden, omdat een bepaald
programma maar op één computer moet in orde gehouden worden.
De reden waarom bovenvermelde bedrijven deze basis-functionaliteit zo
weinig mogelijk beschikbaar stellen ligt voor de hand: toegang door
verschillende gebruikers via een netwerk betekent dat ze minder
controle
hebben over het aantal gebruikers dat licentie-rechten moet
betalen. Deze louter op het profijt van de producent gerichte
marketing-strategie maakt het voor de grote meerderheid van gebruikers
echter onmogelijk om te profiteren van de intrinsieke capaciteiten
van hun computerpark.
- de
overdreven nadruk
op
WYSIWYG interfaces (What You See Is What You Get). Het
omgaan met informatie bestaat altijd uit twee
te ontkoppelen delen: (i) het aanmaken van de inhoud, en (ii)
het opmaken van de vorm waaronder die inhoud wordt
aangeboden (op papier, op een webpagina, als geluidsfragment, ...).
Commerciële aanbieders doen verwoede pogingen om beide facetten zo
sterk mogelijk door elkaar te weven: door het de gebruikers moeilijk te
maken om informatie uit te wisselen via programma's van andere
producenten binden ze die gebruikers aan zich, en maken van
overschakelen een dure aangelegenheid.
WYSIWYG programma's zijn, per definitie, ook gedoemd om inferieure
kwaliteit te leveren: het is onmogelijk om in een grote hoop gegevens
(bijvoorbeeld een thesistekst) alle opmaak op een consistente wijze te
actualiseren terwijl de gebruiker inhoud bij-creëert. Bijvoorbeeld:
de plaatsing van figuren, of de nummering en citaties van referenties
hebben nood aan kennis van het hele document, terwijl WYSIWYG
zich steeds moet beperken tot het verwerken van een deel van de
informatie.
- gebruiksvriendelijkheid is een belangrijke eigenschap van
software, maar in de praktijk wordt deze term misbruikt om twee
verschillende eigenschappen aan te duiden: (i) instapvriendelijkheid,
en (ii) leervriendelijkheid. De meeste grafische interfaces bieden
niet meer dan instapvriendelijkheid; de meeste Vrije Software biedt de
leer- en nieuwsgierige gebruiker heel wat meer kansen wat betreft
leervriendelijkheid (alhoewel zeker nog niet ideaal!), vooral door de
beschikbaarheid van massa's on-line informatie en ondersteuning.
- een andere courante vorm van ``newspeak'' is integratie,
d.w.z., het vlekkeloos laten samenwerken van verschillende
ICT-componenten. Maar in werkelijkheid misleiden de
software-mastodonten de argeloze gebruiker door in plaats van
integratie enkel maar extegratie aan te bieden (d.w.z,
integratie tussen alleen maar de eigen producten). Extegratie leidt
tot een gebrek aan vlotte uitwisselbaarheid, en dus tot natuurlijk
monopolie-vorming.
- het volledig uit het oog verliezen van ``eeuwigdurende''
toegang tot de
gegevens die aan computer-media zijn toevertrouwd. Kijk even terug
naar de korte geschiedenis van de ICT, en besef dat de gegevens die je
vijf à tien jaar geleden aan je favoriete WYSIWYG tekstverwerker of
gegevensbank hebt toevertrouwd nu al niet meer, of slechts met heel
veel moeite, terug op te vissen zijn! Commerciële software
aanbieders zijn sterk in het snel ``vernieuwen'' van hun software
versies, maar denken zelden aan de overdraagbaarheid en
archiveerbaarheid van de gebruikersgegevens. Dit argument is
uitermate belangrijk voor administraties die gegevens gedurende heel
lange periodes moeten archiveren en toegankelijk maken.
De evolutie van onze maatschappij naar een kennis- en
informatiemaatschappij is onomkeerbaar. De verantwoordelijkheid van ons
onderwijs in deze evolutie is zonder meer enorm. Scholieren en studenten
moeten een gedegen opleiding krijgen in de Informatie- en
Communicatie-Technologie (ICT), want voor de nieuwkomers op de arbeidsmarkt
betekent ICT-analfabetisme nu al hetzelfde als wat analfabetisme betekende
voor hun ouders: een uiterst moeilijk te overbruggen achterstand, en
verminderde kansen op een creatieve en veelzijdige job.
Vanzelfsprekend zijn alle politieke verantwoordelijken van dit besef
doordrongen, en meer in het bijzonder spannen
universiteiten en onderwijs-ministeries
zich in om fondsen vrij te maken voor ICT en ICT-opleiding.
Maar, zoals zo vaak wanneer het gaat over het opleiden van mensen voor
een nieuwe technologie, zijn fondsen enkel een nodige maar
zeker niet voldoende voorwaarde voor succes. En op het vlak van
ICT in het onderwijs zijn dezelfde
verantwoordelijken die gul fondsen ter beschikking stellen veel minder
creatief in het op papier zetten van een doordachte visie van wat er
met die fondsen moet gebeuren.
Dit artikel probeert dit hiaat op te vullen, en beschrijft de
krachtlijnen van een ICT-beleid op lange termijn, dat aandacht schenkt
aan:
- de stand van zaken op ICT gebied, in de vorm van een
kritische evaluatie van hoe ICT nu gebruikt en misbruikt wordt
(Sectie 2).
- de leerlingen, in de vorm van ICT ``eindtermen'' die
verder gaan dan het traditionele leren werken met een tekstverwerker,
een web-browser, en een rekenblad. De redenen waarom deze eindtermen
``ambitieuzer'' zijn worden uitvoerig toegelicht.
(Sectie 3.)
- de leerkrachten en ouders, in de vorm van concrete
suggesties voor een integratie van ICT vaardigheden in de
lessen, en uitleg over de beschikbare hulpmiddelen en
ervarings-voorbeelden voor een efficiënte samenwerking
aan educatief materiaal. (Sectie 4.)
Deze samenwerking omvat niet enkel die tussen leerkrachten onderling,
maar ook tussen leerkrachten en ouders!
- het beleid, in de vorm van een economische, politieke,
educatieve en maatschappelijke verantwoording van het in dit document
voorgestelde ICT-beleid.
(Secties 5-8.)
De kern van de voorgestelde visie is dat, op het vlak van educatieve
inhoud en software, scholen best resoluut kiezen voor een niet
louter door marktmechanismen gedreven aanbod, maar wel voor een
aanbod dat bestaat uit, en geïnspireerd is door, de realisaties
uit de Vrije Software wereld. Dit document hoopt te kunnen bijdragen
tot het oplossen van de heersende onbekendheid met het Vrije Software
gegeven, en de daaruit voortvloeiende drempelvrees om Vrije Software
hulpmiddelen en technieken te gebruiken in de dagelijkse
schoolpraktijk.
2 Kritische evaluatie van de huidige ICT-toestand
Software is een belangrijke component van een goed werkende computer,
een goed werkende administratie, en een goed ICT beleid. De vraag naar
educatieve en ondersteunende programma's van hoge kwaliteit is groot;
de aangeboden kwantiteit en kwaliteit zijn echter nog steeds beperkt,
niet in het minst door de beperkte mogelijkheden om de software aan te
passen aan de eigen didactische en administratieve behoeften en
situaties. Deze beperkingen situeren zich zowel op het technische
vlak (d.w.z., laat de software toe om aangepast te worden door de
gebruiker?), als op het vlak van de beschikbare mankracht en expertise
(d.w.z., wie beschikt er bij de geinteresseerden over voldoende kennis
en tijd om de aanpassingen te realiseren?).
Aanpasbaarheidscriterium is wellicht één van de belangrijke
kwaliteitscriteria van educatief materiaal, en het is duidelijk dat
velen in het onderwijs gemotiveerd zijn om zelf aan die tekorten te
verhelpen: ze volgen cursussen op eigen initiatief en kosten, of ze
sluiten zich
aan bij een computerclub, en ze schrijven in hun vrije tijd software
voor gebruik op school. In de loop van de voorbije decennia zijn op
die wijze reeds duizenden zelfgemaakte
educatieve programma's (of liever: programmaatjes) ontwikkeld. Vele
van deze programma's worstelen echter met de klassieke problemen die
horen bij zulke kleinschalige initiatieven: weinig kans om uit te
groeien tot een product van hoge kwaliteit, door gebrek aan competente
mankracht, door een gebrek aan openheid en verspreiding onder
kritische geïnteresseerde collega's en scholen, en vooral, door
een gebrek aan constructieve discussies tussen de originele auteurs en
de gebruikers. Het feit dat kleine taalgebieden weinig aantrekkelijk
zijn voor de grote internationale spelers in de software wereld werkt
ook al niet echt bevorderend om aan deze toestand veel ten goede te
veranderen.
Bovendien is de huidige evolutie op het gebied van commerciële
software op zijn minst gezegd niet erg gezond. Enerzijds worstelt de
commerciële ICT-markt immers zelf nog te veel met de technologie: de
oplossingen die ze aanbiedt zijn nog verre van
optimaal; ze zijn in eerste instantie gericht op toepassing in de
bedrijfswereld en niet in het onderwijs; er is nog onvoldoende respect
voor internationale software standaarden en normen. Dat betekent dat
twee software-programma's van verschillende leveranciers zelden
perfect uitwisselbaar zijn. En als gevolg hiervan is de software-markt
erg weinig competitief en weinig bezorgd om optimale kwaliteit te
leveren aan de gebruiker. Die gebruiker ziet zich immers
geconfronteerd met hoge kosten om van de ene leverancier over te
schakelen op een concurrent. En software-gebruikers gedragen zich
zelden als kritische consumenten, die waar (én keuzevrijheid)
eisen voor hun geld. Dit passief gedrag is al decennia lang
aangemoedigd door de uiterst restrictieve software-licenties die
de gebruiker bij elk commerciëel product opgedrongen worden.
Ook de overheid heeft nog slechts een beperkte ervaring met een
visionair ICT-beleid. Wat moet er in het ICT programma? Hoe
brengt men dit het best tot stand? Welke pedagogische, technische en
logistieke ondersteuning moet de overheid aanbieden? En welk deel kan
beter door de markt verzorgd worden?
Het ICT programma van de onderwijs-ministeries benadrukt op dit
ogenblik vooral materiële streefdoelen, zoals ``1 computer per 10
leerlingen'' en ``vrije toegang tot het Internet''. Het is veel minder
duidelijk wat onze leerkrachten en scholieren dan wel met deze
middelen verondersteld worden te doen, welke software de scholen
geacht worden te gebruiken en welk resultaat ze moeten trachten te
bereiken, hoe men ervoor kan zorgen dat de educatieve behoeften en
doelstellingen worden gerealiseerd, hoe men het resultaat van de
geleverde inspanningen kan evalueren, en, in de eerste plaats,
wat die behoeften eigenlijk zijn.
De markt wordt overheerst door één enkele speler, Microsoft. Deze
monopoliepositie is extreem ongustig voor de
software-industrie, en, meer in het bijzonder, de niet-Amerikaanse
industrie. Niet enkel op economisch gebied (het handels-tekort van
zowat alle landen ter wereld is, op software-gebied, enorm), maar ook
op politiek vlak (zowat de hele
wereldeconomie en alle overheidsadministraties zijn afhankelijk van
één enkel bedrijf dat aan alle democratische controle en sturing
ontsnapt) en
op educatief vlak (de Angelsaksische markt krijgt absolute voorrang).
Eén van de gouden regels die elke bedrijfsleider nochtans al sinds
mensenheugenis hanteert is: ``Ik moet ervoor zorgen dat mijn bedrijf
niet afhankelijk wordt van één enkele leverancier.'' (Dit is
het zogenaamde ``second sourcing'' principe.) Voor software
geldt deze gouden regel natuurlijk ook, maar om de één of andere
reden wordt die op dit ogenblik zelden in de praktijk toegepast. Een
mogelijke reden zou kunnen zijn dat de meerderheid van de
beslissingsnemers in de industrie van rijpere leeftijd zijn, zelf geen
opleiding en/of praktijk in de ICT genoten hebben, en dus met
onvoldoende dossierkennis en kritische zin beslissingen nemen over de
aankoop van ICT-pakketten. Niet alleen voor het besturingssysteem
kunnen bedrijven of overheden niet van de ene dag op de andere
overgaan naar een nieuwe leverancier, maar het probleem stelt zich ook
voor alle toepassingsprogramma's.
ICT-consumenten worden bestookt met een niet-aflatende stroom van
``upgrades.'' Die slokken niet alleen veel geld op, maar
steeds vaker bieden ze zo goed als geen nuttige nieuwe
functionaliteit aan. Het is ook helemaal geen uitzondering dat nieuwe
versies van programma's ook uitbreidingen aan de hardware vereisen:
snellere processoren en meer geheugen. Bovendien zorgen software
leveranciers er wel voor dat hun upgrades gepaard gaan met nieuwe
cursussen en handboeken, die opnieuw een flinke hap uit het ICT-budget
nemen.
De aankoop van commerciële educatieve software komt in de praktijk
vaak overeen met het kopen van de spreekwoordelijke kat in de zak: je
koopt een doos met wat summiere uitleg aan de buitenkant, maar de
kwaliteit en tekortkomingen van de software kan je pas echt naar
waarde schatten als je het product een tijdlang hebt gebruikt. Terug
inwisselen of verder verkopen zijn zelden toegelaten, en software
licenties bevatten geen enkel recht voor de gebuiker.
Waar mogelijk zorgen software-fabrikanten ervoor dat het moeilijk is om de
bestanden die met hun software worden aangemaakt ook door programma's
van de concurrentie te laten gebruiken. Dit gebrek aan
uitwisselbaarheid leidt volgens gekende economische wetmatigheden tot
``natuurlijke'' monopolieposities: bij de keuze voor een bepaalde
software kiezen gebruikers systematisch voor die pakketten die reeds
door de meerderheid van hun ICT-correspondenten gebruikt worden, zodat
een marktleider al snel een monopolist wordt. Dit wil zeggen dat hij
zich bij zijn prijszetting en gebruikersondersteuning niet hoeft te
bekommeren om de concurrentie, aangezien de niet-uitwisselbaarheid van
de producten de marginale kost om van leverancier te veranderen zo
enorm hoog maakt.
Grote software-producenten streven naar extegratie, dit wil
zeggen, de integratie van verschillende software-componenten,
maar enkel die componenten die door henzelf aangeboden
worden. Integratie op zich is een na te streven doel, en de
ICT-marketing stelt extegratie dus ook altijd voor als integratie, om
de argeloze ICT-consument te misleiden en vast te binden aan zijn
eigen producten.
Een typisch voorbeeld van ver doorgedreven extegratie is Microsoft met
zijn Office en .NET producten. Office is het extegratie-succes bij
uitstek van het heden en het verleden; .NET is de grote
extegratie-dreiging voor de toekomst, omdat het Microsoft toelaat zijn
huidig monopolie op de PC-besturingssystemen uit te breiden tot het
hele Internet! Afgaande op de ervaringen uit het verleden
wat betreft het omgaan met (al dan niet officiele) standaarden, lijkt
het niet onwaarschijnlijk dat Microsoft de extegratie-strategie ook
zal toepassen op alle educatieve ontwikkelingen binnen het .NET
geheel. Dit wil zeggen dat, door het ``innovatief aanpassen'' van de
.NET protocols, Microsoft zijn dominantie zal behouden zonder rekening
te moeten houden met concurrentie.
Moderne commerciële ICT producten komen steeds vaker zonder
degelijke handleiding, maar enkel met een on-line hulp. De motivatie
van de producent is dat de software toch gebruiksvriendelijk zou zijn.
Dit ontneemt de koper echter een stimulans om bij te leren,
wat niet zo'n gunstige evolutie is in een onderwijs-klimaat waar
levenslang leren de norm geworden is.
De ICT-markt voldoet dus bijlange niet niet aan de basis-vereisten
voor een vrije, competitieve markt, zoals daar zijn: uitwisselbaarheid
van producten en diensten, transparantie, volledig ingelichte
consumenten, gelijke toegangs-mogelijkheden voor iedere producent. De
markt leeft bovendien in de valse overtuiging dat software die ``veel
gebruikt wordt'' automatisch het label ``de facto standaard'' mag
opgekleefd krijgen, en dat zodus de ontwikkeling en het gebruik van
software eenvoudiger en goedkoper worden. Deze illusie is makkelijk te
ontmaskeren door te wijzen op het feit dat bijvoorbeeld de Windows
besturingssystemen onderling niet volledig compatibele zijn: DOS, Pocket
PC, Windows CE, Windows 3.x, 95, 98, Me, NT, 2000, XP, met nog een hele
hoop ``Service Packs'' er bovenop, verschillen vanuit het oogpunt van
een toepassingsprogramma vaak essentieel van elkaar. Een zelfde
argument geldt voor de verschillende versies van Microsoft Office:
nieuwe versies kunnen bestanden gemaakt met oudere versies slechts
inlezen tot op een bepaalde (kunstmatig bepaalde!) versie uit het
verleden, en omgekeerd is het vaak zo dat oudere software-versies
gewoonweg blokkeren op nieuwe bestandsformaten. Dit is geen toeval,
aangezien het incompatibel maken van de bestandsformaten
de manier is om gebruikers te dwingen om de nieuwe versie aan
te kopen. Deze beslissingen worden niet bepaald door technische
belemmeringen, maar wel door marketing-opportuniteiten: hoever kunnen
we gaan in het opdringen van nieuwe releases zonder dat de consument
bereid wordt de eenmalige kost te maken voor overschakeling naar een
concurrent?
Computers worden in enorm tempo krachtiger, maar de software die
software fabrikanten aanbieden verstikt een steeds grotere fractie van
die rekenkracht, vaak in de vorm van steeds zwaardere grafische
interfaces en hulpprogramma's (``wizards'') die onzichtbaar in de
achtergrond draaien en de gebruiker met ``goede raad'' bestoken, of
door programma's wiens interface zichzelf aanpast aan de
``noden'' van de gebruiker.
Dergelijke wizards werken meestal afstompend, remmen elk initiatief
van de gebruikers om actief bij te leren, en stimuleren het
(valse!) gevoel dat de computer het toch altijd het beste weet.
Veel van dit alles gebeurt onder het mom van een verhoging van de
``gebruiksvriendelijkheid''. Maar de dagelijkse praktijk leert dat
dit vaak niet meer is dan een inhoudsloze verkoopsslogan. Wat is er
namelijk gebruiksvriendelijk aan een computer die regelmatig ``hangt'' om
onverklaarbare redenen? Wat is er gebruiksvriendelijk aan programma's die
om de zoveel versies hun eigen bestandsformaten wijzigen zodanig dat de
gebruiker gedwongen is te investeren in upgrades enkel en alleen om
die reden? Wat is er gebruiksvriendelijk aan software leveranciers die er
alles aan doen om elke poging tot standaardisatie en uitwisselbaarheid van
bestanden te boycotten en om meer innovatieve concurrenten uit de markt te
houden? Wat is er gebruiksvriendelijk aan grafische interfaces die
misschien wel de instapdrempel verlagen, maar tegelijk de gebruikers dom
houden (want ze nodigen niet uit tot het lezen van de documentatie of het
bestuderen van de achtergronden van de software), zodat de gebruikers
na jaren nog steeds even inefficiënt omspringen met hetzelfde
programma? Wat is er gebruiksvriendelijk aan software die u verplicht
om tientallen megabytes
te spenderen aan grafische toeters en bellen ook indien u daar niet in
geinteresseerd bent? Wat is er gebruiksvriendelijk aan software die,
ondanks de grote beschikbaarheid van netwerken, niet vanop andere computers
op het netwerk kan gebruikt of onderhouden worden? (Opnieuw is niet een
technische belemmering die in de weg staat, maar wel een schraapzuchtige
licentie-politiek die de gebruikers verplicht om voor ieder van hun
computers een nieuwe licentie te kopen!)
Wat is er gebruiksvriendelijk aan de huidige trend om
``geïntegreerde'' programma's aan te bieden die alles willen doen
(tekstverwerking, rekenblad, surfen en emailen, schetsen maken,...) en
zodoende enorm groot, complex, en bijgevolg weinig stabiel worden?
Anders geformuleerd: de motivatie van de software producenten is niet in de
eerste plaats het de gebruikers gemakkelijker te maken (dit kan immers
even goed met kleinere, afzonderlijke modules, die gebruik maken van
uitwisselbare, gestandaardiseerde bestandsformaten), maar wel om hen
volledig aan één leverancier te binden. (Dit fenomeen
staat bekend onder de naam ``vendor lock-in''.) En is het
gebruiksvriendelijk om op die manier ook de gebruikers de mogelijkheid
te ontzeggen om ``light'' versies van deze software te (blijven)
gebruiken, indien zij geen nood hebben aan alle nieuwe toeters en
bellen? Wat is er gebruiksvriendelijk aan software die ongevraagd de
instellingen van systeemparameters wijzigt ``om u te helpen''? Wat is
er gebruiksvriendelijk aan een software-omgeving die tot in den treure
toe geveld wordt door virussen, omwille van een inherent onveilig
ontwerp? (Niet in het minst omdat ze zo ``vriendelijk'' is om
bestands-extensies te verbergen voor de gebruiker, zodat die zonder
zich van kwaad bewust te zijn gaat klikken op virusbestanden die
vermomd zijn als onschuldige teksten, weblinks of prentjes.) Wat is er
gebruiksvriendelijk aan programmatuur die u alle
kans ontzegt om te leren hoe ze in elkaar steekt, als u tracht om uw
ICT kennis bij te schaven? Wat is er gebruiksvriendelijk aan een
software-pakket dat zo ondoorzichtig is dat, wanneer er iets niet
werkt, de help desk niet verder komt dan de gebruiker de raad
te geven om alles terug te installeren en nog eens opnieuw te
proberen? Of dat hem verplicht terug op te starten als hij ergens een
systeemparameter wijzigt (zoals
bijvoorbeeld het IP-adres van zijn computer)? Wat is er
gebruiksvriendelijk aan een grafische interface overladen met ruim honderd
icoontjes? (Zodat men gebruikers heel vaak ziet wachten met hun muiswijzer
over zo'n icoon totdat de tekst-versie ervan verschijnt om uit te maken of
het inderdaad deze functie is die ze wensen te gebruiken...) Wat is er
gebruiksvriendelijk aan een computersysteem dat met de regelmaat van de
klok in de knoei geraakt door verschillende versies van basis-bibliotheken
die door verscheidene toepassings-programma's worden gebruikt? (De
zogenaamde ``.dll hell''.)
Wat is er gebruiksvriendelijk aan software-omgevingen die systematisch
bestaande internationale standaarden vervangen door bedrijfs-eigen,
gesloten formaten, zodat gebruikers (meestal zonder het te beseffen)
de kans ontzegd wordt om concurrerende producten te gaan gebruiken?
``Gebruiksvriendelijkheid'' is dus een vaak verkeerdelijk gebruikte
term. Weinigen kunnen immers het onderscheid maken tussen twee
complementaire vormen van gebruiksvriendelijkheid, met name
``instapvriendelijkheid'' en ``leervriendelijkheid.'' Een grafische
interface kan gebruiksvriendelijk zijn omdat hij de instapdrempel tot
het gebruik van ICT verlaagt, maar is vaak al snel niet
leervriendelijk meer omdat hij de veelvuldige gebruiker niet leidt
naar een efficiënter en onafhankelijker ICT-gebruik.
Het huidige, vooral door commerciële bedrijven ingevulde
ICT-landschap in het onderwijs maakt slecht gebruik van de
``C'' uit ``ICT'': er is een aanzienlijk aanbod aan
hardware en netwerken, maar de beschikbare communicatie-mogelijkheden
worden onderbenut. De belangrijkste reden hiervoor is dat alle
commerciële PC software kunstmatige beperkingen oplegt aan de
gebruikers, in die zin dat licenties ervoor zorgen dat hun
software slechts op één enkele computer mag draaien. Deze
beperkingen zijn louter van financiële aard: de leverancier wil per
licentie langs de kassa passeren. In tegenstelling daarmee geeft
Vrije Software software altijd de mogelijkheid om (al dan niet
via een netwerk)
gebruikt te worden op een onbeperkt aantal computers. Zo is het
voor niet-commerciële besturingssystemen (zoals Linux) helemaal geen
probleem om toepassings-programmatuur (zoals, bijvoorbeeld, de
LATEX
tekstverwerker, of de
BlueFish
HTML-editor) op één enkele computer te installeren en toch te
gebruiken op alle andere computers van het netwerk. Dit biedt niet
alleen voordelen voor de gebruikers (een ruimer gamma aan beschikbare
programma's, op een ruimer gamma aan computers), maar zeker ook voor de
systeem-verantwoordelijken, wiens installatie- en
onderhouds-inspanningen drastisch gereduceerd worden.
Een andere kunstmatige beperking aan de vrije verspreiding van kennis
en software komt vanuit een andere juridische hoek: de explosie aan
software patenten.2Voor voldoende kapitaalkrachtige
ondernemingen is het al een hele tijd mogelijk om patenten te nemen op
welk soort technische ontwikkeling dan ook (met inbegrip dus van
software, zakentechnieken en onderwijsmethoden), indien de aanvrager
zijn thema maar op een professionele juridische wijze kan inkleden. De
politieke macht heeft de controle over de patenten-bureaus verloren,
of liever gezegd, uit handen gegeven. Deze patenten-bureaus zijn
commerciële ondernemingen op zich geworden, met als directe
streefdoel om zoveel mogelijk patenten toe te kennen, terwijl
hun oorspronkelijke doel was om het belang van de gemeenschap
te dienen. In de praktijk komt het er dus op neer dat in feite geen
enkel software programma van enige omvang meer kan geschreven worden,
zonder dat niet één of ander patent ``overtreden'' wordt. Met
andere woorden, heel wat kennis uit het publieke domein is
geprivatiseerd geworden. Dit betekent bijvoorbeeld dat de maatschappij
(en dus iedere belastingbetaler) meerdere keren betaalt voor dezelfde
kennis: (i) om de kennis te creëren (in universiteiten en
onderzoeksinstellingen) en de mensen op te leiden die kennis
creëren (in het onderwijs); (ii) om reusachtige administraties in
leven te houden om die kennis te kunnen privatiseren in patenten; en
(iii) om die kennis te gebruiken in commerciële producten die op die
kennis steunen.
Een gelijkaardig fenomeen is de ``spin-off manie'' van
de moderne universiteit: de maatschappij investeert enorme
hoeveelheden middelen om goede onderzoekers de kans te geven om
vooruitstrevend onderzoek te doen. Daarna geeft diezelfde overheid
financiële stimuli aan deze mensen om hun verworven kennis geheim te
houden en te commercialiseren in een spin-off bedrijf. Dit betekent
niet alleen een grote directe meerkost voor de maatschappij, maar
tevens een enorm verlies aan de toegevoegde waarde die zou kunnen
ontstaan zijn indien ieder geinteresseerd bedrijf (en niet alleen dat
van de onderzoekers) van de kennis zou kunnen gebruik maken om
diensten errond aan te bieden. Uiteindelijk zijn het deze
diensten die het maatschappelijk welzijn echt vooruit helpen, en niet
het bezit op de kennis die de diensten mogelijk maakt.
Deze evolutie wordt doorgaans verantwoord door te zeggen dat zonder
bescherming van de zogenaamde intellectuele eigendom geen
innovatie meer zou plaatsgrijpen. Dat deze verantwoording op zijn
zachtst gezegd ernstig moet genuanceerd worden mag blijken uit een
korte terugblik op de geschiedenis van technologie en wetenschap in het
Westen: het is de Renaissance geweest die aan de wieg heeft gestaan
van de onvoorstelbare bloei die het Westen heeft doorgemaakt, en het
essentiele fundament van die bloei was de vrije toegang tot
alle kennis en technologie! De meest spectaculaire vooruitgang is
geboekt door iedereen, zonder onderscheid van afkomst of kapitaal, de
mogelijkheid te geven om ideeën en ontwikkelingen van anderen te
onderzoeken, te bekritiseren en te verbeteren. Dit concept van ``peer
review'' is de essentie van elke vorm van onderwijs en ontwikkeling,
en precies deze essentiele bron van kennis-creatie wordt bedreigd door
de patenten-commercie. Bovendien hebben kennis en software de
aangename eigenschap dat ze niet verloren gaan als je ze met anderen
deelt, integendeel. Dit maakt dat de klassieke verantwoording van de
theorie van de schaarste, die opgaat voor materiële goederen,
niet opgaat voor kennis en software. Het is dus misleidend deze
laatste als product te omschrijven; dienst is een beter
geschikte terminologie.
Het weze wel duidelijk dat dit artikel niet pleit voor een naar
Marxisme ruikende monopolistische overheidsinvloed in het proces van
kennis-creatie en -exploitatie, maar wel voor het herstel van het
evenwicht tussen private en maatschappelijke belangen.
Een lange-termijn ICT-beleid moet scholieren niet alleen een aantal
technische ICT-vaardigheden bijbrengen, maar tevens ook
voldoende kritische zin aankweken om de hogervermelde, louter
op commerciële motieven gestoelde verkoopstruuks te kunnen
doorzien, en om met verstand van zaken hun elementaire
consumentenrechten op te eisen. Op termijn zou dit vanzelf
moeten leiden tot een beter ICT-gebruik in het onderwijs, het
bedrijfsleven en de overheid. De oorzaken van het huidige gebrek aan
kritische zin ten opzichte van ICT zijn niet ver te zoeken:
- het aantal gelukkigen dat reeds actief met verschillende
alternatieven in aanraking is gekomen, en dus kan vergelijken op basis
van praktische ervaring, is schaars, zeker in het onderwijs.
- de impact van marketing is buiten-proportioneel groot in de
ICT-wereld, omdat weinigen de beweringen en suggesties uit de reclame
op hun juiste waarde kunnen schatten, niet in het minst omdat deze
marketing uitspraken in de praktijk moeilijk kunnen geverifiëerd
worden vóór aankoop.
- in de bestaande ICT monocultuur zijn stimulerende ``Aha
Erlebnissen'' uitzonderlijk, bij gebrek aan blootstelling van de gebruikers
aan radicaal andere aanpakken en denkpatronen.
- de doorsnee-gebruikers kennen niets anders dan Excel of Visual Basic,
als het gaat over ``programmeren'' van hun eigen toepassingen. Deze
``tools'' blinken echt niet uit in het stimuleren van een goede,
gestructureerde programmeer-methode, en leiden onvermijdelijk tot
``spaghetti-code'', zonder herkenbare en gedocumenteerde
structuur, en dus onmogelijk uit te breiden of te onderhouden op
middellange termijn.
- weinigen begrijpen het fundamentele onderscheid tussen
enerzijds een software-pakket, en anderzijds de
bestandsformaten waarin de gegevens worden opgeslagen die door
het software-pakket worden verwerkt. Door dit gebrek aan inzicht is er
weinig aandacht voor de uitwisselbaarheid van ICT-gegevens, met als
gevolg een weinig competitieve markt.
De overheid heeft op het vlak van de ICT geen blijk kunnen geven van
dezelfde vooruitziendheid als op het vlak van, bijvoorbeeld, de
telecommunicatie: het enorme succes van de mobiele telefonie in Europa
is voor het grootste deel te wijten aan het feit dat
gemeenschappelijke standaarden (GSM, UMTS) zijn afgesproken, waaraan
alle commerciële aanbieders zich moeten houden. En dit voor de volle
100 percent!
De inrichtende overheden (die niet meer zijn dan ICT-consumenten, maar
dan wel erg zwaarwichtige) moeten zich eindelijk rekenschap beginnen
geven van de scheefgegroeide praktijk, en niet langer slaafs de weg
volgen die de ICT-marketing voor hen uitstippelt. Deze weg leidt
immers naar steeds meer en duurdere software, met een groeiende nadruk op
extegratie in plaats van op integratie. Maar naar één ding
leidt hij zeker niet: naar een betere ICT-opleiding! Een
kijkje op de webpagina's van de belangrijkste spelers op dit gebied
(Ministerie van Onderwijs, de scholen-groepen, de onderwijs-portals,
...) versterkt voor leerkrachten, leerlingen en ouders bovendien de
indruk dat enkel Microsoft software maakt. Het kan dan ook niet
verwonderen dat de individuele
leerkrachten onvoldoende kritisch het ingelepelde aanbod kunnen
evalueren, gesteld dan nog dat ze op de hoogte zijn van alternatieve
mogelijkheden. In de weinige gevallen waar dat toch zo is, staan zij
zeer vaak alleen tegen een overmacht van behoudsgezind (of zelfs
vijandig) reagerende collega's. En tenslotte blijft er het grote
praktische probleem van de niet-uitwisselbaarheid van
bestandsformaten; overschakelen brengt dus een aanzienlijke kost met
zich mee.
Een kritische evaluatie van software en van de gangbare commerciële
software-praktijken moet ook aandacht besteden aan de fundamentele
verschillen tussen de begrippen gebruiksvriendelijkheid en
leervriendelijkheid: het laatste slaat op de capaciteit van software
om zich optimaal te laten aanpassen (``configureren'') aan het
expertise-niveau en de specifieke noden van de gebruiker. Dit betekent
bijvoorbeeld dat men moet beseffen dat vroeg of laat een grafische
interface of een ``wizard'' een belemmering gaan vormen voor de
evoluerende gebruiker in plaats van een hulp. Wees ook kritisch voor
software die zich ``automatisch'' aanpast aan de gebruiker; de
gebruikers zelf moeten het initiatief nemen als ze wensen dat de
computer zich met een meer efficiënte interface aan hen moet
aanbieden. In deze context is het opmerkelijk dat Microsoft het als
een ``vernieuwing'' voorstelt dat zijn nieuwe versies van Office
automatisch de menu-items gaat verstoppen die de gebruiker een tijd
niet meer gebruikt. Dit leidt inderdaad tot kleinere menus, maar
beperkt nog meer de stimuli die de gebruiker krijgt om zelfstandig op
zoek te gaan naar een efficienter ICT gebruik.
De hoger aangehaalde symptomen van de onrijpheid van zowel de ICT-gebruiker
als de ICT-markt worden pas echt schrijnend duidelijk als men vergelijkt
met het doorsnee consumentengedrag ten opzichte van andere
producten: een huishoudapparaat dat met grote regelmaat de geest
geeft wordt een commerciële flop; je auto of televisie kan je nog
zonder problemen blijven gebruiken ook als er een nieuwe versie
(``software'') op de markt komt omdat hun ``bestandsformaten''
(brandstof, wegen, TV-beelden, ...) blijft werken met de reeds
bestaande versies; producenten van televisies, videos,
audio-apparatuur, camera's, benzine, en dergelijke, zijn allemaal
gedwongen geweest om gezamenlijk standaarden en normen af te
spreken, zodat je de producten van verschillende aanbieders onderling
kan uitwisselen en dus hun kwaliteit kan vergelijken; je kan zonder
problemen overschakelen van merk A van auto/radio/camera/... naar merk B, ook al staan de knopjes en
schakelaars misschien niet helemaal op dezelfde plaats; hoe zou je het
vinden als heel de wereld dezelfde kleren zou aanhebben, en in dezelfde
huizen zou wonen? Of dat de winkels slechts één soort koekjes zouden
aanbieden? ...
Waarom beschouwt men deze mogelijkheden tot keuze,
uitwisselbaarheid, personalisatie en merk-differentiëring als een
voordeel als het gaat over ``normale'' consumenten-artikelen,
en als een nadeel als het gaat over software? Hoe u het ook
draait of keert, een consument wil keuze, kwaliteit en
onafhankelijkheid, en de huidige ICT-markt biedt die in onvoldoende
mate. Het meest bekende voorbeeld is natuurlijk de monopolie-positie
van Microsoft Office, maar er
zijn talloze andere voorbeelden. Microsoft controleert
het bestandenformaat waarmee de Office software werkt, en zet
daarmee de concurrentie buitenspel, omdat het zo verhindert dat
gebruikers kiezen met welke software zij hun documenten
bewerken. Dit wordt een vicieuze cirkel die zich steeds verder
uitdijt, met enkel de monopolie-houder als winnaar: hoe meer
.doc bestanden er circuleren op de computers van gebruikers,
hoe duurder en ingrijpender het opengooien van deze
desktop-markt wordt. Bovendien gebruikt Microsoft zijn
dominantie op het ene vlak ook telkens opnieuw om een dominantie op
andere vlakken te realiseren; bijvoorbeeld van het
desktop-besturingssysteem naar de server, de Internet-browser, de
bureau-toepassingen, en de ingebedde systemen. De volgende stadia zijn
de inpalming van de audio- en video-formaten, en de toegang tot het
betalende Internet (via de PassPort-procedures).
Het zojuist vernoemde monopolie van Microsoft is echter voor het
grootste deel te wijten aan de achteloosheid van de consumenten zelf.
Toch heeft het gerecht in de Verenigde Staten beslist om
Microsoft te veroordelen omwille van monopolie-praktijken.
Een aantal van de voorgestelde strafmaten zijn echter oneerlijk ten
opzichte van Microsoft en bovendien volledig inefficiënt:
- het heeft geen zin dat Microsoft boetes betaalt, want die
betalen de consumenten uiteindelijk toch zelf terug, aangezien ze toch
niet bij een concurrent terecht kunnen.
- het heeft geen zin dat Microsoft (een deel van) zijn code laat
inkijken door concurrenten, want het eigenlijke probleem situeert zich
op het vlak van de bestandsformaten die Microsoft nog altijd
eigenhandig definiëert en geheim houdt.
- het heeft geen zin om Microsoft op te splitsen, want het
probleem van de gesloten bestandsformaten blijft.
Een mogelijke oplossing die op termijn de ICT-markt zijn gezond
concurrentieel karakter kan teruggeven is dat consumenten echt
open standaarden voor bestandsformaten eisen. Als,
bijvoorbeeld, de Amerikaanse en Europese overheden wetten goedkeuren
die het verplicht maken dat alle elektronische communicatie met
en door overheden uitlsuitend moet gebeuren met zulke open
bestandsformaten, dan spelen alle producenten met gelijke wapens en
kansen, want hun producten worden uitwisselbaar. De meest succesvolle
speler zal dan niet die zijn die het bestandsformaat controleert, maar
diegene die het meeste waar voor zijn geld geeft op het gebied van de
software die de informatie in die bestandsformaten verwerkt. En er
zullen ook producenten komen van ``lichtgewicht'' versies van de grote
software-pakketten, voor gebruikers die niets meer nodig hebben, en om
leerlingen op een pedagogisch verantwoorde wijze te laten kennis maken
met ICT. Nu worden ze gedwongen om vanaf hun prilste stappen gebruik
te maken van dezelfde software die ook de vergevorderde professionele
gebruiker bezigt. Stel u voor dat we hetzelfde zouden toepassen op
andere onderwijs-activiteiten: onze eerste stapjes Frans met behulp
van de Larousse Encyclopédie; onze eerste meetkunde uit een handboek
dat ook de relativiteitstheorie van Einstein uit de doeken doet; enz.
Dat hogervermelde soort oplossingen niet voorkomt in de Amerikaanse en
Europese anti-monopolie-onderzoeken wijst eens te meer op het gebrek
aan inzicht van de beleidsmensen als het aankomt op het begrijpen van
het fundamentele onderscheid tussen software en bestandsformaten.
3 ICT-eindtermen
De invulling en de motivering van een lijst van vereiste
ICT-vaardigheden is één van de zaken waarbij onderwijs-ministeries
wereldwijd erg in gebreke blijven. Wat zijn de basis
ICT-vaardigheden? Onder welke vorm moeten we die aanbrengen? Is er
nood aan een apart vak ICT, of integreren we ICT beter in de
reeds bestaande vakken? Is er nood aan aparte, specifieke PC-klassen,
of is het beter om een beperkt aantal PCs in alle klassen ter
beschikking te hebben? ...
Deze sectie gaat dieper in op een aantal van deze vragen, niet in de
eerste plaats om een ondubbelzinnig antwoord te formuleren, maar
eerder om een aantal aspecten te belichten en te beargumenteren die
zelden terug te vinden zijn in de huidige beleidsdiscussies.
De kwaliteitsnormen die vanzelfsprekend zijn bij de opleiding in de
``klassieke'' vakken (talen, wiskunde, natuurkunde, geschiedenis, biologie,
enz.) blijken om één of andere reden sterk afgezwakt te worden wanneer
het over ICT gaat. Bij het aanleren van zowel de moedertaal als vreemde
talen vindt iedereen het normaal dat de leerlingen niet alleen leren lezen,
maar ook leren schrijven, dat ze in staat zijn een creatief en samenhangend
opstel te produceren, dat ze een kritische evaluatie van teksten aankunnen,
en dat ze zelfs ``dode'' talen zoals Latijn en Grieks bestuderen.
Niettegenstaande het feit dat de overgrote meerderheid later enkel maar
``gebruiker'' van teksten zal worden, en zeker niet zelf creatief met (dode
en levende) taal zal omgaan. Voor de wetenschappelijke vakken vindt men het
normaal dat leerlingen stellingen leren bewijzen, dat ze vraagstukken
oplossen, dat ze de opbouw en werking van de levende en levensloze
materie begrijpen. Ook al zullen de meesten onder hen enkel
``gebruikers'' van wetenschap worden, d.w.z., kopers van moderne
consumptie-artikelen die steeds meer en meer technische kennis en
vaardigheden vereisen om goed gebruikt te kunnen worden. Voor wat
betreft auto's en wasmachines is de doorsnee consument al een hele
tijd over deze vaardigheids-kloof heen, maar wat ICT gebruik betreft
is die kloof nog erg groot.
Dezelfde ``creatieve'' inspanningen die in de vorige paragraaf werden
vermeld verwacht men dan plotseling weer niet
meer wanneer het gaat over die o zo belangrijke nieuwe vaardigheid: het
vlot gebruik van computers in steeds meer facetten van het dagelijkse leven.
Neem een willekeurig staal uit de computer-opleidingen die aangeboden
worden aan de meerderheid van scholieren, studenten en werknemers. Deze
opleidingen bestaan, bijna zonder uitzondering, uit niets méér dan een
inleiding tot het gebruik van commerciële software-pakketten die de
volgende problemen behandelen: tekstverwerking, rekenblad, vullen van
websites, communicatie via Internet. Deze software komt bovendien bijna
zonder uitzondering van éénzelfde leverancier, met name Microsoft. De
nadruk van deze ``opleiding'' ligt op het ``gebruik'', en in de praktijk
dan nog uitsluitend op het gebruik van de Microsoft producten. Dit
veroorzaakt een onnatuurlijke en ongezonde schraalheid en monocultuur in
het ICT-landschap.
Hoe de gebruikte software in elkaar steekt, wat het verschil uitmaakt
tussen goede of slechte software, wat de algemene kenmerken zijn van het
eigenijke probleem dat de software helpt oplossen, hoe men zelf tot het
schrijven van degelijke software kan komen, hoe de producten van Microsoft
de vergelijking kunnen doorstaan met gelijkaardige producten van andere
aanbieders, ..., dat alles laat men zonder nadenken aan de
``specialisten'' over. Dat beschouwt men als te veeleisend, als te
vergezocht, want ``de bedrijfswereld vraagt daar toch niet om.'' Een
ander citaat waarachter men zich vaak verschuilt is het volgende: ``de
huidige software is zo gebruiksvriendelijk dat we ons dus de moeite
kunnen besparen om te leren hoe ICT en software nu eigenlijk
echt in mekaar steken.'' De negatieve effecten van deze
lakse ingesteldheid komen later nog aan bod,
maar de hogervermelde parallellen met klassieke leerprogramma's maken
duidelijk dat de ``eindtermen ICT'' tegen deze louter op gebruik gerichte
trend moeten ingaan, en een minimum aan op inzicht-gerichte
opleiding moeten voorzien. Een ICT-opleiding mag immers niet verengd worden
tot een gebruikerscursus voor MS Office. Net zoals een
automechanica-opleiding veel méér moet zijn dan een studie van de
auto's van, pakweg, General Motors. Net zoals
literatuurgeschiedenis méér moet omvatten dan een begeleide lezing van
enkel de werken van Claus. Net zoals de lessen lichamelijke opleiding
méér moeten zijn dan alleen maar voetbaltrainingen. Net zoals ..., u
vult verder zelf maar in.
Tenslotte is ook de pedagogische aanpak van ICT in vele opleidingen (ook
buiten de schoolmuren!) nog in een ander bedje ziek: de opleidingen
zijn proceduraal gericht, dit wil zeggen, men vertrekt van een
gegeven software-pakket (de ``oplossing'') en legt dan zoals in een
keukengerecht stap voor stap uit
hoe de functionaliteit van dat pakket aangesproken moet worden. Terwijl men
beter een object-georiënteerde aanpak zou volgen: het
uitgangspunt is een concrete vraagstelling waarvoor men een
software-oplossing zoekt.
Proceduraal en
object-georiënteerd zijn twee termen uit de programmeerwereld: de
klassieke, procedurale manier van programmeren vertrekt van een hoop
beschikbare software-functies die de programmeurs bij elkaar brengen om
daarmee hun ``recept,'' t.t.z., hun programma, klaar te maken. De
object-georiënteerd aanpak is van recentere datum, en vertrekt van de
verschillende ``objecten'' die in het probleem voorkomen, en van de
functionaliteiten die die objecten bezitten en waarop andere objecten
kunnen beroep doen door ``boodschappen'' uit te wisselen; programmeren komt
daarna neer op het sturen van de juiste boodschappen aan de juiste
objecten. Deze object-georiënteerd aanpak wordt nu algemeen beschouwd als
de betere, omdat (i) het ontwerp van de software veel getrouwer het
werkelijke probleem beschrijft, en (ii) het daarom ook eenvoudiger is om
naderhand aan te passen aan wijzigende omstandigheden en/of noden.
Een voorbeeld van het verschil tussen proceduraal en
object-georiënteerde didactiek is de discussie over wat de
typografische vereisten en conventies zijn waaraan een tekst moet
voldoen om goed leesbaar te zijn? Rekening houdend met de moderne
realiteit dat die tekst zowel op papier als op het Internet zal
gelezen worden. De procedurale methode begint met het openen van
Word, en met te zeggen welke knopjes moeten geklikt worden om een stuk
tekst in vette font en grootte 14 punt te krijgen. De
object-georiënteerde methode begint met uit te leggen wat de
eigenschappen van het object ``tekst'' zijn: wat is een boek,
een artikel, een brief? Waarom gebruikt men onderverdelingen van de
tekst, en welke stijl gebruikt men daarbij? Enzovoort. Men legt
pas daarna uit hoe deze vereisten kunnen gerealiseerd worden in
software pakketten, en hoe verschillende alternatieven andere
aanpakken en/of nuances aanbieden.
Omdat de object-georiënteerde aanpak uitgaat van de concrete
werkelijkheid buiten de ICT en de software ``modelleert'' naar die
werkelijkheid, vermijdt men twee vaak voorkomende problemen: (i) het
evalueren van software-pakketten louter en alleen op het aantal
``features'' dat de nieuwste versie aanbiedt, en (ii) de negatieve reacties
in de aard van ``Toch weer niet opnieuw iets nieuws leren, zeker?''
wanneer men scholieren (of leerkrachten) wijst op de voordelen van andere
software-pakketten dan degene die ze tot hiertoe gebruiken.
Een ander ``object'' dat van groot belang is in een algemene
opleiding is het probleemoplossend denken. Vertrekkende van een
probleem werkt men naar een oplossing voor dat probleem toe, en bij
het oplossen botst men dan vanzelf op vaardigheden of kennis die men
moet verwerven om de oplossing te kunnen uitwerken. Vanzelfsprekend
worden ICT-hulpmiddelen meer en meer ingeschakeld om deze weg af te
leggen. De leerkracht moet er wel op toezien dat de leerlingen op een
kritische manier de meest geschikte ICT-hulpmiddellen kunnen
kiezen voor het specifieke probleem. Al te veel wordt telkens
hetzelfde ICT hulpmiddel gekozen om alle problemen mee op te lossen
(bijvoorbeeld Excel en Word), omdat men in de huidige
Windows-monocultuur geen weet heeft van alternatieven.
4 Suggesties voor het aanbrengen van ICT
Deze sectie bespreekt een aantal suggesties (voor leerkrachten en
ouders) om in de ``normale'' opleiding ICT aan bod te laten komen,
rekening houdende met de problemen aangehaald in de vorige secties, en
vertrekkende vanuit de vertrouwde, computer-loze leefwereld. Het gaat
hem hier dus niet over voor- en nadelen van specifieke
software-pakketten. De discussie in deze sectie overstijgt trouwens
de discussie over welke software al dan niet in het onderwijs moet
gebruikt worden.
De bedoeling is om de scherpe grenzen die nu nog
gevoeld worden tussen ICT enerzijds en de klassieke schoolvakken
anderzijds te laten verdwijnen. En dan spreken we niet alleen over het
geïntegreerd gebruik van ICT in alle vakken, maar ook over het
verdwijnen van het gevoel dat computers speciale, onbegrijpelijke
dingen zijn voor de gewone ouders, leerkrachten en leerlingen. Dit
gevoel verdwijnt enkel door de leerlingen een minimum aan inzicht te
verschaffen in de ietwat meer technische aspecten van computers,
communicatie en informatie. Net zoals we tegenwoordig geen schrik meer
hebben van auto's of wasmachines, omdat we allemaal wel ongeveer weten
hoe zulke dingen in elkaar steken.
De voorgestelde suggesties zijn onderverdeeld in modules, die
telkens starten op basis van een verhaal rond vertrouwde
begrippen en situaties uit de maatschappij. Hetzelfde verhaal kan
gedurende de hele schoolloopbaan meerdere keren hernomen worden, met
telkens meer diepgang en andere accenten. Het doel van de verhalende
aanpak van elke module is om het corresponderende ICT-concept
te demystifiëren, door het blootleggen van de
analogieën met vertrouwde dagdagelijkse activiteiten. De moraal
van elk verhaal is dus dat ICT helemaal geen mysterieuze technologie
hoeft te zijn die verborgen blijft in het on(be)grijpbare inwendige
van een software pakket, maar dat het niet meer is dan een door mensen
gemaakte, vereenvoudigde afbeelding van hoe zij al eeuwenlang hun
samenlevingen organiseren.
De hieronder behandelde onderwerpen kunnen op het eerste zicht hoog
gegrepen lijken, maar toch vragen ze (door de sterke overeenkomsten met
bestaande maatschappelijke gebruiken of organisaties) beduidend minder
intellectuele inspanningen dan het begrijpen van hoe, bijvoorbeeld, de
tabel van Mendeljev in elkaar steekt, of hoe de passé composé moet
worden gebruikt, of hoe de stofwisseling van mens en dier werkt, of hoe je
een eenvoudige draaibank moet gebruiken, ...
De leerkracht toont de kinderen alle mogelijke informatie-media: boeken,
kranten, televisie, radio, bibliotheken, archieven, Internet, ... en
vertelt over hoe ze tot stand komen, over hoe ze gebruikt worden, over hoe
ze elkaar overlappen en aanvullen.
Reeds vanaf de kleuterschool komen veel kinderen op vanzelfsprekende wijze
in contact met de computer als informatie-drager: ze spelen spelletjes van
een CD-ROM, ze zoeken onder begeleiding naar prentjes of verhaaltjes op het
Internet, ze kleuren of tekenen zelf met eenvoudige grafische
programmaatjes. Daarnaast hebben ze ook ervaring met de meeste andere
klassieke media. De essentie van de opleiding in dit gedeelte
``Computer-gewenning'' is dat de leerkracht de leerlingen (regelmatig
maar terloops) attent maakt op de verschillen en
overeenkomsten tussen het computermedium en de klassieke media:
- computer-programma's en klassieke media hebben een hoge
productie-kost, en worden daarna in grote hoeveelheden van identieke
copies verspreid. De gebruiks-kosten (na aankoop, en met
uitzondering van de licentiekosten) zijn laag; de mogelijkheden tot
individualisering eveneens.
- elektronische informatie verspreid via het Internet heeft een veel
lagere productie-kost: maak zelf eens een eenvoudige webpagina voor een
klasproject, en merk hoe snel en met hoe weinig middelen dit kan.
(Je hebt inderdaad geen FrontPage nodig om een webpagina te
maken!) Maar ze hebben wel een hogere gebruiks-kost: niet alleen in
geld (kosten van de telefoon- of kabelcommunicatie), maar ook in tijd (het
kan lang duren vooraleer je de gewenste informatie opgeladen hebt, of
vooraleer je in de Internet-hooiberg precies gevonden hebt wat je zoekt).
- het is contra-productief om de Internet-informatie in een strikt
grafische opmaak aan te bieden: zware grafische inhoud verhoogt
sterk de ophaalkost, en je moet ermee rekening houden dat verschillende
lezers verschillende groottes en verschillende capaciteiten van scherm
hebben. Nochtans bezondigen heel veel aanbieders zich aan overdadige
opmaak, en krijg je draken van webpagina's die bovendien nog trots
lijken te zijn op hun ontoegankelijkheid door een label ``Best
bekeken met browser XYZ op een resolutie van xyz
abc'' te dragen!
De leerkracht toont voorbeelden van een goed ontworpen webstek:
d.w.z., één die snel oplaadt; die zich aanpast aan verschillende
schermgroottes zodat delen van de pagina niet langs links of rechts uit
het beeld vallen; die geen beroep doet op ``plug-ins'' tenzij die echte
toegevoegde waarde bieden;
die navigatie toelaat op basis van tekst en dus niet
met alleen icoontjes, zodat ook blinden, slechtzienden en
motorisch-belemmerden de inhoud kunnen ``lezen'' en kunnen navigeren;
die een identificatie en een contact-adres bevat van de producent van, en
de verantwoordelijke voor, de informatie; die een consistente
huisstijl heeft wat het terugvinden van informatie op
verschillende pagina's van de webstek vergemakkelijkt; die een datum
van aanmaak draagt, en een vermelding van gebruikte bronnen; en
waarvan de makers beseffen dat bezoekers terugkomen voor de
inhoud en niet voor de prentjes.
Soms kan de aanbieder van informatie echter wel gegronde redenen hebben om
die informatie wel in een nauwkeurig geformatteerde opmaak te verspreiden;
bijvoorbeeld, bedrijven hebben vaak een specifieke ``huissstijl'' die hun
herkenbaarheid vergroot.
In dat geval is het best om die informatie te stockeren in een formaat dat
die specifieke opmaak garandeert, en dat toch door iedereen te gebruiken
is. Bijvoorbeeld, GIF of PNG bitmaps, of het PDF
pagina-opmaak-formaat.
- stel je in de plaats van een blinde, en ga eens na hoe moeilijk de
toegang wordt tot al die programma's die alleen maar een
``gebruiksvriendelijke'' grafische interface ter beschikking stellen, of
overvloedig gebruik maken van scripts om te navigeren. Zonder visueel
houvast is het namelijk uiterst moeilijk om de weg te vinden op zo'n
webpagina of programma-interface... En maak van de gelegenheid
gebruik om een discussie op te zetten over hoe succesvol de
computer-evolutie al dan niet geweest is om zwakke minderheden beter
in de maatschappij te integreren.
- computer-programma's laten in principe interactie toe. De
leerkracht toont voorbeelden van interactieve programma's (bijvoorbeeld,
het klassieke memorie-spelletje, in computervorm) en webstekken (invullen
van een elektronisch formulier om iets te bestellen, of meer uitleg vragen
via het email-adres dat op de webpagina staat).
- de principes van het opmaken van een tekst of brochure zijn
vrij gelijk. In de loop der beschaving zijn een aantal typografische
tradities gegroeid, die de essentie van een goed gestructureerde tekst
vertalen in grafische opmaak-principes. Vergelijk eens een aantal boeken en
zie hoe zij hoofdstukken, secties, opsommingen, bibliografieën,
enzovoort, aanduiden. Die tradities helpen de lezer om de structuur
van de informatie in een oogopslag duidelijk te maken. Dit laatste lukt
natuurlijk alleen maar optimaal wanneer die typografische technieken op een
consistente wijze gebruikt worden. Dit is zelden het geval wanneer
men de leerlingen zonder goede voorbeelden hun tekstverwerker laat
misbruiken! En nog minder bij zovele chaotische, met reklame, bewegende
beelden en talloze rubrieken overladen ``webportals''.
De ervaring leert dat slechts een zeer kleine minderheid van de
leerkrachten zich van deze problematiek bewust is, en dus voor de nodige
begeleiding kan zorgen.
- het is niet omdat iets op papier gedrukt staat, of op het Internet
gepubliceerd is, dat men het kritiekloos moet aanvaarden als de grote
waarheid. Een groot deel van wat in druk of op het scherm verschijnt
verdient het trouwens niet om ``informatie'' te worden genoemd. In
klassieke media (met inbegrip van de uitgaven op CDROM) handelen uitgevers
en redacties als filter, en hebben vaak daardoor een specifieke
kwaliteits-reputatie opgebouwd; in de Internet-wereld zijn er nog weinig
``uitgevers'' die zo'n kwaliteits-label verdiend hebben.
Discussieer met de leerlingen over de kwaliteit van de
informatie die ze eventueel zelf op hun school-webpagina plaatsen.
- sommige informatie veroudert (bijvoorbeeld, project-informatie op een
school-webstek), andere is ``eeuwig'' geldig (bijvoorbeeld, een
interactieve rekensommen-trainer). Sommige informatie is via verschillende
bronnen beschikbaar (bijvoorbeeld, nieuwsberichten), andere heeft een
exclusieve of streng gecontroleerde oorsprong (bijvoorbeeld, technische
informatie over een bepaald product).
Deze ICT-gewenning is reeds mogelijk vanaf de kleuterklas: zelfs al kunnen
kleuters niet lezen, ze herkennen wel de titel van een krant; ze weten wanneer
het over reklame gaat of wanneer het ``echte'' informatie is; ze kunnen
verbazend kritisch kiezen tussen ``begrijpelijke'' en ``onbegrijpelijke''
webpagina's; ze staan er niet van versteld dat computers ook langs de
telefoon met elkaar kunnen praten; ze zien het kwaliteitsverschil tussen
een mooie afdruk in een boek en een prentje op het computerscherm dat
gemaakt is door een amateur; enzovoort.
Het is zinvol om reeds aan kleuters te tonen dat ze niet alleen
passieve gebruikers moeten blijven van wat anderen op CD-ROM of op
het Internet aanbieden, maar dat ze ook ``informatie'' kunnen
creëren. Er bestaan eenvoudige, webgebaseerde programma's die
toelaten dat ze met elkaar ``communiceren'' van de ene hoek (of klas) naar
de andere, door tekeningen door te sturen of ze gezamenlijk aan te maken
vanop verschillende computers.
Voor wat hogere klassen loont het de moeite om eens samen een webpagina aan
te maken. Niet alleen met een grafische HTML-editor, maar zeker en vast ook
eens door de HTML-codes manueel in een bestand in te tikken. Hiermee toon
je de kinderen de essentie van het World Wide Web, en verdwijnt de
``magie'': ze zien dat de mens de computer één voor één
zeer eenvoudige bevelen geeft, en dat het resultaat daarvan toch
``magisch'' en complex kan zijn.
De ICT-maatschappij is veel meer een informatie-maatschappij dan
een software-pakket-maatschappij. Laat dus de kinderen al vroeg
spelenderwijs kennis maken met de beginselen van een gegevensbank
(de opslagplaatsen van informatie) door hen, bijvoorbeeld, via een
web-interface in zo'n gegevensbank te laten ingeven welke projecten ze
reeds gedaan hebben, of welke er nog op stapel staan. Idem dito wat de
kennismaking met ``e-commerce'' betreft: geef ieder kind een aantal
``credits'' waarmee ze, bijvoorbeeld, speeltijd op de computer kunnen
``kopen.'' Maak van de gelegenheid gebruik om de verschillen uit te leggen
tussen de winkel-op-de-hoek, de supermarkt, en de Internet-winkel.
De ICT-maatschappij is ook bij uitstek een
communicatie-maatschappij. Maak de leerlingen duidelijk dat het
gebruik van standaarden de communicatie-mogelijkheden van iedereen
bevorderen. Wijs op de gevaren van monopolies op communicatie- en
informatie-protocols: als een bedrijf al zijn computer informatie en
communicatie afhandelt via bestandsformaten en uitwisselingsprotocols die
slechts door één enkele producent ondersteund worden, dan stelt het
zich bloot aan problemen zoals volledige afhankelijkheid van die ene
producent, onzekerheid over de beveiligingskwaliteit en de levensduur
van de software, en problemen om gegevens uit te wisselen met anderen.
Tenslotte illustreert niets beter de ``C'' uit ``ICT'' dan de leerlingen te
laten emailen of chatten met één van de ouders die zich tijdens de
schooltijd op het werk of thuis bevindt. (De uitleg over hoe de
communicatie via telefoon en kabel eigenlijk werkt maakt deel uit van een
andere module.)
Vertel over hoe grote menselijke organisaties en samenwerkings-structuren
functioneren, zoals: een fabriek, een overheidsadminstratie, een school, de
post, of de spoorwegen. Laat zien hoe elk van hen bestaat uit een
``geheugen'' (magazijn, archief, bibliotheek, ...), waaruit de
medewerkers informatie of materiaal halen, dat ze bewerken volgens
beschikbare ``programma's'', die elk bestaan uit (talloze) kleine
acties van individuele mensen, die elkaars activiteiten onderling
aanvullen, gebruiken en synchroniseren.
De analogie met een computer is vrij duidelijk: de CPU (processor) doet het
werk, verdeeld over talloze taken die hun informatie (gegevens
zowel als instructies) uit het computer-geheugen halen en de resultaten
ervan terug in dat geheugen opslaan, of doorsturen naar andere media
(scherm, printer, communicatie-lijn, ...).
De leerkracht gebruikt het bovenstaande vergelijkingskader om, wanneer
de gelegenheid zich voordoet, de volgende vragen te beantwoorden, of te
laten onderzoeken in een begeleid project-werk:
- Welke verschillende programma's heeft iedere moderne computer ter
beschikking om al de diensten te leveren die de gebruiker van hem verwacht?
Laat ze hierbij namen gebruiken die ze ook kennen uit de echte wereld:
politie-agent, bakker, schrijver, ...
- Welke dingen kan je nu nog niet van een computer verwachten,
terwijl die voor de mens vanzelfsprekend zijn? En waarom is dat zo?
Discussieer over het concept ``intentie.'' En over hoe mensen kunnen
uitmaken wat de intenties van hun medemensen zijn, en hoe men die
tracht af te leiden uit de interpretatie van hun daden.
- Wat gebeurt er nu precies ``achter de schermen'' als je in je
grafische bureablad op het icoontje klikt om een elektronische
boodschap te versturen?
Vergelijk dit met wat Oom Karel zal doen als je hem vraagt om je
pasgeschreven brief mee te nemen naar de post. En wat de posterijen er
dan mee zullen aanvangen.
- Wat is eigenlijk het verschil tussen een toepassingsprogramma en
het besturingssysteem van de computer? Hoe werkt de koppeling tussen de
computer en een randapparaat zoals een scanner of een printer?
Vergelijk dit met de arbeider en de bediende van een bedrijf. Met de
wetgevende, uitvoerende en rechterlijke machten in het bestuur van een
land.
- Wat zijn ``ingebedde'' computers? En waar kom je die (vaak goed
verstopt) tegen in het dagelijkse leven (GSM, bankkaart, microgolfoven,
fototoestel, auto, ...)?
Maak duidelijk dat de PC-computer een hele hoop eigenschappen
niet heeft, die ingebedde computers wel hebben: zuinig met
energie; dadelijk klaar om nuttige dingen te doen als je ze opzet;
onhoorbaar en onzichtbaar; enz.
- Bespreek de ``bureaublad metafoor'': de meeste grafische
interfaces willen zich voordoen als een bureaublad, waar de gebruikers
hun documenten en programma's op plaatsen. Bekijk eens de zaken die
jullie in de klas gebruiken, en bespreek of en hoe die geschikt zijn
om op een computer-bureaublad te plaatsen. Vergelijk de
bureaublad-aanpak met de toegang via bevelen in een tekstconsole.
Stel je eens voor hoe kassa-personeel in de supermarkt op een snelle
manier de prijzen van alle mogelijke producten zou moeten ingeven
indien ze enkel over een bureaublad-interface zouden beschikken.
Bekijk eens hoe de bediende achter het spoorwegloket je ticket
uitschrijft.
In deze context is het opportuun om het verschil tussen
``instapvriendelijk'' en ``leervriendelijk'' te bespreken.
Dezelfde vragen komen doorheen de hele schoolloopbaan terug, met aangepaste
diepgang. Het minimum resultaat moet uiteindelijk zijn: dat de leerlingen
zich een gefundeerde mening kunnen vormen over wat ze van een computer al
dan niet mogen verwachten, en over wat er mis zou kunnen zijn met hun
computer of netwerk in geval van problemen of pannes; dat ze in staat zijn
de marketing propaganda van software-firma's met een kritisch oog te
analyseren als die hen fantastische ``nieuwe'' features beloven; dat
ze met zelfvertrouwen kunnen discussiëren met verkopers die hen
nieuwe software, onderhoudscontracten of apparatuur willen aansmeren.
Eigenlijk moet dit deel van de opleiding ervoor zorgen dat de volgende
generaties zich even vertrouwd voelen bij ICT als wij nu bij de auto,
de televisie en de wasmachine.
Vertel over de talloze verschillende manieren waarop mensen met elkaar
communiceren, en informatie uitwisselen. Ga na waarom zakelijke en
administratieve communicatie zo verschilt van de gewone omgangstaal.
Waarom ouders anders praten tegen hun kleine kinderen dan tegen
elkaar.
- Bespreek de verschillende soorten informatie die via een browser
beschikbaar zijn. Wat is informatie eigenlijk?
Waarom is een gegeven wel informatie voor persoon A, maar niet voor
persoon B? De waarde van informatie heeft immers veel te maken met wat
de ontvanger reeds weet.
- Wat is het verband tussen informatie en
communicatie? Hoe komt het dat men op ontvangst van dezelfde
informatie (bijvoorbeeld, ``Het regent.'') heel anders reageert in
verschillende contexten?
Probeer eens op te sommen welke context (``achtergrond-informatie'')
men bij een menselijke uitwisseling van informatie eigenlijk allemaal
wel niet gebruikt. Vergelijk dat dan eens met wat je in een
computer-programma allemaal zou moeten programmeren opdat het juist
zou reageren op de informatie dat het regent?
Maak van de gelegenheid gebruik om na te denken over: demagogisch
gebruik van informatie en communicatie; hoe marketing mensen,
diplomaten en politici omgaan met communicatie; hoe invloedrijk de
media zijn als ze beslissen om over een bepaald onderwerp al dan niet
verslag uit te brengen.
- Bekijk eens de http-adressen van al de verschillende
bronnen die je op Internet vindt, en bespreek hoe je hieruit al het
één en het ander kan afleiden uit de te verwachten ``kwaliteit''
van de informatie. Knoop hier natuurlijk onmiddellijk de discussie
aan vast dat de afkomst van informatie geen absoluut
waarde-vooroordeel mag inhouden.
Maak van de gelegenheid gebruik om het begrip ``vooroordeel'' eens te
bekijken in de context van informatie en communicatie.
- Bespreek het verschil in communicatie tussen chatten,
telefoneren, SMS-en, een web-pagina aanmaken, emailen en samen een
artikel schrijven voor de krant.
Wat lijkt het meest op: een postkaart? een brief? een krant? een
radio? geheimschrift?
Welke vorm van communicatie vereist het meeste zorg? Waarom? Welke
communicatie kan je nog ongedaan maken en welke niet?
- Bespreek de beveiliging van deze verschillende soorten
communicatie: afluisteren; zich voordoen voor iemand anders dan je
bent; aanpassen van andermans informatie, enz.
Leerlingen moeten leren nadenken over wat informatie en
communicatie eigenlijk inhouden; over de verschillende manieren
waarop mensen met elkaar en met machines communiceren; over het
verschil tussen de inhoud en de vorm van een boodschap;
over het feit dat het doorsturen van meer en meer gegevens niet
per sé betekent dat je ook meer informatie uitwisselt. Deze
kritische reflecties hoeven natuurlijk niet enkel binnen het
enge kader van een informatica-les aan bod te komen, aangezien het
thema veel universeler is.
Vertel over de communicatie-technologie waarover wij nu
beschikken, en die van onze grootouders, de aboriginals, de
treinmaatschappijen in de 19de eeuwse ``Far West'', of de Egyptenaren.
Belangrijk is dat de leerkracht duidelijk het onderscheid maakt tussen de
twee basiscomponenten van communicatie: (i) een drager en (ii) een
protocol. De drager kan zijn: papier; elektrisch geleidende draad
(telegrafie, telefonie); licht (verkeerssignalisatie, de semaforen
langsheen de treinrails, de vlaggen van een schip, ...); bolletjes en
gaatjes (Braille-schrift, CD-ROM, ...); enzovoort. Het
communicatie-protocol kan zijn: een alfabet, met woorden en syntax voor
elke taal; grafische symbolen; ... En informatie kan slechts echt
worden overgedragen van de ene partij naar de andere indien beide dezelfde
drager gebruiken en hetzelfde protocol verstaan.
De communicatie tussen computers verloopt volgens exact hetzelfde stramien.
De informatie-dragers zijn digitaal (d.w.z., gebruiken enkel
``bolletjes'' en ``putjes'' (of eentjes en nulletjes) als ``alfabet''), en
er zijn honderden, zoniet duizenden communicatie-protocols, in de vorm van
programmeertalen (zoals C, Perl, of Java), of informatie-beschrijvingstalen
(zoals de webpagina-taal HTML, of de gegevensbank-taal SQL). De volgende
topics kunnen op basis van dit eenvoudige maar universeel geldende
communicatie-kader aan bod komen:
- het enige verschil tussen mensen die met elkaar praten via de GSM,
en de communicatie tussen computers op een netwerk,
is dat de eerste vorm van communicatie gebruik maakt van radio-golven als
drager, en de laatste (meestal) van elektrische kabels. Eigenlijk is daar
weinig of geen verschil tussen, en dus is er geen enkel technisch probleem
om ook computers via telefoon of GSM met elkaar te verbinden. GSM
telefoons zijn trouwens nu al krachtige computers die met elkaar
``praten''.
- computers van verschillende merken, en van zeer uiteenlopende
grootte, kunnen met elkaar boodschappen uitwisselen, indien ze met
dezelfde soort drager (kabel) kunnen verbonden worden, en indien ze
hetzelfde communicatie-protocol gebruiken.
- voor de meest uiteenlopende domeinen bestaan er standaard
communicatie-protocols: HTML voor webpagina's; LDAP,
XML en SQL voor gegevens-``banken''; ASCII en
UNICODE voor tekst; SGML en LATEX voor gestructureerde
documenten; SVG, GIF, PNG, JPEG, ... voor grafische informatie; MPEG voor video en audio;
IMAP, SMPT, ... voor email; enzovoort. Al de genoemde
standaarden verdienen het om inderdaad ``standaard'' genoemd te worden,
omdat: (i) ze ontworpen zijn na overleg door verschillende
onafhankelijke partijen; (ii) hun specificaties zijn volledig
gedocumenteerd; en (iii) deze specificaties zijn voor iedereen
toegankelijk. Veel zogenaamde ``de facto standaarden''
voldoen niet aan deze voorwaarden: Word, PowerPoint, of WordPerfect
documenten; de programmeer-instructies aangeboden door het Windows
besturingssysteem; de SAP bedrijfsadministratie-protocols; een MacroMedia
Flash of RealAudio multimedia fragment; enzovoort. Deze ``standaarden''
worden door één enkel bedrijf beheerd, en deze bedrijven gebruiken vaak
deze macht om gebruikers te verplichten om nieuwe versies van hun software
aan te kopen.
- Hoe komt het dat je ook kan telefoneren en video-conferenties
organiseren via het Internet? Omdat er voor beide toepassingen
communicatie-protocols bestaan, en omdat spraak en beeld kunnen
gedigitaliseerd worden.
- Het is best mogelijk dat twee computers met elkaar gegevens
kunnen uitwisselen, maar dat ze niet zomaar elkaars programma's
kunnen uitvoeren. De reden hiervoor is dat een programma bestaat uit een
opeenvolging van instructies voor de processor van de computer; indien
beide computers met verschillend processoren werken, dan is het niet
verwonderlijk dat een instructie voor de ene processor niets betekent voor
de andere processor. Maar dan nog kan op beide hetzelfde
communicatie-protocol geprogrammeerd worden, zodat communicatie wel
mogelijk is.
- Dezelfde informatie kan uitgewisseld worden via een verschillend
protocol. Vaak zijn de bestanden die dezelfde informatie coderen
volgens verschillende protocols van erg uiteenlopende grootte: een
ASCII bestand met de woorden ``Hello world'' is 12 bytes
groot, terwijl een Word document met dezelfde inhoud verschillende
duizenden bytes groot kan zijn. Om ``files'' op het Internet te
vermijden kies je dus best geen Word om je informatie in door te
sturen! (Het feit dat Word helemaal geen standaard is is natuurlijk
nog meer een reden om dit niet te doen.)
- als je met verschillende mensen vanop afstand en via de computer
aan hetzelfde project wil werken, moet je niet alleen beschikken over een
gemeenschappelijk communicatie-standaard (drager plus protocol), maar ook
over software die de informatie bij alle deelnemers consistent en
gesynchroniseerd houdt. Dat betekent dat wijzigingen die door de
eerste deelnemer worden aangebracht ook ter beschikking komen van de andere
deelnemers, en dat verschillende deelnemers tegelijk op hun lokale
kopie van de informatie mogen werken.
- wat zijn de voordelen van een netwerk van computers in
vergelijking met alleenstaande PCs? De opkomst van de Personal Computer
heeft zeker gezorgd voor een democratisering van het
computergebruik. Aan de andere kant heeft de PC evenzeer gezorgd voor de
individualisering ervan: ``Ik werk met mijn PC, en daarop
hebben anderen niks te zoeken'' is zowat het (onuitgesproken) motto van de
huidige computergebruiker geworden. Deze evolutie was misschien nog te
begrijpen tot voor enkele jaren, maar sindsdien is de technologie van
computernetwerken dermate geëvolueerd en goedkoper geworden dat het
concept van de ``persoonlijke computer'' meer nadelen dan voordelen heeft:
programma's installeren (en deftig onderhouden!) op elke PC is veel
tijdrovender dan een eenmalige installatie en een gecentraliseerd onderhoud
op een server; het is veel goedkoper en eenvoudiger om een krachtige
server te voorzien waaraan eenvoudige, goedkope clients hangen;
het is veel makkelijker om iedereen met dezelfde versie van een programma
te laten werken als je enkel het examplaar op de server moet upgraden;
in een echt netwerk speelt het geen rol aan welke computer je begint te
werken, omdat je overal over al je gegevens en configuraties beschikt;
enzovoort.
- als je in de klas aan je schoolwebpagina's werkt, denk er dan aan dat
de informatie erop door iedereen moet kunnen gelezen worden, ook
door mensen die op hun computer niet over de allerlaatste snufjes
beschikken, die een ander merk of versie van besturingssysteem
gebruiken, of die enkel over een trage en dure toegang tot het Internet
beschikken. Dit betekent dat je je aan de beschikbare standaarden
moet houden. Spijtig genoeg is het resultaat van de strijd tussen
voornamelijk de Microsoft Internet Explorer browser en de Netscape
Navigator browser geweest dat beide een hoop niet-standaard uitbreidingen
aan de open HTML-standaard hebben aangebracht. Dit mag je er
echter niet van weerhouden om wel uitsluitend standaard HTML te
gebruiken; de standaardisatie-organisatie voor Internet protocols, W3C,
biedt op haar webstek
www.w3c.org
een gratis controle aan op hoe goed jouw webpagina's de standaarden volgen.
- hoe komt het dat computers gekraakt kunnen worden? En wat kan je
daar als individu tegen doen? Het voordeel van communicatie-standaarden is
inderdaad dat je computers onderling met elkaar kunt laten ``praten''. Dit
voordeel is tegelijk echter ook het grootste nadeel: je eigen computer is
via die standaard communicatie-protocols ook bereikbaar voor mensen met
minder oprechte bedoelingen. De ``oplossing'' voor mogelijke
kraak-problemen is om je computer zo te (laten) configureren dat hij
slechts wil praten met andere computers die hij ``vertrouwt''. Dat
vertrouwen is gestoeld op het feit dat die andere computers de juiste
``wachtwoorden'' of ``encryptie-sleutels'' kunnen tonen. Dit soort
beveiliging is echter heel arbeidsintensief, en weinig scholen hebben
hiervoor de competentie in huis. Vandaar dat het absoluut aan te
raden is om geen enkele vertrouwelijke informatie (persoonlijke gegevens
van de scholieren of het personeel; uitslagen van toetsen;
loonadministratie; ...) op computers te bewaren die met het Internet
verbonden zijn; de extra moeite om gegevens naar en van die computer over
te brengen via bijvoorbeeld floppies weegt niet op tegen de mogelijke
beschadiging, vernietiging of wijziging van de vertrouwelijke gegevens!
- hoe zoek ik informatie op het Internet? En in de
plaatselijke bibliotheek! Het ergste wat je inderdaad kan doen als leraar
of ouder is laten uitschijnen dat je tegenwoordig enkel nog op Internet
nuttige informatie kan vinden. Snel is nog altijd niet
hetzelfde als degelijk!
- hoe reageer ik als consument op software bedrijven die beslissen om
hun producten niet te laten werken met internationaal aanvaarde
standaarden op het gebied van gegevensuitwisseling? Zelfs als relatief
onbelangrijke school-gebruiker moet je de reflex hebben om hiertegen te
reageren, door een boze brief of email naar de producent te sturen. Niet
alleen maken vele kleintjes één grote, maar bedrijven weten maar al te
goed (en zelfs veel beter dan de scholen zelf) hoe belangrijk de
onderwijs-wereld is voor hun bedrijf: scholieren gaan de producten die ze
in hun schooltijd hebben leren kennen en gebruiken automatisch ook in hun
latere beroepsleven willen gebruiken. Zonder overdrijving kan dus
gesteld worden dat de scholenkoepels en het Ministerie van Onderwijs de
meest invloedrijke ICT-beslissingsnemers van het land zijn!
Deze macht wordt nog veel te weinig gebruikt om producenten aan te
zetten tot betere, en beter toegangkelijke en uitwisselbare software...
Het resultaat van deze ``netwerk''-module moet zijn dat de leerlingen zich
bewust worden van zowel de mogelijkheden als de problemen van
computernetwerken. Dat ze beseffen wat de problemen zijn veroorzaakt door
de huidige trend om berichten of documenten naar elkaar te versturen in het
gesloten, niet-standaard formaat van de tekstverwerker van één
specifieke leverancier.
Laat de leerlingen uitleggen hoe ze een
video-recorder gebruiken, of een fiets, een telefoon, een wagen, een
uurregeling van de bus of trein, een microgolfoven, ... Ze zijn
met de meeste van deze dingen reeds meermaals in contact gekomen,
met producten van verschillende leveranciers, en in verschillende
uitvoeringen. Hoogstwaarschijnlijk gaan de leerlingen dus bij hun uitleg
zelfs geen merken van video-recorders, fietsen, wagens of treinen noemen,
om de eenvoudige reden dat ze, onbewust en door veelvuldig gebruik, in hun
geest een beeld hebben gevormd van hoe het bijhorende abstracte
object werkt.
De volgende paragrafen besteden aandacht aan de echt fundamentele
vaardigheden bij het gebruik van ICT. (De vorige secties
behandelden het begrijpen van ICT.) Deze
gebruikers-vaardigheden zijn fundamenteel omdat
- ze helpen om gelijk welke ICT activiteit beter en
sneller uit te voeren.
- ze in het huidige leerplan niet voorkomen, want de klassieke
vakken doen er weinig of geen beroep op.
- zowat alle in het onderwijs gebruikte programma's er alles aan
doen om er zo ``gebruiksvriendelijk'' mogelijk uit te zien, en daarbij
efficiënt en verstandig gebruik verwaarlozen.
De ICT-opleiding bij het gebruik van de meest courante
toepassingsprogramma's (email, browser, tekstverwerking, rekenblad,
gegevensbank) moet evolueren van de huidige procedurale aanpak
naar een object-georiënteerde aanpak. Dit wil zeggen dat
de basis ICT-vaardigheden niet mogen aangeleerd worden door de
leerlingen een bepaald pakket onder de neus te duwen en enkel uit te leggen
op welke knopjes ze moeten drukken om een bepaald resultaat te bekomen (dit
is de ``procedurale'' methode),
maar wel door hen eerst vertrouwd te maken met de ``objecten'' achter de
programma's. Al de andere pedagogische modules in dit artikel hebben
precies dit tot doel: ze behandelen een bepaald concept in een
object-georiënteerde, computer-onafhankelijke wijze
door de leerlingen te leren welke eigenschappen of functionaliteiten bij
dat concept horen, zonder in te gaan op hoe die concepten in
een bepaald software-programma geïmplementeerd zijn. Die software mag
trouwens pas tevoorschijn komen nadat in de lessen materiaal is
aangebracht dat nut kan hebben om met computer-hulp verwerkt te worden: een
opstel, de verwerking van meetgegevens van een natuurkunde-proef, het
bestellen van een boek, het opzoeken van de samenstelling van de huidige
regeringen, enzovoort.
Natuurlijk hebben vele leerlingen thuis reeds basis-programma's
``geleerd'', zij het meestal op de hogervermelde, verkeerde procedurale
wijze. Dit hoeft helemaal geen hinderpaal te vormen om hen de
object-georiënteerde aanpak alsnog toch aan te leren: laat deze meer
``ervaren'' leerlingen hetzelfde probleem eens aanpakken met drie of vier
verschillende programma's, om hen te confronteren met de beperkingen van de
procedurale methode. Tussen haakjes: als leerkrachten deze
vergelijkende methode als een overbelasting voor hun begeleiding
beschouwen, dan betekent dit dat ze zelf dringend nood hebben aan een meer
object-georiënteerde visie op ICT. Het positieve resultaat van een
vergelijking is net dat men een beter inzicht verwerft in wat
essentieel is en wat bijkomstig, en dus leidt het tot het
gemakkelijker begrijpen van nieuwe programma's en ICT-begrippen.
Het onderscheid kunnen maken tussen het ingeven van de inhoud
van een tekst aan de ene kant, en de opmaak ervan aan de andere
kant, is één van die fundamentele vaardigheden die zowat volledig
teloorgegaan zijn in de huidige ICT-wereld. Alle programma's met een
grafische gebruikersinterface mengen vorm en inhoud door elkaar, niet
alleen in hun uitzicht (d.w.z., de icoontjes op hun scherm) maar ook
in de bestandsformaten die ze gebruiken om de ingegeven informatie op
te slaan en uit te wisselen. Bijvoorbeeld: in Word vind je niet alleen
een knopje om een gemaakte selectie te markeren als een ``Titel,''
maar ook een knopje om de selectie weer te geven in een bepaalde
fontgrootte. De ``Titel'' is inhoudelijke informatie (het zegt wat de
bedoeling is van dit stukje tekst), maar de fontgrootte is pure
vorm (het zegt hoe het ding eruit moet zien).
De vermenging van vorm en inhoud maakt het enorm moeilijk om nuttig
gebruik te maken van de zonder twijfel meest nuttige
eigenschap van computers: de mogelijkheid om informatie te
hergebruiken voor andere doeleinden zonder ze opnieuw te moeten
ingeven. Die mogelijkheid wordt inderdaad door de meeste programma's
niet benut, omdat het onmogelijk is om vorm en inhoud terug te
scheiden nadat ze eenmaal in het programma opgeslagen zijn!
Een eenvoudig voorbeeldje uit de praktijk maakt dit snel duidelijk. De
secretaris van een bedrijf moet een jaarlijks verslag maken van de
activiteiten van het bedrijf, en vraagt aan al de betrokken
personeelsleden om hem een tekst te sturen met hun bijdragen. Ieder
van hen snelt naar een grafische tekstverwerker, en begint de
nuttige inhoud van zijn verslag in te tikken. Spijtig genoeg
gaat het mis bij de keuze van de vorm van de bijdragen:
de ene gebruikt een vet font van grootte 12 punts om een de titels van
zijn verschillende activiteiten aan te geven, en de andere gebruikt 14
punts en een cursief font. De secretaris kan niet anders dan al de
toegestuurde bijdragen manueel door te nemen, en te knippen en te
plakken naar een nieuw bestand, dat het uiteindelijke jaarverslag
bevat. Op deze wijze worden jaarlijks miljoenen werkuren en tonnen
papier verspild aan een activiteit zonder enige toegevoegde waarde.
Nochtans bestaat de technische mogelijkheid om automatisch zo'n
geïintegreerd verslag te maken, indien alle medewerkers zo
verstandig waren geweest om een ICT-tool te gebruiken dat toelaat (of
liever, dat dwingt) om vorm en inhoud te scheiden.
De essentie van een goed ICT-tool dat vorm en inhoud scheidt is dat
het bestandsformaat bestaat uit gewone leesbare tekst, waarbij
tags het onderscheid duidelijk maken tussen vorm en inhoud. Om
even terug te keren naar het voorbeeld van het jaarverslag: iedere
medewerker kan net zo goed gewone tekst produceren om zijn bijdrage te
leveren, en die voorzien van tags die de betekenis van
elk stukje tekst aanduiden. Op die manier kan de secretaris een
programma laten lopen dat alle bijdragen doorloopt en, bijvoorbeeld,
de inhoud gestructureerd in een gegevensbank plaatst, van waaruit dan
(opnieuw automatisch) een jaarverslag kan geproduceerd worden.
Zulke ICT-tools bestaan, al jaren, maar worden door het
Microsoft-monopolie doodgezwegen... Een voorbeeld van zo'n tool is
de LATEX tekstverwerker die in één van de volgende paragrafen
kort aan bod komt.
Het zal misschien velen verbazen, maar het belangrijkste
toepassingsprogramma dat leerlingen zouden moeten leren gebruiken is een
editor. Een editor (grafisch of niet) is een programma waarmee
informatie aan een computersysteem wordt gegeven onder de vorm
van tekst-bestanden. En, zoals besproken in de vorige
paragraaf, goede programma's bieden de mogelijkheid om in tekstvorm
invoer te geven die vorm en inhoud uit elkaar houdt.
Een editor is dus één van de meest
flexibele vormen om met computers te interageren, en ermee leren
werken is het ICT-equivalent van het leren schrijven met een pen, en
van de dactylo-lessen uit vroegere tijden.
Natuurlijk vraagt het leren werken met een editor wat tijd, zeker voor
de meer efficiënte editors die toelaten om alle
editeer-commando uit te voeren met alleen maar toetsencombinaties, dit
wil zeggen, zonder bij elke actie te moeten overschakelen van
toetsenbord naar muis en terug naar toetsenbord zoals in programma's
gebaseerd op grafische interfaces. Maar de tijd ``verloren'' aan het
aanleren van een goede editor winnen de leerlingen gedurende hun hele
verdere leven ruimschoots terug. Vergelijk de inspanning van het
aanleren van een editor met het aanleren van een gesproken taal: het
is mogelijk als toerist naar gelijk welk land in de wereld te reizen,
en jezelf verstaanbaar te maken door naar voorvertaalde zinnetjes in
een reisgids te wijzen, maar als je echt iets van het bezochte
land wil leren kennen gaat er niets boven het spreken van de lokale
taal. Op de wereld bestaan honderden natuurlijke talen, en het is dus
niet vanzelfsprekend om die allemaal
onder de knie te krijgen. Op ICT gebied is de situatie heel wat
gunstiger: je hoeft maar één enkele editor te kennen om te kunnen
``praten'' met alle programma's. Tenminste, als die programma's
dat toelaten, wat vaak niet het geval is met commerciële software:
zij verhinderen vaak dat gebruikers interageren met het programma op
de manier die voor hen het meest efficiënt is.
Editors dienen als fundament voor andere basisprogramma's:
elektronische communicatie, echte tekstverwerking (zie later),
gegevensbanken, programmatie. Een goede editor draait onder alle
besturingssystemen (zodat een gebruiker overal zijn
editor-vaardigheden optimaal kan aanwenden), heeft gevorderde zoek- en
vervang-functies, biedt ``syntax highlighting'' aan voor alle formele
computer-talen (HTML, LATEX, SQL, C++,
...) maar ook voor communicatie via email of op nieuwsgroepen, laat
gebruiker toe om persoonlijke voorkeursinstellingen op te slaan in
aparte configuratie-bestanden, kan volledig via het toetsenbord
bediend worden voor wie wenst snel en efficiënt te werken zonder om
de
drie tellen naar de muis te moeten grijpen, en kan gebruikt worden binnen
in andere programma's zodat gebruikers steeds kunnen werken met de editor
die ``in hun vingers'' zit. Een goede editor ``groeit'' ook mee met de
vaardigheden van de gebruiker: een grafische ondersteuning voor beginners,
en hopen extra ``commando-lijn''-functionaliteit voor de meer gevorderden.
Die grafische ``instap''-versie moet trouwens zodanig zijn dat ze het
gebruik van de ``commando-lijn''-functionaliteit duidelijk maakt en
stimuleert. Een editor leer je voor je leven, en wil je ter beschikking
hebben op alle computers waarmee je werkt. Klassieke voorbeelden van goede
editors zijn
emacs
en
vim, beide beschikbaar op
alle computerplatformen, en beide al gedurende tientallen jaren
gerijpt en geoptimaliseerd voor efficiënt en veelzijdig gebruik. De
laatste jaren verschijnen er een hoop nieuwe editors, vaak ook van goede
technische kwaliteit, met beperktere mogelijkheden dan emacs of
vim, en meestal (enkel!) op grafische leest geschoeid.
Het feit dat Microsoft geen goede editor aanbiedt in zijn
besturingssystemen is helemaal geen toeval, maar nog maar eens een
bewijs dat software firma's hun klanten ``dom'' wil houden om ze zo
des te sterker aan zich te kunnen binden. De vrijheid die een editor
biedt als basis-gebruiksmiddel voor flexibel en open ICT ondermijnt
inderdaad hun machtspositie.
Tekstverwerking verdient extra aandacht als een basisvaardigheid,
omdat dit waarschijnlijk de toepassing is waarmee de meerderheid van
de scholieren levenslang in aanraking zal komen. Daarom is het des te
spijtiger dat de huidige de facto manier om tekstverwerking aan te
leren uitsluitend gebruik maakt van zogenaamde WYSIWYG
tekstverwerking (What You See Is What You Get):
- WYSIWYG doet weinig moeite om vorm en inhoud te scheiden, en
heeft weinig ondersteuning voor het aanmaken van
gestructureerde teksten.
- WYSIWYG is een hoofdzakelijk procedurale manier van werken.
- teksten krijgen een uitzicht met lelijke typografie, omdat gebruikers
onverantwoord beroep doen op alle ``toeters en bellen'' die ze onder handen
krijgen, en omdat weinig commerciële tekstverwerkers goede
typografie onder de motorkap hebben. Kijk eens even rond in je
omgeving, en je merkt dat volgende zaken meer regel dan uitzondering
zijn: vette titels die dan nog eens extra onderlijnd worden; kris-kras
door elkaar gebruiken van verschillende lettertypes en lettergroottes;
manuele formattering van paragrafen en opsommingen met behulp van
tab-toetsen, ``-'' tekens, extra spaties en dies meer; paragrafen die
nu eens gescheiden worden door twee witregels, dan weer door één
enkele, en dan weer door drie; enzovoort.
- de gebruiker is voortdurend bezig met opmaak van de tekst, wat
de aandacht afleidt van structuur en inhoud. Studenten
verspillen vaak massa's tijd aan de opmaak van het schutblad voor een
verslag, of aan de positionering van een figuur binnen in hun lopende
tekst, terwijl ze dus minder tijd en concentratie overhouden om de
inhoud en de structuur te verzorgen.
- de standaard-instellingen van programma's zoals WordPerfect of Word
zijn typografische miskleunen, die 500 jaar ervaring met tekstopmaak
overboord gooien. Vergelijk eens de opmaak van een boek van, pakweg,
vijftig jaar geleden met de resultaten van die hedendaagse tekstverwerkers,
en merk op dat, zoals met alle vaardigheden, het meesterschap ligt in
soberheid, opleiding en discipline, en niet in de
``gebruiksvriendelijke'' ondersteuning van een overdaad aan features.
- WYSIWYG-opmaak heeft de ambitie om onmiddellijk de invoer van
de gebruiker te verwerken tot een ``definitieve'' vorm. Deze ambitie is
onmogelijk te vervullen voor ietwat langere en/of complexere
documenten, omdat heel wat vormgevingsaspecten de hele tekst in
zijn globaliteit moeten verwerken: nummering van figuren en
pagina's, kruis-referenties binnen en buiten de tekst, plaatsing van
figuren, opmaken van een index, consistente stijl van sectie-hoofdingen,
enzovoort.
Alternatieven voor WYSIWYG-tekstverwerking
bestaan reeds tientallen jaren, in de vorm van wat men wel eens
WYSIWYM noemt: What You See Is What You Mean. Dit soort
tekstverwerking (met LATEX, HTML en SGML als typische voorbeelden) werken
volgens het principe dat gebruikers in een editor hun tekst
intikken, en in die tekst aanwijzingen geven over de betekenis van
stukken van hun tekst. Het document dat u nu leest is geschreven met
LATEX, en daarin gebruik ik structuur-aanwijzigingen zoals
\subsection{Programmeren} om de hoofding van de onderstaande sectie
aan te duiden zonder te expliciteren hoe de opmaak van
die hoofding er moet uitzien; de ``hoe'' uit voorgaande zin is
geschreven als \emph{hoe} waarbij de \emph slaat op de
bedoeling om het woordje ``hoe'' te benadrukken (``emphasize''); enzovoort.
De tekst die in de editor geschreven is, wordt daarna verwerkt
(``gecompileerd'') door de eigenlijke tekstverwerker tot een opgemaakte
tekst; de gebruikers hebben de keuze tussen een (groot) aantal ``stijlen''
die aangemaakt zijn door professionele typografen (en die zorgen voor een
kwalitatief hoogstaande opmaak), en tussen een groot aantal
``eindformaten'' (afdrukbare versie, webpagina, PDF- of
ASCII-versie, enzovoort).
Een belangrijke eigenschap die WYSIWYM-tekstverwerking onderscheidt van
WYSIWYG is dat de inhoud en de opmaak van de tekst gescheiden
worden. Bovendien bestaat de inhoud uit gewone tekst, aangemaakt met een editor, die
veel minder plaats inneemt dan een WordPerfect of Word-bestand met dezelfde
inhoud, die zonder problemen ook na tien jaar nog leesbaar is op elk
computersysteem (probeer dat maar eens met commerciële
tekstverwerkers...), en waarvan de inhoud elektronisch kan verwerkt
worden door andere programma's dan de tekstverwerker (bijvoorbeeld door een
zoek-programma dat je de opdracht geeft om na te gaan in welke teksten uit
je archief je spreekt over ``ICT'', of door een programma dat de
structuur-opdrachten vertaalt naar een ander formaat, zoals van LATEX naar HTML). Een laatste voordeel is dat WYSIWYM-tekstverwerkers
zoals LATEX modulaire uitbreidingen hebben voor alle denkbare
toepassingen: gevordere wetenschappelijke tekstverwerking, opmaak van
muziek-partituren, creatie van computer-presentaties of interactieve
toetsen, koppeling met gegevensbanken om bijvoorbeeld adres-labels of
gepersonaliseerde brieven aan te maken; enzovoort. Het ``geheim'' van deze
flexibiliteit is de openheid van het programma (zie later) zodat duizenden
gebruikers al die uitbreidingen hebben kunnen maken voor hun specifieke
toepassingen, zonder te moeten wachten op één of andere producent
en zonder afhankelijk te zijn van de willekeur van die producent.
Ik volg al meer dan tien jaar aandachtig en kritisch de
ervaringen van studenten die hun thesistekst maken, en de resultaten
zijn zonder meer duidelijk: de gebruikers van een niet-WYSIWYG
tekstverwerker zoals LATEX hebben een week of zo nodig om het concept
en het programma onder de knie te krijgen, maar winnen deze tijd
in veelvoud terug naarmate hun tekst groter en complexer wordt.
Bovendien is het resultaat ook van typografisch professionelere
kwaliteit, en van beperktere omvang op de harde schijf,
en zonder problemen overdraagbaar naar andere computer-systemen
en integreerbaar in de teksten van anderen.
Gevorderd gebruik van WYSIWYM-tekstverwerking hoeft niet per se te
betekenen dat gebruikers een hoop structuur-commando's van buiten moeten
leren: er bestaan grafisch-ondersteunde editors voor LATEX, HTML
en SGML,
die erg lijken op de WYSIWYG-tekstverwerkers, maar die de gebruiker niet
toelaten om typografische ``vloeken'' te produceren. Maar ik pleit
voor de ``minder gemakkelijke'' weg: het aanleren van het
WYSIWYM-concept loont onbetwistbaar de moeite, aangezien het
levenslang en universeel bruikbaar is.
Laat de kinderen uitleggen hoe ze hun
verjaardagsfeestje voorbereiden; of een reis met de familie; of hoe zij of
hun leiders een kamp met de jeugdbeweging organiseren; of hoe de
open-deur-dag op school wordt aangepakt. Maak hen erop attent dat mensen
meestal op natuurlijke wijze een verdeel-en-heers-strategie
gebruiken om de complexiteit van problemen te reduceren tot een aantal
kleine deelproblemen, door de verantwoordelijkheden te verdelen over
verschillende medewerkers. Dit laatste is opnieuw de
object-georiënteerde aanpak die de kop opsteekt: de organisatie
beperkt zich tot het (tijdig) ``verzenden'' van de benodigde boodschappen
naar de deel-verantwoordelijke (die zelf wel uitmaken hoe ze de hun
toegewezen verantwoordelijkheden kunnen uitvoeren), en tot het
synchroniseren en controleren van de resultaten van de werkzaamheden.
Het is een kleine stap van de mondelinge of schriftelijke beschrijving van
de organisatie van de open-deur-dag naar een programma geschreven in een
computertaal. Het belang van dit soort ``programma-ontwerp'' in de
opleiding kan moeilijk overschat worden. Niet omdat we nu per sé van al
onze scholieren programmeurs willen maken, maar omdat het duidelijk en
gestructureerd leren overbrengen van ideeën en structuren een
algemene expressie-vaardigheid is. Of het nu over het schrijven of
documenteren van programma's gaat, of over een kritische bespreking van een
krantenartikel, of over discussies hoe het met het schoolwinkel-project nu
verder moet. Dit aspect van ``programmeren'' hoeft dus helemaal niet in een
informatica-kleedje gestoken te worden, want het is een vaardigheid die in
alle vakken van pas komt.
De basis van goed ``programma''-ontwerp kan best gegeven worden zonder dat
daar een echte computertaal aan te pas komt, dit wil zeggen, in de
natuurlijke taal van het kind. De nadruk ligt daarbij op het nauwkeurig
formuleren van doelstellingen en van de procedure om die doelstellingen te
realiseren; de nadruk mag niet liggen op het aanleren van de
grammatica van een computertaal.
Toch is het reeds van in het basisonderwijs mogelijk om kinderen al spelend
``echt'' te leren programmeren met programmeerspelletjes zoals
Logo, of
speelgoed zoals
Lego
of
Fisher Technik
die ondertussen ook (proceduraal!) programmeerbaar zijn geworden.
Laat de leerlingen informatie zoeken over een bepaald
onderwerp via de bibliotheekcatalogus, via een zoek-machine op het
Internet, en door uitleg te vragen aan ouders of leerkrachten. Maak hen
attent op het ``object'' gegevensbank dat gemeenschappelijk is aan al deze
bronnen: een gegevensbank is een opslagplaats van informatie, waarin die
informatie op een gestructureerde manier opgeslagen is, en waar men, in het
algemeen, dezelfde informatie kan consulteren via enorm veel verschillende
zoekwegen.
In hun zoektocht zullen ze informatie vinden op papier, in verschillende
talen, in tekstvorm of als figuur, als geluidsfragment of als beeld.
Sommige van deze informatie-dragers zullen ze misschien niet kunnen
gebruiken, omdat ze geen toegang hebben tot een ``vertaler'' naar de
informatiedragers die ze begrijpen.
Computers houden informatie bij in zogenaamde ``bestanden''. Alle bestanden
hebben een bepaalde formaat: een bestand met de HTML-tekst
van een webpagina heeft een andere structuur dan een Word-document; de
structuur wordt in een bestand gelegd door
sleutelwoorden met een specifieke betekenis afhankelijk van het type
bestand. Een ``gegevensbank'' is een speciaal soort bestand (of groep van
bestanden), speciaal bedoeld om massa's gegevens bij te houden, en met een
structuur die efficient zoeken toelaat. Het aantal gegevensbanken waarmee
we in onze dagelijkse activiteiten bewust of onbewust in aanraking
komen groeit gestaag: je belt naar de inlichtingen van de
telefoonmaatschappij en je krijgt je
antwoord snel via de gegevensbank van alle abonnees; je bestelt een stuk
speelgoed via Internet en zowel de bestelling, de logistiek als de
verzending maken gebruik van meerdere databanken; als je zoekt op een
zoekmachine op Internet naar alle naamgenoten die een eigen webpagina
hebben gebruik je één van de grootste gegevensbanken ter wereld;
enzovoort.
Laat de leerlingen, bijvoorbeeld, een bestand maken met daarin de
namen, straatnamen, gemeenten, geboortedata, hobbies, schoolresultaten, en
klasgegevens van alle kinderen in de school, alles in een welbepaalde
structuur, die ze zelf mogen kiezen. Maak hen nu wel duidelijk dat dit
geen gegevensbank is. Om de eenvoudige reden dat het opzoeken van,
bijvoorbeeld, de hobbies van de kinderen die deze week jarig zijn
meer dan evenredig meer tijd vraagt naarmate de lijst langer wordt;
een echte gegevensbank heeft zijn gegevens zodanig gestructureerd dat de
zoektijd veel minder dan evenredig toeneemt met de grootte van de
gegevensbank.
De essentie van ICT is eigenlijk het opslaan, uitwisselen en verwerken
van informatie, in elektronische vorm. Daarom is het belangrijk om de
leerlingen bewust te maken van de problematiek van het verstandig opslaan
van die informatie: hoe bewaar ik gegevens zodat ze
- universeel leesbaar zijn. Dus ook wanneer de gegevens uitgewisseld
worden tussen verschillende besturingssystemen (MacOS, Unix/Linux, OS/2,
DOS, Windows, BeOS, enz.) of
verschillende toepassingsprogramma's (gegevensbank, tekstverwerker,
email-programma, ...), of gelezen moeten worden door mensen met een
andere taal of alfabet, of door blinden.
- een minimum aan plaats innemen. Je stuurt geen groot
tekstverwerker-bestand door de email om de agenda van een vergadering aan
te kondigen, maar wel gewone ASCII tekst. Je gebruikt op een
webpagina geen figuren die ingescand zijn aan een resolutie van 500dpi
(``dots per inch''). Je stuurt geen Excel-bestand om de taakverdeling
tijdens de open-deur-dag van de school mee te delen.
- ze ook nog in de toekomst raadpleegbaar zijn en niet ten gevolge van
ondertussen gewijzigde bestandsformaten niet meer kunnen geopend worden.
Kijk eens rond in je eigen omgeving en probeer toegang te krijgen tot
de elektronische informatie die iemand, pakweg, vijf jaar geleden heeft
ingevoerd...
De (enige!) oplossing voor dit probleem zijn open
bestandsformaten. Het is niet zo
moeilijk om in te zien dat het gesloten houden van bestandsformaten één
van de grootste belemmeringen is op het vrij uitwisselen van informatie.
Bedrijven hebben er inderdaad belang bij om de gebruikers van hun
programma's ``vast te houden'' binnen de eigen gesloten bestandsformaten
van het bedrijf; het wijzigen van die formaten betekent immers een
gegarandeerde nieuwe bron van inkomsten, door de verkoop van ``upgrades''.
En het verhindert gebruikers om over te stappen naar concurrerende
software.
Bespreek welke ontwikkelingen de mensheid heeft doorgemaakt in verband
met persoonlijke en maatschappelijke hygiëne. Met maatschappelijke
hygiëne bedoelen we bescherming en beveiliging van goederen en
gebouwen. Sta even stil bij het feit dat we het als vanzelfsprekend
aannemen dat we de deur van ons huis sluiten, dat we kinderen leren om
niks aan te nemen van vreemden, dat we onze gebouwen (laten)
schoonmaken, enz.
Vergelijk nu de zojuist beschreven gewoonten met hoe de doorsnee
computer-gebruiker handelt om zijn ICT-zaken op orde te houden. Wat
betekent ``opruimen'' op je PC? Wat betekent ``de deur sluiten''? Wat
betekent ``niets aannemen van vreemden''? Bespreek wat er allemaal
kan mislopen als deze elementaire hygiëne-regels niet gevolgd worden:
overlopende harde schijven, verlies van gegevens, noodzaak tot
herinstalleren van software, virussen, inbraken op de PC, enz.
Vaak wordt er op websites gevraagd om persoonlijke gegevens in te
vullen. Hoe ga je daarmee om? Hebben de vragers het recht om dit te
vragen, en heb jij het recht om dit te weigeren (of nep-gegevens in te
vullen)? Waarom doen deze sites dat? Verkopen ze die gegevens aan
marketing-bedrijven? Kom je terecht in ``spam''-lijsten?
Wat zijn de mogelijkheden en de gevaren van diensten zoals Microsoft's
Passport, die eenmaal je paswoord vragen en je dan automatisch
toelaten tot alle websites waarvoor je een authorisatie nodig hebt
en/of waarvoor je betaald hebt. Hoe komt het dat zo'n dienst in handen
van Microsoft automatisch leidt tot een nieuw monopolie, namelijk een
monopolie op het betaalde Internet? Wat zijn de gevolgen
als de hele wereld zijn betaal-verkeer via de servers van één
enkel, niet-controleerbaar bedrijf laat verlopen?
Deze module leert de leerlingen beseffen waarom sommige programma's of
systemen kwetsbaar zijn voor virussen of inbraak, en dat ze voor een
heel groot stuk zelf verantwoordelijk zijn voor hun eigen
ICT-hygiëne.
Zelfs als adolescent ben je hoogstwaarschijnlijk al wel in contact
gekomen met één of andere administratie van de overheid: afhalen
van een nieuwe identiteitskaart, adresverandering, registreren van je
hond of fiets, enzovoort. En je hebt je misschien wel afgevraagd of je
al die paperassen niet vanaf je computer thuis zou kunnen aanvragen of
zelfs invullen. Je bent niet alleen met die vraag, want ook de
overheden van zowat alle Westerse landen hebben plannen in die richting.
Wat kan elektronisch ter beschikking gesteld worden en wat niet?
Wat zijn de vereisten waaraan een veilige elektronische
dienstverlening van de overheid moet voldoen? Wat zijn democratische
en economisch verantwoorde manieren om iedere burger toegang te geven
tot deze elektronische dienstverlening? Wat is de ``digitale kloof''
en hoe is hier aan te verhelpen? Wat vervangt de handtekening op
papier?
Laat de leerlingen de beginsels van de vrije markt
ontdekken: de vrije markt levert een veelheid aan
keuze-mogelijkheden voor consumenten (hoeveel verschillende merken
GSMs of corn flakes kan je wel niet kopen); de werking van de (echt) vrije
markt is transparant (consumenten zijn goed ingelicht over welke
leveranciers er zijn, en welke kwaliteit ze leveren);
concurrerende producten zijn onderling uitwisselbaar (elke
camera werkt met filmrolletjes van alle leveranciers; elke HIFI-keten
werkt met CDs van alle leveranciers; alle auto's kunnen banden en
batterijen gebruiken van alle leveranciers; enz.); en (dus) zijn de
consumenten kritisch (ze kiezen de voor hen optimale
prijs/kwaliteit-verhouding). Bovendien treden overheden steeds vaker
op om de scherpe kantjes van de zuivere markt af te ronden: ze geven
financiële steun aan innovatieve starters die met hun nieuwe
producten moeten opboksen tegen financiëel oppermachtige
wereldconcerns; ze reglementeren de markt zodat niemand een oneerlijk
voordeel krijgt; ze leggen standaarden op; enzovoort.
Als je bovenstaande beschrijving van de ``normale'' consumentenmarkten
vergelijkt met de toestand op de software-markt, dan valt onmiddellijk op
dat deze laatste helemaal geen vrije markt is: producten zijn helemaal niet
gemakkelijk uitwisselbaar, de consument is helemaal niet kritisch of
volledig ingelicht, en kan zeker niet met minimale kosten van zijn oude op
een nieuwe leverancier overschakelen. Opnieuw zijn het vooral de gesloten
bestandsformaten die de vrije concurrentie verhinderen. Maar er is meer dan
alleen de bestandsformaten: ook de keuze aan toepassingsprogramma's is
uiterst beperkt. Terwijl we het vanzelfsprekend vinden dat er wereldwijd
tientallen producenten van aardolie zijn, of auto's, of huishoudtoestellen,
of GSMs, blijkt deze overvloed aan producenten niet te bestaan voor
software! De reden hiervan is reeds lang bekend, en geldt voor alle markten
waar uitwisselbaarheid van producten niet bestaat: increasing
returns. Dit wil zeggen dat de consumenten in een niet-open markt door hun
individueel koopgedrag als vanzelf een monopolie gaan creëren: omdat ze
hun (in dit geval, software) product met zoveel mogelijk anderen willen
uitwisselen kiezen ze voor de producent die het grootste
marktaandeel heeft; deze producent geniet dus van het omgekeerde effect dan
wat er in een open, concurrentiële markt gebeurt: hij kan zijn winstmarges
verhogen naarmate de markt groeit en hij dus meer gebruikers in zijn
macht heeft. Deze situatie heeft zich in het
verleden reeds voorgedaan in de telefonie (AT&T monopoliseerde de
Amerikaanse markt tot aan haar verplichte opspliting, waarna de
dienstverlening en de kostprijs van telefonie spectaculair verbeterd zijn
in het voordeel van de consument), de video-industrie
(VHS haalt het tegen BetaMax en Video2000, met een technisch minderwaardig
product), en de Internet-wereld (TCP/IP
haalt het op andere protocols zoals X25); het meest extreme en actuele
geval is natuurlijk Microsoft.
Zulke situatie is niet gezond (tenzij voor die ene monopolist). De
remedie is meer open software. ``Open'' betekent hier niet
noodzakelijk hetzelfde als bij de ``Vrije Software'' die later
in de tekst aan bod komt; het woord ``open'' slaat hier op de
eigenschap dat de specificaties van de software (d.w.z., de zogenaamde
API, Application Programming Interface) volledig beschikbaar
zijn, zodat concurrentie mogelijk is met uitwisselbare producten. De
code zelf van de software hoeft daarom niet vrijgegeven te
worden, wat wel het geval is met echte Vrije Software.
Bovenstaande argumentatie om de leerlingen (en leerkrachten!) op te leiden
tot kritische ICT-consumenten stuit vaak op veel weerstand. De
veelgehoorde argumenten om hen niet te moeten lastig vallen met een uitleg
over de ``interne keuken'' van de ICT-wereld zijn: (i) als gebruiker hebben
ze daar toch geen boodschap aan, (ii) de computers worden toch alsmaar
krachtiger zodat we er ons geen zorgen over moeten maken of we nu op een
efficiënte wijze met onze computer omspringen of niet, en (iii) de
prijzen van computers dalen voortdurend, dus zal er wel concurrentie zijn
zeker? Deze argumenten zijn op zijn minst misleidend (bijvoorbeeld: PCs
worden inderdaad steeds goedkoper en krachtiger, maar dit is
uitsluitend te wijten aan de harde concurrentie op de hardware-kant,
en helemaal niet aan het goedkoper worden van de Windows licenties!), en
worden nooit toegepast op andere, reeds langer ingeburgerde
consumenten-artikelen. Dit is misschien het eenvoudigst aan te tonen aan de
hand van een vergelijkend voorbeeld. In de gouden na-oorlogse jaren werden
auto's met dezelfde motivatie gebouwd en gebruikt als computers en software
nu: natuurlijk moesten ze rijden, maar liefst waren ze zo groot(s) en
krachtig mogelijk, om de consument te imponeren. Klanten werden gelokt door
meer chroom of grotere motoren. Ondertussen is men tot het besef gekomen
dat compactheid, recycleerbaarheid, modulariteit, eenvoud en zuinigheid
steeds belangrijker worden. Bovendien is het ondenkbaar dat autobedrijven
de motorkap van hun wagens zouden dichtlassen, om zo te vermijden dat de
geïnteresseerde consument zelf aan zijn motor sleutelt of zijn
technische nieuwsgierigheid bevredigt. De computerwereld gaat
voorlopig nog helemaal de andere kant op: hermetisch afgesloten, steeds
complexere, en steeds meer hardware eisende programma-paketten. (Maar
ook de auto-industrie evolueert terug in die richting: meer en
meer functionaliteit in een moderne auto komt via ingebedde computers,
waartoe de ``garagist op de hoek'' geen toegang meer heeft en geen
herstellingen aan kan verrichten...) Vroeg of laat zal dezelfde
evolutie naar rationelere oplossingen zich
voordoen in de computerwereld zoals zij zich heeft voorgedaan bij al die
andere, reeds meer gerijpte consumentenproducten. Het zal maatschappelijk
onaanvaardbaar worden om om de zoveel jaren computers op de vuilnisbelt te
gooien, enkel en alleen omdat de nieuwe modellen veel krachtiger zijn.
Gebruikers zullen zich steeds meer beginnen afvragen waarom ze zouden
``upgraden'' als hun
huidige hardware en software het nog uitstekend doen, en ze geen nood
hebben aan nog meer toeters en bellen. Zoals de snelwegen en onze
vuilnisbelten slibt ook het Internet dicht, niet zozeer door de toenemende
informatie-inhoud van de aangeboden webpagina's, maar door de groeiende
belasting die de ``verpakking'' van die informatie met zich meebrengt (een
overvloed aan beeldjes en ``special effects'' op de web-pagina's;
boodschappen die verstuurd worden als tekstverwerkerbestanden die
tientallen malen omvangrijker zijn dan de nuttige inhoud van de berichten;
grafische interfaces voor alles en nog wat; muziek of film-fragmenten om
webpagina's of emails ``op te luisteren''). De huidige trend van steeds
nauwer geïntegreerde ``office'' pakketten (tekstverwerking, email,
rekenblad, en dergelijke, in één complex geheel en alles in de gesloten
bestandsformaten van één leverancier) zal ombuigen door een
toenemende vraag van de kritischer wordende consument naar afzonderlijke
componenten van hoge kwaliteit, die wel conform moeten zijn met open
mondiale standaarden en normen, om met elkaar gegevens te kunnen
uitwisselen. Enkel op deze manier kan de concurrentie tussen verschillende
aanbieders van dezelfde functionaliteit maximaal in het voordeel van de
gebruiker spelen.
De Amerikaanse en in mindere mate de Europese markten vertonen nu reeds de
eerste tekenen van een groeiende consumenten-rijpheid. (Niet in het
minst door de groeiende media-aandacht voor Vrije Software
veroorzaakt door het monopolie-proces tegen Microsoft.) Meer en meer
bedrijven bieden eenvoudige en goedkope computer-producten aan (wat
men in het Engels ``appliances'' pleegt te noemen), die slechts een
beperkt aantal taken aankunnen, maar dan wel zonder ``crashes'' en
tegen een lage prijs. Voorbeelden zijn: ``intelligente''
video-recorders, hand-computers, internet-computers, spel-consoles,
domotica, enz. De aandacht en het gebruik van Vrije Software
groeit exponentieel: de webserver
Apache
en zijn
``programmeertaal''
PHP, de scripting-talen
Perl,
Tcl
en
Python,
het besturingssysteem
Linux
en
zijn ``real-time'' variant
RTLinux,
de gevensbank
MySQL,
de desktops
Gnome
en
KDE, het rekenpakket
Octave, de
grafische ``widgets'' van
Qt
en
GTK,
het foto- en bitmap-verwerkingsprogramma
Gimp, de alle
standaarden respecterende browser
Mozilla, het
onlangs onder Vrije Software software licentie gebrachte (en
reeds gedeeltelijk operationele)
OpenOffice, ...
In de ICT-praktijk op school moeten leerkrachten vooral
de verleiding weerstaan om te kiezen voor zogenaamde
geïntegreerde oplossingen (d.w.z., een totaal-programma
dat een aantal deel-programma's vlot data laat uitwisselen) wanneer
die integratie eigenlijk neerkomt op extegratie. Op zich is
elke vergemakkelijking van data-uitwisseling toe te juichen, maar
enkel en alleen indien dat gemak voortkomt van het feit dat
open en standaard bestandsformaten worden gebruikt; de
commerciële aanbieders misbruiken echter het integratie-gemak om
gebruikers aan zich te binden: de integratie lukt enkel met
programma's van de eigen stal. De lange-termijn gevaren verbonden aan
zo'n user lock-in kunnen moeilijk onderschat worden!
5 Keuze van hardware en software
Deze sectie ontvouwt een visie op hoe ICT in het onderwijs moet aangepakt
worden, met het oog op enerzijds het bereiken van de doelstellingen uit de
vorige secties, en anderzijds op wat praktisch haalbaar is.
Beide aspecten van het probleem vinden een oplossing in het idee van ``Open
Software.''
5.1 Hardware
De kreet ``1 computer voor elke 10 leerlingen''
klinkt niet slecht in de oren, maar bij nader inzien heeft deze slogan even
weinig om het lijf als dezelfde kreet ``1 op 10'' wanneer het zou gaan over
boeken in de schoolbibliotheek. Wat men met computers of boeken
doet is veel belangrijker dan hoeveel men ervan heeft.
Vanzelfsprekend geeft meer uitrusting meer mogelijkheden, maar ook hier
schuilt meer dan één addertje onder het gras. Ten eerste, een groot
computerpark impliceert een grote onderhoudslast, een stevig netwerk, en,
niet onbelangrijk, degelijk opgeleide computer- en netwerkbeheerders. Ten
tweede, de commerciële mallemolen in de computerwereld is nu dermate
verhit dat een computerinfrastructuur van enkele jaren oud onterecht het
etiket ``hopeloos verouderd'' meekrijgt. Opnieuw stellen weinigen zich
hierbij de vraag waarom het wel
aanvaardbaar is dat een school, die de opleiding tot automechanieker of
laborant aanbiedt, didactisch materiaal gebruikt (automotoren,
distillatiekolven, enz.) dat men ook al jaren niet meer in echte garages of
labo's aantreft maar nog wel volgens dezelfde principes werkt en dus zijn
educatief doel perfect kan bereiken, terwijl het niet aanvaardbaar zou zijn
om oudere PCs te gebruiken. De moderne computer mag dan al honderden malen
sneller werken dan zijn voorganger van tien jaar terug, de basisprincipes
zijn nog geen jota veranderd! De ``veroudering'' van computers heeft meer
te maken met de perceptie gecreëerd door aanhoudende marketing, en met de
zwaardere belasting veroorzaakt door de nieuwe versies van commerciële
software, dan met een echte toename aan functionaliteit van die software.
Bijvoorbeeld, een 386 of 486 PC is nog altijd ruim krachtig genoeg om te
dienen als
netwerkrouter, of als
(``diskless'', en dus onderhoudsvrije)
grafische terminal
van een server.
Scholen hoeven dus helemaal niet mee te doen met deze commerciële
mallemolen, aangezien er goede en gratis Vrije Software alternatieven
bestaan die heel wat minder eisen stellen aan de hardware dan hun
commerciële concurrenten; bovendien kan in die wereld één moderne
server PC een heleboel andere PCs toegang geven tot gecentraliseerde
toepassingsprogramma's. Bovendien heeft deze oplossing het extra voordeel
dat gebruikers hun gegevens van overal op het netwerk kunnen
bereiken, en programma's kunnen draaien die geïnstalleerd zijn op
andere dan hun eigen computer. Deze trend van client-server
architectuur is groeiend, en wordt nog versterkt door de recente evolutie
in de telecommunicatie-markt: GSM en elektronische zakagenda's zijn
inherent ``genetwerkt'' en nemen meer en meer functionaliteiten over van de
klassieke ``persoonlijke'' computer; dit zal op niet al te lange termijn
voor een drastische verschuiving en mentaliteitsverandering zorgen in de
perceptie van de gewone gebruiker op de ICT-wereld.
5.2 Software
Wie een beetje vertrouwd is met ICT op school beseft al snel dat de
meeste scholen een vrij beperkte verzameling van software-pakketten
gebruiken: Microsoft Office voor tekstverwerking en rekenblad,
Internet Explorer voor web-browsing, PhotoShop en
FrontPage voor aanmaak van webpagina's, en hier en daar ook een
specifiek programma voor wiskunde of natuurkunde.
Er bestaat echter ook een hoop
niet-commerciële (``Vrije Software'') alternatieven
voor al de software die een school nodig heeft, en de
kwaliteit ervan is verbazend vaak vergelijkbaar of zelfs
hoger dan de gangbare
commerciële pakketten (niet-commerciëel mag zeker niet
verward worden met niet-professioneel!). Vrije Software
biedt bovendien keuzevrijheid en onafhankelijkheid, en de ontwikkeling
ervan drijft op een filosofie van openheid en samenwerking die
perfect aansluit bij de waarden die iedereen graag herkent in een onderwijs
van hoge kwaliteit.
De volgende paragrafen gaan dieper in op verschillende aspecten van
Vrije Software, omdat het voor de overgrote meerderheid van de
geïnteresseerden nog altijd niet vanzelfsprekend is om te
begrijpen wat Vrije Software is, en onder welke omstandigheden het kan
ontstaan en een hoge kwaliteit kan bereiken.
Software wordt
``open source''
of ``free software''3 genoemd indien:
- de licentie waaronder de software verspreid wordt gratis is, en
onbeperkt copiëren toelaat.
- de broncode van de programma's beschikbaar is voor al wie
uitbreidingen en verbeteringen wil aanbrengen, of voor wie gewoon
nieuwsgierig is en wil kijken hoe de software precies in elkaar steekt.
- geen enkel individu of bedrijf de vrije en gratis toegang tot
de software aan anderen kan ontzeggen.
Standaarden (voor de uitwisseling en opslag van elektronische informatie)
zijn ``open'' indien:
- ze tot stand zijn gekomen na overleg tussen verschillende partijen
(commerciële zowel als niet-commerciële).
- hun specificaties volledig beschreven zijn.
- deze specificaties voor iedereen toegankelijk zijn.
(Deze tekst gebruikt meestal de term ``Vrije Software'' om zowel de
software als de bestandsformaat-standaarden aan te duiden.) Vrije
Software heeft, dankzij de snelle evolutie van het Internet, op
minder dan tien jaar tijd een enorme vlucht genomen, met als resultaat
een grote hoeveelheid beschikbare software van hoge kwaliteit en zo
goed als verwaarloosbare aanschafkost. Vrije Software wordt op
een, op het eerste zicht, onorthodoxe en ``chaotische'' wijze
ontwikkeld én ondersteund door duizenden vrijwilligers en
professionelen overal ter wereld. (Het besturingssysteem Linux
is waarschijnlijk het best gekende voorbeeld.) Omdat deze methode
sterk verschilt van de manier waarop commerciële bedrijven
software maken, staan vele oningewijden aanvankelijk wantrouwig
tegenover het fenomeen: ``Hoe kan iets dat gratis is ook goed zijn?''
Dit wantrouwen is onterecht.4Het is echter nog wel steeds zo dat Vrije Software weinig
doorgedrongen is tot het onderwijs, om enkele eenvoudige redenen:
- de grote meerderheid van de leerkrachten en beleidsmensen zijn
ICT-onkundig, en hebben onvoldoende praktische ervaring met de
Internet-gedreven dynamiek van Vrije Software-ontwikkeling.
- Vrije Software ontbeert een krachtig marketing-instrument,
zeker in vergelijking met de miljarden-budgetten van commerciële
software-aanbieders.
- Vrije Software heeft nog maar weinig pleitbezorgers
gevonden in kringen van de hoogste onderwijs-instanties en
onderwijs-koepels, zodat het ook in het praktische beleid doodgezwegen
wordt.
Het hoofddoel van deze tekst is om mee te helpen deze scheve situatie
recht te trekken, aan de ene kant door het fenomeen ``Vrije Software''
te demystifiëren en aldus de instapdrempel voor de
kennismaking met, en het gebruik van, Vrije Software te verlagen, en
aan de andere kant door een gemotiveerd alternatief aan te
bieden voor de commerciëel gestuurde ICT-``opleiding'' die heden ten
dage ten onrechte als vanzelfsprekend wordt ervaren en aanvaard, maar
die eigenlijk helemaal geen opleiding is.
De rest van deze tekst legt uit waarom het wantrouwen jegens Vrije
Software ongegrond is. En waarom alleen Vrije Software een
optimale oplossing biedt voor alle aspecten van de invoering van ICT
in het onderwijs.
Gemakshalve verzamelt deze tekst alle Vrije Software soms onder de
gemeenschappelijke en beter bekende term
``Linux'', alhoewel Linux
slechts het topje van een (enorme) Vrije Software ijsberg is. De
internationaal erkende (en beschermde!) term
``Open Source''
software is minder ingeburgerd, maar
zegt wel nauwkeuriger waarover het gaat: de ``source'' oftewel
broncode van de programma's is voor iedereen vrij beschikbaar.
Linux zelf is het meest populaire van een reeks open versies van het
Unix besturingssysteem, maar zeker niet het enige. Een
besturingssysteem is het programma op een computer dat de
verbinding verzorgt tussen de apparatuur (processor, geheugen, harde
schijf, ...) en de gebruikersprogramma's. De kwaliteit van het
besturingssysteem is dus van essentieel belang. Linux is op dat
gebied een alternatief voor de Windows besturingssystemen, en ten
opzichte van Windows zelfs van een technisch superieure kwaliteit.
Buiten het besturingssysteem Linux bestaan er verder nog duizenden, gratis
en/of Vrije Software gebruikersprogramma's.
De belangrijkste redenen om voor Linux en Vrije Software te kiezen zijn:
- Linux is een Unix-besturingssysteem. Unix is veel ouder dan
de meeste andere huidige besturingssystemen, en de onderliggende concepten
en structuren zijn ondertussen al lang uitgepuurd en geoptimaliseerd.
Tegenstanders gebruiken echter de relatief hoge levensduur van Unix
(foutievelijk) als een argument in omgekeerde richting: ze beweren dat het
een voorbijgestreefde technologie uit het verleden is, terwijl hun systemen
``nieuw'' en dus(?) beter zouden zijn. In feite maken jongere systemen,
zoals Apple MacOS en Microsoft Windows, nogmaals de lange en dure
leerschool door die Unix reeds jaren achter de rug heeft; dit bewijzen de
technische evoluties die geleid hebben tot Windows 2000 of Apple MacOS X
ten overvloede. (MacOS X is trouwens gebouwd op een Vrije Software Unix kernel!)
Het fundamentele verschil tussen Unix en Linux aan de ene kant, en Windows
en MacOS is dat de kern van een Unix/Linux besturingssysteem
onafhankelijk is van de grafische gebruikersinterface,
terwijl Apple en Microsoft deze grafische interface (die steeds extra
belasting en complexiteit veroorzaakt) juist als een onlosmakelijk
deel van hun besturingssystemen ontwikkelen. Een aangenaam gevolg van
de inherente modulariteit van Linux is dat dit
besturingssysteem haast nooit vastloopt: complexiteit is immers
makkelijker te bedwingen door te modulariseren (zoals in Linux)
dan te integreren (zoals in Windows). Nog een belangrijk
verschil in het voordeel van Linux is dat het een echt
multi-tasking, multi-user systeem is; de Apple MacOS en Microsoft
Windows besturingssystemen zijn dat nog altijd niet.
Steeds meer professionele gebruikers worden zich bewust van de kwaliteiten
van Unix/Linux, met als (voorlopig) meest markante resultaat dat Linux
steeds meer de eerste keuze wordt op ``server''-gebied, d.w.z., om de
computers draaiende te houden die andere computers in een netwerk van
gegevens en programma's moeten voorzien. Zo werken bijvoorbeeld een
groot deel van de servers aan universiteiten, hogescholen,
internet-providers en bedrijven op Linux of Unix systemen, en/of met
Vrije Software internet-programma's.
- Linux is open en gratis.
En dus wordt het voortdurend verder ontwikkeld door
duizenden medewerkers
verspreid over de hele wereld, die via Internet programma's uitwisselen en
testen. Niemand is eigenaar van de software, en alle
broncode
is
voor iedereen beschikbaar. Elke nieuwe ontwikkeling wordt dus dadelijk door
vele anderen bekeken, aangepast en/of verbeterd, met een onverbiddelijke
survival of the fittest als gevolg. Deze ``chaotische''
combinatie van entoesiasme, kritische ingesteldheid, competente mankracht,
concurrentie, flexibiliteit en snelheid is door geen enkel commerciëel
bedrijf te evenaren. Bedrijven schermen nu eenmaal angstvallig hun broncode
af, want dat beschouwen ze als hun meest kostbare bedrijfskapitaal. Met als
negatief gevolg dat gebruikers enkel kunnen feedback geven over de
functionaliteit van de software, maar niet over hoe de code zelf kan
verbeterd worden.
- Vrije Software wordt steeds meer en meer ook door
commerciële software-leveranciers ontwikkeld, en het zijn dus
al lang niet meer alleen onbetaalde vrijwilligers die bijdragen aan Open
Software projecten. Dit verhoogt alleen maar de kwaliteit en kwantiteit
van de beschikbare software, maar doet niets af aan de openheid
ervan. De meeste Vrije Software licenties zijn hier immers absoluut duidelijk:
wie verder bouwt op Vrije Software is verplicht zijn
uitbreidingen onder dezelfde vrije voorwaarden beschikbaar te stellen.
Op het eerste zicht is het paradoxaal dat bedrijven geld kunnen
verdienen met software die gratis is, maar die paradox verdwijnt snel
als men beseft dat: (i) een toenemend aantal industriële sektoren
toegevoegde waarde leveren via dienstverlening en niet alleen
via productie; en (ii) kosten besparen is ook een vorm
van winst maken.
- Linux is platform-onafhankelijk.
Het draait zowel op de Intel en AMD processoren waarop ook Windows draait, als
op PowerPC (de MacOS processor), Sparc, en Alpha, en nog
vele andere.
Er bestaan Linux-versies voor zowel zeer kleine computersystemen
(ingebouwd in machines of gebruikstoestellen), als voor
super-computers
en
mainframes.
- Er bestaat maar één Linux (terwijl er een hoop
niet volledig compatibele Windows besturingssystemen bestaan), wat de
onderhoudbaarheid en overdraagbaarheid van op Linux gebaseerde programma's
enorm bevordert.
- Linux is aanvaard en ondersteund door alle grote
hardware-leveranciers:
IBM,
SGI,
Hewlett-Packard,
Sun,
Compaq,
Dell,
Siemens.
Dit betekent op termijn waarschijnlijk dat consumenten gaan kunnen
kiezen of ze Linux op hun computer willen geïnstalleerd hebben
bij aankoop. Op dit ogenblik betekent dit dat je met een gerust
gemoed Linux kan gebruiken op de meeste hardware, en dat er een hoop
dienstverlening beschikbaar is op commerciële basis.
- Linux biedt scholen alles om hun leerlingen op te
leiden tot kritische en bekwame ICT-consumenten, volgens het programma dat
hoger in deze tekst is beschreven. Dit is niet toevallig, want Linux is
precies ontwikkeld voor en door kritische ICT-gebruikers.
Op dit ogenblik moet Linux slechts voor Windows onderdoen op het gebied van
het aantal toepassingsprogramma's en randapparaten dat
ondersteund wordt; nog lang niet alle fabrikanten hebben de reflex om
hun programma's en ``drivers'' ook voor Linux uit te brengen, of de
specificaties ervan vrij te geven zodat ze door Linux-medewerkers
kunnen gebruikt worden.
De bestaande Vrije Software programma's
kunnen grosso modo ingedeeld worden in de volgende categorieën:
- Echte Vrije Software, dit wil zeggen software die verdeeld
wordt met een GPL licentie
(``General Public Licence''), of
gelijkaardige OpenSource licenties.
Steeds meer en meer ontwikkelaars stellen hun software ter beschikking
onder deze vorm van
``copyleft''.
Zoals de naam het al laat vermoeden is dit het tegenovergestelde van
``copyright'': in plaats van het gebruik en de verdeling van de
software te beperken verplicht de GPL licentie de gebruiker of
ontwikkelaar om al de code ter beschikking te (blijven) stellen en te
verdelen.
- Visible Source software: deze software is gratis en de
broncode is ter beschikking, maar het monopolie op het aanpassen van de
code en het samenstellen van upgrades hoort toe aan één enkel bedrijf.
Ook Microsoft biedt aan zijn grootste klanten de mogelijkheid om
(delen van) hun software te laten inkijken. Maar hun
Shared Source
initiatief laat niet toe dat deze gebruikers zaken veranderen of met
elkaar een gemeenschap kunnen vormen; en deze open gemeenschap is nu
net het sterkste punt van de Vrije Software.
- Gratis maar niet open software (``shareware'', ``freeware'').
Sommigen individuen zowel als
bedrijven bieden hun software gratis aan, eventueel alleen voor
niet-commerciëel gebruik, zonder de broncode ter beschikking te
stellen, of onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat zij alleen de enige
eigenaar van de code blijven. Soms heeft dit tot doel om klanten te winnen
voor een niet-gratis, uitgebreidere ``professional edition.''
Deze vorm van software-verdeling is erg populair in het onderwijs.
Maar opnieuw verliest deze vorm alle mogelijkheden om in gemeenschap
te gaan samenwerken aan de verbetering en uitbreiding van de software,
zodat freeware-projecten zelden of nooit uitgroeien tot iets met
voldoende kritische massa om ``incontournable'' te worden.
- Commerciële software.
Meer en meer bedrijven brengen hun software ook uit voor Linux tegen
vergelijkbare prijzen en onder vergelijkbare gesloten licenties als hun
versies bedoeld voor commerciële besturingssystemen.
Er bestaat nog een tweede classificatie, die dwars op de bovenstaande
staat: software die al dan niet zo veel mogelijk op de voor Windows
uitgebrachte software wil lijken. Enkele van de meest bekende voorbeelden
zijn: KDE
(samen met Gnome
een alternatief voor de grafische schillen van Windows of Apple),
Gnumeric,
en
StarOffice
(gelijkaardig aan, en zeer compatibel met, Microsoft Office). De code
van StarOffice is ondertussen onder GPL uitgebracht, en dient als
basis voor het vrije
OpenOffice.
Het gevolg van deze ontwikkelingen is dat er nu (voor het eerst in de
geschiedenis van de computer!), concurrentie bestaat tussen echt
vergelijkbare ``desktop'' producten. Zodat eindelijk de echte
rijping van de software markt kan beginnen...
Een goed besturingssysteem is een nodige, maar niet voldoende voorwaarde
voor een goed werkende computer. Goede toepassingsprogramma's zijn de
tweede noodzakelijke component. Ook op dit gebied heeft de hogervermelde
dynamiek
van het
``anarchistische''
Internet voor massa's programma's van hoge kwaliteit gezorgd.
Omdat Vrije Software niet kan rekenen op commerciële marketing
is het tot hiertoe niet echt gekend bij het doorsnee publiek (waartoe
scholen toch nog steeds behoren), en de ervaring leert dat men enkel in
de hoge kwaliteit van Vrije Software begint te geloven als men een Linux
systeem in werking ziet en inzicht heeft in hoe die software tot stand
komt. Om alle misvattingen en euforie te vermijden is het toch belangrijk
om het volgende te beseffen:
(i) het gratis zijn van software is zeker
niet een garantie voor kwaliteit (er zwerft ook een heleboel rommel
rond op het Internet!), (ii) niet alle commerciële software heeft een
Vrije Software alternatief van voldoende hoge kwaliteit om competitief te
zijn, en (iii) de grote keuze tussen verschillende
programma's met vrij gelijkaardige functionaliteiten schrikt menig minder
ervaren ICT-gebruiker af. Maar in het algemeen kan men toch de volgende
punten aanhalen als fundament voor het hoge kwaliteitsniveau van Vrije
Software:
- Veel Vrije Software komt tot stand omdat
gebruikers hun eigen concrete noden willen oplossen en
daarvoor geen geschikte (of goedkope) commerciële aanbiedingen
vinden. Dit betekent dat Vrije Software zich als vanzelf
toespitst op no-nonsense oplossingen die
doen wat de gebruikers wensen.
- Commerciële software wordt vaak gedreven door marketing die
lanceerdata oplegt, terwijl Vrije Software zichzelf enkel
kwaliteits-doelstellingen oplegt en niet gedreven wordt door
willekeurige en onrealistische deadlines.
- Van Vrije Software kan iedereen de broncode inkijken, en aangezien
programmeurs zich niet belachelijk willen maken in de ogen van hun gelijken
zorgen ze ervoor dat er zo weinig mogelijk valt op te merken over de
kwaliteit van hun bijdragen. Het is trouwens niet toevallig precies dit
principe van peer review dat de bloei van de West-Europese
wetenschap en technologie heeft gedragen sinds de Renaissance.
- Deze openheid zorgt er ook voor dat veel meer mensen een
kritische blik op de programma's kunnen werpen dan bij commerciële
software, en dit verhoogt de kans dat fouten snel ontdekt en verbeterd
worden.
- De openheid laat ook toe dat gebruikers zelf de code kunnen
aanpassen aan de specifieke problemen of noden die optreden
tijdens gebruik op een heel breed scala van machines en onder heel
verschillende situaties, wat ook weer niet mogelijk is bij de
ontwikkeling van software binnen in één enkel bedrijf.
- De ontwikkeling van Vrije Software is niet gebonden aan de
ruimte- en tijds-beperkingen van commerciële bedrijven: er wordt
24 uur op 24, 365 dagen op 365 aan gewerkt, er is altijd
on-line informatie beschikbaar, uit Internet-archieven of via
communicatie met menselijke specialisten, en er is inbreng vanuit de
meest verscheiden culturele achtergronden.
- Bedrijven die met dienstverlening bij software hun brood
verdienen hebben er alle belang bij dat die software de best mogelijke in
de markt is. Bovendien verhoogt hun marktwaarde bij de klanten enorm indien
zij zich kunnen voorstellen als belangrijke ontwikkelaars van die software.
- Vele vrijwilligers werken mee aan Vrije Software
voor het plezier of voor de eer. En zoals voor alle andere hobbies, van
modelbouw tot amateurtheater, geldt ook bij het schrijven van software dat
men zorgvuldiger tewerk gaat bij wat men met plezier verricht.
- Vrije Software ontwikkeling benadert zeer goed het theoretisch
ideale model van de vrije markt economie: alle deelnemers zijn
perfect ingelicht (de markt is ``transparant''), en kunnen zich in
hun keuze laten leiden door kwaliteits-criteria (het prijscriterium
valt weg, want de software is toch gratis). Dit betekent dat de
beste projecten overleven, en de minder goede verdwijnen.
- Vrije Software speelt echter bij deze keiharde survival of the
fittest ook nog eens de rol van ideaal recyclage-centrum: alle
bruikbare ideeën en programma-code uit de afstervende projecten
kunnen zonder problemen opgenomen worden in de overlevende projecten.
In de praktijk wacht men natuurlijk niet tot een project faalt
alvorens er de goede ideeën uit te halen. En in tegenstelling tot
commerciële producten is dit ``stelen'' geen misdaad, maar wel een
compliment voor de oorspronkelijke ontwikkelaars! En hun naam blijft
verbonden aan de geschreven code, ook al verhuist die code van het ene
project naar het andere.
- Voor een beginnend programmeur is er geen betere gelegenheid om
de knepen van het vak te leren dan door deel te nemen aan de
ontwikkeling van Vrije Software. Men kan naar hartelust de ogen de
kost geven, en verschillende oplossingen voor gelijkaardige problemen
met elkaar vergelijken.
De bovenstaande argumenten maken duidelijk dat het concept van Vrije
Software enkel werkt indien er: (i) een groot aantal
geïnteresseerde gebruikers kan verzameld worden rond een bepaald
project, en (ii) er tussen die gebruikers er een groot aantal zitten
met voldoende technische bagage om software te ontwikkelen.
In de praktijk werkt een typisch Vrije Software-project als volgt.
Een beperkt aantal personen neemt het initiatief om een nieuw
programma-pakket te ontwikkelen; ze leggen de lange-termijn
doelstellingen vast, programmeren een eerste prototype, en kondigen
hun initiatief aan via het Internet. (Er bestaan speciale ``portals''
voor dit soort initiatieven, zoals bijvoorbeeld
Freshmeat.net.)
De code en documentatie worden ook via Internet beschikbaar gesteld, via
een projectwebpagina. Die pagina bevat bovendien nieuwsberichten over de
recente evolutie van het project, een archief van de mailinglijst waarop
geïnteresseerden met elkaar van gedachten kunnen wisselen en
elkaar bijstaan bij het beantwoorden van vragen, een aantal ``screenshots''
die het programma in werking tonen, en een ``FAQ'' (Frequently Asked
Questions) die de antwoorden op de meest voorkomende vragen bevat.
Eventueel zijn ook voor-gecompileerde versies van het pakket beschikbaar
(``binaries'') die gemakkelijk te installeren zijn op verschillende
computer-systemen.
Na enkele maanden is duidelijk of het project aanslaat of niet. Goede
graadmeters van het succes zijn bijvoorbeeld de snelheid waarmee nieuwe
versies van het programma beschikbaar komen, de intensiteit waarmee de
mailinglijst gebruikt wordt, en het ontstaan van ``mirrors''. (Een
``mirror'' is een exacte copie van de originele website, die de bedoeling
heeft om enerzijds de belasting op de hoofdsite te verlichten, en
anderzijds om gebruikers een toegangspunt te geven dat geografisch dichter
bij huis ligt en dat dus(?) een snellere toegang verschaft.) Elk gezond
Vrije Software project heeft ook een natuurlijke leider, die alle
medewerkers aan het project aanvaarden als de persoon die de uiteindelijke
beslissingen neemt over wat er al dan niet in de software terecht
komt. Natuurlijk leiderschap moet je verdienen, en is niet iets dat je
krijgt louter op basis van je positie in welke hierarchie dan ook.
Veel projecten veranderen af en toe van leiderschap, omdat de vorige
leider niet meer in het project geïnteresseerd is, geen tijd meer
heeft, een betere persoon opgedaagd is, enzovoort. Overdracht van
leiderschap blijkt in de praktijk heel soepel te verlopen.
Andere belangrijke verschillen tussen Vrije Software projecten en
commerciële projecten zijn:
- vrije projecten doen hun best om onderling zo compatibel
mogelijk te zijn. Om de eenvoudige reden dat compatibiliteit in het
voordeel van de gebruiker speelt, en dus het vrije project meer kansen
biedt, enerzijds om zelf gebruikt te worden, en anderzijds om gebruik
te maken van andere pakketten.
- innovatie werkt unificerend voor Vrije Software: goede
nieuwe ideeën kunnen door alle Vrije Software projecten gebruikt
worden, zodat er weinig reden bestaat om een project te
``forken.'' Forken wil zeggen dat de medewerkers aan een
project zich in twee groepen splitsen die elk hun eigen weg gaan.
- zowat ieder vrij project heeft twee versies: een stabiele
versie, waarvan de ``features'' vastliggen en de implementatie
stabiel is; en een onstabiele versie waaraan de allerlaatste
uitbreidingen worden toegevoegd en die dus nog veel meer ``bugs''
bevat dan de stabiele versie. Stabiele versies komen uit met tussenpozen
van een jaar of zo, terwijl actieve projecten vaak dagelijks nieuwe
onstabiele versies aanbieden.
- in een vrij project zijn de ontwikkelaars niet anoniem:
iedereen kan zien wie een bepaald stuk code of documentatie geschreven
heeft, en het is dus veel makkelijker om de juiste vragen aan de juiste
personen te stellen. Ook voor de ontwikkelaars zelf betekent dit een veel
intensievere en directere vorm van feedback, die de kwaliteit van het
project alleen maar ten goede komt.
- Vrije Software levert meer keuze en verscheidenheid, zowel op
het niveau van toepassingsprogrammatuur als op het niveau van het
besturingssysteem. De reden is dat Vrije Software in de eerste
plaats door de gebruikers gestuurd wordt, en gebruikers hebben nu eenmaal
heel verschillende en/of specifieke noden en voorkeuren.
- Vrije Software heeft geen last van bureaucratie: de
medewerkers concentreren zich op hun code of documentatie, en worden niet
belemmerd door klassieke overlast zoals: procedures om geheimhouding te
verzekeren, administratieve aanvragen, verplichte werkuren,
prestatie-rapportering, licentie-administratie, invullen van
formulieren, enzovoort.
- Vrije Software heeft weinig problemen om de beste
mensen aan te trekken (maar zelden voltijds), omdat het hen de kans
biedt hun talenten te laten zien, te werken op dingen die hen echt
interesseren, of omdat het vaak de snelste weg is om specifieke
problemen uit hun professionele omgeving opgelost te krijgen. Dit
alles zonder enig bindend engagement.
6 Educatieve bonus van Vrije Software
De nadruk in de voorgaande secties ligt op de technische en
organisatorische voordelen van Vrije Software. Deze
sectie legt uit hoe het concept en de mentaliteit van ontwikkeling
van Vrije Software extra bijdragen kunnen leveren tot het lenigen
van de educatieve noden van scholen, en tot de volwaardige ontplooiing
van onze kinderen. En de nadruk in deze sectie ligt niet
op het gebied van de ICT!
(Sectie 8 sluit de cirkel, en ontwikkelt een
strategie om dit potentieel in de praktijk om te zetten.)
De huidige kwaliteit van Vrije Software is reeds meer dan voldoende om de
concrete software noden van scholen (en bedrijven) te lenigen:
tekstverwerking, rekenpakketten, communicatiesoftware, servers, grafische
pakketten, enz. Het ``gat'' in het aanbod is echter hetzelfde als dat van
de commerciële software sektor, al is het gat bij Vrije Software nog
altijd een beetje groter: educatieve software, aangepast aan de noden van
de eigen taal en cultuur. Maar ook hier biedt Vrije Software een uitkomst (zij
het niet op korte termijn): wat zich afspeelt op wereldschaal bij de
ontwikkeling van Linux en andere Vrije Software toepassingsprogramma's kan
op kleinere, lokale schaal ook gebeuren bij de ontwikkeling van
educatieve software voor een beperkt taal- en/of cultur-gebied.
Sommige leraren zullen beginnen hun eigen software te schrijven voor
gebruik in hun lessen (of ze zijn daar reeds jaren geleden mee
begonnen, maar zonder de synergetische effecten die samenwerking over
het Internet hen biedt), en zullen zich gesterkt voelen door het
Linux-voorbeeld om hun software met anderen te delen, in alle openheid
te bediscussieren, en op een iteratieve wijze aan te passen aan de
suggesties en ervaringen van hun collega's. Deze software kan
bovendien onmiddellijk en onvoorwaardelijk aangepast worden wanneer de
educatieve noodzaak hiervoor bestaat; en niet wanneer een
bedrijf hiervoor de commerciële ``noodzaak'' voelt. Zo is het
bijvoorbeeld een
niet al te grote moeite om bestaande vrije educatieve software uit een
andere taal om te zetten naar de eigen taal, met
inbegrip van een aanpassing aan de lokale noden. Vanzelfsprekend kunnen
de lokale uitgevers ten allen tijde mee op de kar
springen als zij brood zien in één of andere van deze
ontwikkelingen. Het vrij houden van de software is echter essentieel:
alleen op die manier kan het volledige potentieel aan bijdragen van
leerkrachten en leerlingen nuttig gebruikt worden, en alleen op die manier
is men ervan verzekerd dat de commerciële partners de best mogelijke
dienstverlening blijven bieden. De openheid is bovendien ook een niet te
onderschatten motivatie om de leerlingen en hun ouders bij de ontwikkeling
van de software te betrekken.
Vrije Software wordt ontwikkeld via wereldwijde samenwerking. Er
bestaan geen officiële regels of regelende organen. Om tot een
succesvol resultaat te komen zijn alle medewerkers verplicht met
elkaar te communiceren, afspraken te maken en na te leven. Deze
communicatie gebeurt meestal via zogenaamde mailing lijsten: de
boodschap die je stuurt naar het elektronische adres van een mailing
lijst wordt doorgestuurd naar de elektronische adressen van iedereen
die zich op de lijst ``geabonneerd'' heeft. Het abonnement zelf is
vanzelfsprekend gratis.
Nieuwsgroepen
zijn een gelijkaardig medium: de boodschappen die je er naartoe stuurt
kunnen gelezen worden door iedereen wiens Internet leverancier die
nieuwsgroep ondersteunt.
Je hoeft slechts gedurende een korte tijd de communicatie op enkele van die
lijsten of nieuwsgroepen te volgen om te merken dat die getuigt van zeer
veel respect voor de suggesties, meningen en ideeën van anderen, en dat
er een grote zelf-discipline aan de dag gelegd wordt door alle deelnemers.
Of liever, door bijna alle deelnemers: er zijn er steeds die
agressief, kwetsend of neerbuigend uit de hoek komen. Deze deelnemers
kunnen echter meestal rekenen op verbolgen reacties (``flames'') van de
meerderheid aan normale gebruikers. (Dit soort sociale controle
blijkt om één of andere reden uitgestorven te zijn in de klassieke,
niet-Internet maatschappij...)
De hogervermelde vorm van ongeschreven Internet-beleefdheid heeft de
toepasselijke naam
netiquette
meegekregen. Het loont dus de moeite om scholieren (actief of passief)
te laten deelnemen aan een aantal van deze mailing lijsten. Er zijn er
trouwens ook massa's die met andere dan ICT-onderwerpen te maken
hebben. Het volgen van mailing lijsten is niet alleen nuttig omwille
van de technische scholing, maar zeker ook omwille van het aanscherpen
van je sociale vaardigheden.
De economische theorie van de
gift
verklaart waarom kwaliteitszorg bij Vrije Software projecten zo
succesvol kan zijn. Geld is (vaak, maar niet altijd) als motiverende
factor vervangen door de drang om gerespecteerd te worden
door zijn gelijken: mensen leveren vrijwillige en onbezoldigde
bijdragen omdat ze respect willen
verdienen bij anderen, liefst zelfs bij diegenen die zij zelf
beschouwen als de specialisten en autoriteiten in hun interessegebied.
Het afleveren van hoge kwaliteit is daarbij de enige norm.
Iedereen voelt zich persoonlijk verantwoordelijk indien blijkt dat er
fouten zitten in zijn bijdrage, en doet zijn best om die zo snel
mogelijk te verbeteren (en, in de eerste plaats, om ze zelf te vinden
en te verbeteren vooraleer de code vrij te geven!).
Het bestuderen van Vrije Software ontwikkeling geeft de
scholieren de kans
om te leren hoe men in groep kan samenwerken aan een groot project
en wat de psychologische en economische aspecten zijn van een succesvolle
groep. Bovendien hoeft zo'n project helemaal niet te gaan over het
ontwikkelen van software: scholieren kunnen veel bijdragen tot ``Vrije
Cursussen'' rond alle mogelijke vakken.
Het zelf opzetten van een eigen Vrije Software project biedt nog een extra
dimensie: hier is het niet alleen nodig om in groep te kunnen samenwerken,
maar moet men ook anderen overtuigen van het nut van het nieuwe project, en
moet men de rol van natuurlijke leider trachten waar te maken.
Om respect af te dwingen van zijn evennaaste draagt de individuele
ontwikkelaar graag zijn steentje bij. Maar dubbel of inefficiënt
werk wil men mijden als de pest. Vandaar dat de Vrije Software
wereld altijd reeds een voortrekkersrol gespeeld heeft in de
ontwikkeling en verdediging van
open standaarden
(d.w.z., afspraken over hoe computers of
programma's gegevens uitwisselen en stockeren). Het naleven van die
afspraken garandeert een langere levensduur van de software: standaarden
worden pas vervangen als er technologische nood aan is, niet als
één of ander bedrijf verwacht er commerciëel voordeel uit te
halen. Maar Open projecten hebben niet alleen nood aan dit soort
technologische afspraken, maar evenzeer aan afspraken, compatibiliteiten
en engagementen van samenwerkende mensen onderling; actieve
medewerking aan zo'n project is dus ook op het vlak van de sociale
vaardigheden van samenwerking een rijke leerschool.
Vrije Software ontwikkelaars streven optimale kwaliteit na. Maar
niemand kan precies definiëren wat optimale kwaliteit juist
betekent. Zodoende ontstaan er bij elk project vroeg of laat verhitte
discussies over de voor- en nadelen van alternatieve voorstellen.
Iedere deelnemer weet echter dat een impasse of een zwak compromis de
geloofwaardigheid van het hele project beschadigt, en dus ook de
reputatie van de deelnemers aan dat project. Iedereen verlangt dus
overeenstemming te bereiken, zonder echter zonder meer van zijn
standpunt af te wijken.
Het deelnemen aan dit soort debat verstevigt de democratische vaardigheden
van de scholieren; het volgen ervan leert hen veel over hoe beslissingen
te nemen en te verdedigen in groepsverband.
Vrije Software projecten beginnen niet altijd met een mooi
omlijnd doel voor ogen. In tegenstelling tot veel commerciële
software worden vrije pakketten ontwikkeld in de richtingen die de
deelnemers het meeste interesseren, zelfs als die ver afwijken van de
oorspronkelijke doelstellingen. Projecten zijn dus enkel maar
succesvol indien de deelnemers dit proces van creativiteit in goede
banen kunnen leiden. Zeer vaak wordt de innovatie binnen een project
gedragen door één of twee mensen, die de krijtlijnen uitzetten
waarbinnen tientallen anderen de ``details'' invullen.
Meewerken aan Vrije Software betekent in veel gevallen ``je plan
trekken.'' Je kan wel terecht op de mailing lijst van het project voor
discussie en ideeën, maar regelmatig sta je er alleen voor. (Niet
dat dit erger is dan wanneer je enkel commerciële software zou
gebruiken: in dat geval kan je immers helemaal niets zelf doen om de
software te verbeteren...)
Maar zelfstudie en leren leren zijn toch hoekstenen van
elke moderne onderwijsopvatting, niet?
Scholieren kunnen hun vaardigheden op deze domeinen in de praktijk van de
Vrije Software ontwikkeling uitproberen en aanscherpen, en snel
feedback
krijgen over hoe goed ze hierin slagen. Dezelfde praktijkervaring is
ondenkbaar met commerciële software-ontwikkeling, waar geheimhouding de
regel is, en men dus van veel minder mensen feedback kan krijgen.
Vrije ICT-initiatieven (zowel software als documentatie en cursussen) bieden
ouders de gelegenheid om actief bij te dragen tot de kwaliteit van het
onderwijs van hun kinderen. Iedereen kan bijdragen, en zelfs als die
bijdrage beperkt blijft tot het kritisch en constructief nalezen en
verduidelijken van wat anderen reeds gerealiseerd hebben is de
uiteindelijke winst enorm groot. Niet enkel op kwalitatief en
financiëel vlak, maar zeker ook op het vlak van actieve
ouderparticipatie in het onderwijs.
De filosofie achter Vrije Software heeft heel wat te bieden aan het
onderwijs, zelfs als het niet uitsluitend over software of ICT gaat,
want de sociale basisvaardigheden zijn dezelfde: communicatie,
kritische zin, creativiteit en ontwerpen, zelfredzaamheid, engagement,
respect, enzovoort. Vanzelfsprekend is software-ontwikkeling slechts
één van de vele maatschappelijke activiteiten waar leerlingen deze
ervaringen kunnen opdoen. Andere vertrouwde voorbeelden zijn:
jeugdverenigingen, sportclubs, theatergroepen, enzovoort. Is het
toeval dat deze allemaal voor een groot deel steunen op dezelfde
motivatie: hoe verdien ik het respect van mijn medemensen?
7 Een portaal-webstek voor een school en voor het Onderwijs
Het Internet biedt nieuwe mogelijkheden om sneller en intenser samen
te werken, ook voor onderwijsdoeleinden; en veel overheden hebben
gezorgd voor een aanzienlijke verspreiding van computers en
Internet-toegang in scholen. Maar de uitnodiging (uitdaging?) om
beide opportuniteiten te combineren om meer en betere
(elektronische) lesinhouden te creëren blijft tot hiertoe
echter grotendeels onbeantwoord door de leerkrachten.
De idee is niet nieuw, noch origineel, dat een portaal-webstek
als catalysator kan werken om dit proces van samenwerking aan
inhoud in gang te zetten en in goede banen te leiden; het
bestaan en succes van zo vele Vrije Software projecten is het best
mogelijke bewijs. En, zoals andere secties van deze tekst aantonen, is
de onderwijs-wereld en -cultuur de best mogelijke ``biotoop'' waarin
samenwerkings-projecten kunnen gedijen.
Deze sectie van de tekst legt uit welke diensten een portaal-webstek voor
het onderwijs zou moeten aanbieden, en hoe zo'n initiatief praktisch en
optimaal kan gerealiseerd worden. ``Optimaal'' betekent hier: met de
grootste opbrengst voor de maatschappij, niet noodzakelijk met
de grootste opbrengst voor enkele bevoorrechte software firma's.
7.1 Inhoud
De volgende rubrieken zijn nodig (doch niet altijd voldoende!) om van een
portaal-webstek een succes te maken:
- Visie en werking.
Geïnteresseerden moeten te weten kunnen komen wat precies de
mensen achter de portal drijft om het beste van zichzelf te geven,
en op welke wijze de portal kwaliteit denkt te kunnen garanderen.
Het is niet vanzelfsprekend om bezoekers aan de portal te overtuigen van
het feit dat ze kunnen vertrouwen op de relevantie en de
juistheid van de beschikbare informatie en software, en om hen
bewust te maken van, en begrip bij te brengen voor, de visie (en
eventueel de ethische waarden) waardoor de verantwoordelijken van de
portaal-webstek gedreven worden.
- Nieuws uit de onderwijswereld in het algemeen, en de
ICT-sector in het bijzonder. Dit nieuws moet ``gekauwd'' worden door een
redacteur die voeling heeft met wat er leeft in de onderwijswereld, niet
alleen om het publiek uit die doelsector te kunnen boeien, maar zeker ook
om relevante duiding te kunnen geven.
- Interviews met mensen uit de onderwijs-praktijk,
initiatiefnemers achter een educatief project, critici uit de academische
of industriële ICT-wereld, enz.
- Een gegevensbank, waaruit alle software-modules of
lesinhouden kunnen opgevraagd worden. De gegevensbank moet niet alleen de
laatste versie ter beschikking stellen, maar ook alle voorgaande
versies; dit maakt het gemakkelijker om bijdragen (wijzigingen en/of
uitbreidingen aan bepaalde versies) te testen met de specifieke versie die
de toeleverancier van de bijdragen gebruikt heeft, ook wanneer dit niet de
laatste beschikbare versie uit het archief is.
- Mailinglijsten en nieuwsgroepen rond de
aangeboden software
en lesinhouden. Dit zijn werkelijk de ``werkpaarden'' van een actief
project: suggesties, opmerkingen en nieuwe ontwikkelingen worden best zo
snel mogelijk verspreid onder de geïnteresseerde medewerkers, en een
mailinglijst of een nieuwsgroep is hiervoor het best geschikt. Een
mailinglijst werkt volgens een push model (van zodra iemand
informatie heeft, wordt die actief aan de geïnteresseerden kenbaar
gemaakt), en dat is een voordeel ten opzichte van een nieuwsgroep (of een
discussie-forum) dat het pull model volgt (geïnteresseerden
moeten zelf beslissen wanneer ze informatie gaan opvragen). Een nieuwsgroep
heeft echter minder bandbreedte nodig, omdat geïnteresseerden enkel
die berichten echt afhalen waarvan de titel hen aanspreekt.
- Archieven en lijsten met Veel Voorkomende Vragen
(Engels: ``Frequently Asked Questions,'' FAQ) voor die mailinglijsten en de
beschikbare modules. De beschikbaarheid van de collectieve ervaring van
alle voorgangers is van onschatbare waarde voor elke nieuwkomer in een
bepaald domein. Vanzelfsprekend is in zo'n archief een goede zoek-functie
onontbeerlijk.
- Ondersteuning van de gebruikers bij het aanmaken en
aanpassen van bestaand materiaal. De portal moet rijkelijk veel
voorbeelden en richtlijnen ter beschikking houden, waarin
gedetailleerd staat uitgelegd hoe gebruikers zelf nieuwe inhoud kunnen
aanmaken, of bestaande inhoud kunnen uitbreiden of verbeteren.
- Links naar externe verwante webpagina's. Portals hebben wel
eens de neiging hun interesse-gebied te ver uit te breiden, waardoor
bezoekers de focus ervan niet meer herkennen en bijgevolg
minder geneigd zijn om de portal te gebruiken in hun zoektocht naar
oplossingen. Het duidelijk omschrijven van die focus is dus
belangrijk, alsook het doorverwijzen van de bezoeker naar andere
webstekken met complementaire
focus.
- Een eigen, onafhankelijke domein-naam:
http://www.mijndomein.org wekt meer vertrouwen dan
http://www.grote.provider.org/subdomein/mijndomein.html.
- Krachtige zoekfuncties, zowel in de inhoud van de webstek,
als voor de archieven van de mailinglijsten en de educatieve projecten
(software en lesinhouden).
Al de rubrieken van de portal hoeven niet dagelijks van vers materiaal te
worden voorzien, maar toch verhoogt zo'n dagelijkse aanvoer van nieuw
materiaal enorm de ``klanten-trouw'' van de bezoekers. In ieder
geval moet elk artikel in elke rubriek een datum dragen, en moeten de
nieuwe bijdragen met één muisklik in omgekeerde chronologische volgorde
kunnen opgevraagd worden, zodat ook wat minder trouwe bezoekers snel
toegang krijgen tot alle voor hen nieuwe informatie.
7.2 Realisatie
Het recept om een portal succesvol te maken met behulp van bijdragen
van vooral vrijwillige medewerkers, en voor een in de eerste plaats
niet-commerciëel doelpubliek, is reeds meermaals uitgetest in de
praktijk van de Vrije Software. Enkele van de initiatieven die het
gehaald hebben zijn
Freshmeat.net,
Slashdot.org, of
LinuxDevices.com.
(Let wel: het onderhoud van deze websites wordt wel door
betaalde krachten gedaan!) Zij hebben
elk een specifieke focus (aankondigen van nieuwe software, ``community''
nieuws en discussie, en aankondigingen en duiding voor gebruik van
Linux in ingebedde systemen, respectievelijk), en beantwoorden aan de
vereisten uit de vorige paragrafen. Ze hebben hun succes te danken aan
de combinatie van volgende eigenschappen:
- Respect voor de ``mensen op het terrein'': een portal heeft
een belangrijke sociale functie, en mag dus niet betweterig over de hoofden
van zijn ``klanten'' heen informatie en/of commentaar verstrekken.
- Competente ploeg van redacteuren: elke rubriek op de portal
moet verzorgd worden door een kleine groep van redacteurs met meer dan
gemiddelde kennis van het behandelde domein. De redactie-groep hoeft niet
groot te zijn, tenzij men iedere dag een grote hoeveelheid nieuws en
duiding wil brengen.
- Professioneel team van technici en professioneel
materiaal: het vertrouwen van bezoekers in de kwaliteit van een
portal wordt sterk beinvloed door de technische kwaliteit van de server
hardware en software. Regelmatige onbereikbaarheid van de webstek,
verkeerdelijk weergegeven webpagina's, of een zwakke zoek-machine
kunnen de reputatie van een portaal-webstek erg negatief beinvloeden,
ook al is de feitelijke inhoud van de site erg sterk.
Eén van de vaak voorkomende fouten van een ``amateurs''-portaalstek
is de overdaad aan links en grafische effecten op de startpagina:
``In de beperking herkent men de meester.''
- Gebruik van licenties die het vrij maar beschermd
verspreiden van materiaal bevorderen. Een onderwijs-portal kan niet zonder
de gulle en onbaatzuchtige bijdragen van talloze leerkrachten. De huidige
praktijk van de bestaande onderwijs-portals wijst echter uit dat voor velen
de drempelvrees om bij te dragen wel erg groot is. Eén van de redenen is
dat mensen niet graag hebben dat hun inspanningen ``zomaar'' kunnen
ingepikt worden door anderen, die met de pluimen en/of de financiële
baten ervan kunnen gaan lopen. Daarom is het belangrijk om de bijdragen aan
educatieve software en les-inhouden te beschermen met een aangepaste
combinatie van auteursrecht en licentie:
- Iedereen die bijdraagt behoudt het auteursrecht op zijn
bijdragen. Dit houdt onder meer in dat iedere auteur zijn stukken
ook onder andere licenties mag uitbrengen.
- Maar elke bijdrage wordt ter beschikking gesteld voor vrij gebruik
(d.w.z., gratis en onbeperkt) door anderen onder de
bescherming van een Vrije Inhoud licentie.
(Voorbeelden van Angelsaksische oorsprong zijn te vinden op de webstek
van de
Free Software Foundation.)
Zo'n licentie maakt gebruik van het auteursrecht om het ``copyright'' om te
vormen tot een
``copyleft'': het
beschikbare materiaal mag gebruikt worden voor alle doeleinden (zelfs
commerciële), maar het mag enkel verspreid worden vergezeld van
dezelfde licentie, en alle uitbreidingen aan het materiaal moeten
onder dezelfde Vrije Inhoud licentie worden uitgebracht. Op deze
manier krijgen alle medewerkers aan een bepaalde inhoud de
naambekendheid en het bijhorende krediet dat ze verdienen, en hebben
ze tegelijk de zekerheid dat niemand hun inspanningen kan misbruiken.
Het succes van zulke open licentie is reeds lang bekend als het over
software gaat, maar is op dit ogenblik nog veel minder gangbaar voor
de verspreiding van documenten. Een belangrijke uitzondering zijn alle
handleidingen van het
Linux Documentation Project.
(En het document dat u nu aan het lezen bent :-) )
Als initiatiefnemer van een onderwijs-portal plaatst de keuze van een
licentie je voor een ``dilemma'':
- De klassieke manier is om alle inhoud te ``beschermen''
met een protectionistisch auteursrecht dat ervoor zorgt dat de
initiatiefnemers het centrale verdeelpunt worden van de ter
beschikking gestelde inhoud.
- Een Vrije Inhoud licentie maakt het mogelijk voor derden om met
dezelfde rechten dezelfde inhoud beschikbaar te stellen (en uit
te breiden) via een andere webstek. De oorspronkelijke
initiatiefnemers lijken op die manier hun ``greep'' op hun creatie te
verliezen.
Dit is echter niet zo: hun namen blijven onlosmakelijk met
de inhoud verbonden, onafhankelijk van de geografische of
elektronische plaats van waaruit de inhoud verdeeld wordt. Het
resultaat is wel dat ze hun portal niet uitsluitend kunnen
aantrekkelijk maken door het leveren van de inhoud: de
dienstverlening errond wordt even belangrijk. De praktijk in de
Vrije Software wereld wijst uit dat geïnteresseerden
bijna altijd eerst wenden tot de initiële initiatiefnemers met
hun bijdragen of commentaren; het is dan aan hen om hierop snel en
gepast te reageren. Indien dit niet gebeurt dan treedt vroeg of laat
iemand anders op de voorgrond om het ``leiderschap'' over een bepaald
pakket met inhoud over te nemen.
- Gebruik van open bestandsformaten. De bruikbaarheid van
les-materiaal verhoogt naarmate het materiaal op meer hardware en software
platformen kan gebruikt en aangepast worden. Vandaar de noodzaak om het
materiaal te creëren in een bestandsformaat dat volledig open is, en dus
de gebruikers niet vastbindt aan één bepaalde leverancier, en één
bepaalde versie van zijn software.
Voorbeelden van open formaten die ter
beschikking staan om elektronisch tekstmateriaal te verspreiden zijn:
- In editeerbare vorm:
HTML, en zijn opvolger
XML
(gebruikt in het
OpenOffice-project), of
DocBook
en
LATEX.
- In consulteerbare vorm: het Portable Document Format
(PDF).
Word is zeker geen goede kandidaat: het sluit de gebruikers in in het
proprietaire net van Microsoft, en het formaat wijzigt te vaak om
betrouwbaar te zijn voor lange-termijn projecten.
SVG
en
PNG
zijn geschikte
formaten voor, respectievelijk, vector- en bitmap-figuren.
- Gebruik van de juiste Vrije Software tools: Internet,
communicatie en servers zijn drie sterke punten van de Vrije Software
wereld, en dus zijn er voor alle noden van een moderne portal kwalitatief
hoogstaande Vrije Software pakketten aanwezig:
- Apache
als flexibele
webserver, uitbreidbaar met een hoop modules om extra functionaliteit te
verschaffen: PHP
als
``server-side'' scripting taal (vooral om de koppeling met een gegevensbank
te realiseren), SSL
voor beveiligde communicatie, enzovoort.
- CVS
voor het bewaren en
ter beschikking stellen van verschillende versies van een pakket (software
of les-inhouden), met de mogelijkheid om incrementele bijdragen te beheren
van verschillende personen tegelijk.
- Mailman
voor gearchiveerde
mailinglijsten, en
Phorum
voor discussie-fora. (Er bestaan meerdere goede pakketten met vergelijkbare
functionaliteiten.)
- MySQL
en
PostgreSQL
als gegevensbank.
- Slashcode,
Zope, of
Midgard
voor
``community'' informatie en discussie.
- ht://Dig
voor het zoeken
in grote hoeveelheden webpagina's.
- Linux of OpenBSD als krachtige, robuuste en veilige server.
- Een standaard rond meta-informatie voor lesmateriaal. In een
grote gegevensbank vol lesmateriaal is het niet eenvoudig om de
spreekwoordelijke speld in een hooiberg te vinden. Een gestandaardiseerde
manier om de inhoud van lesmateriaal te beschrijven op zodanige wijze dat
zoeken en combineren mogelijk worden bestaat nog niet. Er zijn echter wel
een redelijk aantal projecten aan de gang die dit doel willen bereiken:
Ariadne,
IMS Global Learning Consortium,
...
Van al de bovenstaande criteria zijn die over de Vrije Inhoud
licentie en de open bestandsformaten de
allerbelangrijkste: zij garanderen dat het beschikbare materiaal enkel maar
kan groeien, zowel in omvang, in bruikbaarheid, als in kwaliteit.
De lezer mag niet besluiten dat een Vrije Inhoud licentie elke
vorm van commercialisering uitsluit, door de oorspronkelijke auteurs
of door derden. Maar het ``business model'' verandert wel van
het gebruik van eigendomsrechten als bron van inkomsten naar
het leveren van diensten rond die inhoud. Zo is het
bijvoorbeeld best denkbaar dat mensen geld kunnen verdienen door het
bij elkaar brengen van verschillende les-inhouden, aangepast aan
bepaalde doelgroepen, en met een maximale toegankelijkheid en
navigatie doorheen het materiaal. Dit is hetzelfde model als wat de
Linux-distributeurs zoals
SuSE
of
RedHat
met succes
gebruiken. En niet toevallig zijn deze dienstenleveranciers bij de
grootste contributeurs van materiaal (software in dit geval) onder een
Vrije Software licentie: hoe beter de inhoud, hoe succesvoller hun
compilaties. Bovendien staat hun reputatie op het spel, want de klant
koopt bij hen de garantie dat de verschillende pakketten met
elkaar kunnen samenwerken waar nodig, en dat ze voldoen aan strenge
kwaliteitseisen.
8 Lange-termijn visie en strategie
De vorige secties bespraken een visie op het hoe en het waarom van
Vrije Software en Vrije Inhoud in het
onderwijs; deze sectie geeft een concrete strategie voor een
succesvolle implementatie van die visie.
Het eerste (hardware) deel van de ICT strategie is eigenlijk reeds in
uitvoering: de scholen krijgen computers en communicatiemiddelen. Een
eenvoudige ingreep van overheidswege kan echter de introductie van
Vrije Software
enorm veel vlotter laten lopen: spoor leveranciers aan om de geleverde
systemen ook ``Designed for Linux'' te maken. Zonder in details
te treden: dit vereist enkel dat de harde schijf op een treffelijke wijze
gepartitioneerd wordt (of dat de leverancier er reeds een Linux-versie op
plaatst), en dat de rand-apparaten voldoende standaard zijn zodat ze ook
onder Linux aangesproken kunnen worden. Voor de leverancier is dit een
verwaarloosbare meerkost, die echter de ICT-leerkracht op de school nuttige
tijd kan besparen. De huidige Linux software distributies op CD zijn
gemakkelijk te installeren, ook indien de computer reeds een ander
besturingssysteem draait.
De volgende strategische stap voor de overheid is het opstellen van
``concrete(re) ICT eindtermen''. Er bestaan reeds voorstellen voor
zulke eindtermen, maar deze zijn in veel te vage bewoordingen uitgedrukt.
Hoe concreter de eindtermen, hoe duidelijker de vereisten opgelegd aan de
software (educatieve en andere) zich profileren, en hoe gemakkelijker de
kritische keuze tussen concurrerende alternatieven wordt. Dit artikel
heeft in een vorige sectie reeds de essentie van zulke concrete eindtermen
voorgesteld. Een belangrijke en in deze context relevante les uit de
ontstaansgeschiedenis van Vrije Software is de volgende: ICT is nog
steeds in ontwikkeling, zodat de eindtermen niet door een commissie
van ``specialisten'' als voldongen feiten mogen worden opgelegd, maar
continu ter discussie moeten kunnen gesteld worden door de
basis van geinteresseerde leraars, directies, leerlingen en ouders.
Twee voor de hand liggende media voor deze discussie zijn (i) het
Internet, en (ii) de (in
Vlaanderen) wijdverspreide en neutrale onderwijs-publikaties zoals het
tijdschrift Klasse
tesamen
met zijn Internet-broertje. Af te raden media zijn initiatieven die
louter commerciële beweegredenen hebben en die het educatieve als
een lokaas gebruiken; bekende voorbeelden van zulke
niet-onafhankelijke en niet-objectieve initiatieven zijn Digikids en
CST. KlasCement
is dan
weer wel een voorbeeld van een Onderwijs-portal die een onafhankelijke
koers tracht te varen.
Het succes van een democratisch, op Vrije Software gestoeld ICT
onderwijs staat of valt met de mate waarin de overheid in staat is de
bevolking te stimuleren om eraan mee te werken (en vooral ook
de mate waarin ze zich kan inhouden om de dingen te
reguleren!). De essentie van de
Vrije Software dynamiek is immers dat mensen zich aangesproken
voelen om vrijwillig en onbaatzuchtig bij te dragen tot iets dat
nuttig is voor de maatschappij. Zoals eerder reeds aangehaald is, is
dezelfde dynamiek al decennia lang de drijvende kracht achter
jeugdbewegingen, sportclubs, theatergezelschappen, noem maar op, en
deze dynamiek kan zonder twijfel ook aangeboord worden bij de
invoering van ICT. Enkele suggesties voor een stimuleringsplan zijn:
- Resoluut kiezen voor Vrije Software.
De voordelen zijn velerlei:
- Economisch: het kost niet alleen minder om de scholen
degelijk uit te rusten, maar elke ontwikkeling van specifieke educatieve
tools is ``verankerd'' in de lokale onderwijs-wereld. En elke
investering heeft blijvende waarde: Vrije Software blijft vrij, en kan nooit
``opgeslokt'' worden door bedrijven met
louter commerciële doeleinden. Bovendien kan onze industrie op langere
termijn beschikken over beter opgeleide schoolverlaters, en zelf
de vruchten plukken van de commercialisering van, en professionele
dienstverlening bij, educatieve software projecten.
Elke school zou eens voor zichzelf de (meestal ontnuchterende) proef op de
som moeten nemen, en de optelsom maken van alle software licentie-kosten,
zowel deze gedaan bij aankoop van de computers (het besturingssysteem komt
niet gratis mee, wat de leverancier ook moge suggereren...), als de
jaarlijks weerkerende kosten van upgrades, onderhoud, of huur van licenties.
De overheid beseft onvoldoende hoe de kost van ICT moet berekend worden: de
initiële aanschafkost van computers en programma's maakt minder dan de
helft uit van de totale kost. Onderhoudscontracten, opleiding, upgrades,
hulp bij gebruik, en dergelijke, kosten ook.
- Ecologisch:
Linux is een uitermate aantrekkelijke oplossing, niet alleen omdat het
toelaat om zeer professionele toepassingen te draaien zonder
licentie-kosten, maar ook omdat het ``verouderde'' computers een tweede
leven geeft als terminal aan een krachtigere machine, met beschikbaarheid
van alle mogelijkheden van die krachtige machine. Dus: minder computers op
de afvalberg!
- Politiek: onze scholen zijn niet langer afhankelijk van de
willekeur van een monopolist waarop de overheid geen enkele vat
heeft. Bovendien verplicht een wijde verspreiding van op Vrije
Software gebaseerde systemen in de scholen de commerciële
aanbieders tot eerlijkere concurrentie: zij moeten hun
producten compatibel maken met open standaarden.
Een voor de ICT-toekomst van het onderwijs uiterst belangrijke politieke
ontwikkeling is de nakende beslissing van Europa om software
patenten al dan niet toe te laten. De druk van de grote internationale
software-bedrijven is enorm groot, maar de weerslag op de vrije
verspreiding van ideeën en procedures kan onvoorstelbaar ingrijpend zijn:
indien men inderdaad beslist dat software patenteerbaar wordt, dan worden
niet alleen heel wat triviale software concepten eigendom van bedrijven (en
zal de educatieve software die hiervan gebruik wenst te maken duurder
worden), en staat de deur wijd open voor de patentering van, bijvoorbeeld,
onderwijs-methodes! Deze evolutie ondergraaft de fundamenten van de
Westerse technologische, culturele en wetenschappelijke bloei sinds de 16de
eeuw.
- Maatschappelijk: een grote betrokkenheid van onze eigen bevolking kan
enkel maar leiden tot een grotere voldoening in, en een groter
respect voor, de door de overheid genomen ICT initiatieven.
Bovendien opent Vrije Software een te weinig aangeboorde bron van
ondersteuning voor het onderwijs: de ouders. In Vlaanderen alleen al zijn
er ongetwijfeld enkele duizenden ouders die over voldoende
technische bagage beschikken om mee te helpen aan het ontwerp, de
ontwikkeling en de voortdurende verbetering van de educatieve software
waarmee hun kinderen op school werken.
- Psychologisch: leerkrachten en scholen die nu met Vrije Software
willen experimenteren voelen zich al snel uitgesloten en aan hun lot
overgelaten, omwille van de de facto Microsoft-gerichte politiek van
hun collega's en van de overheid. De reden van deze reactie is
eenvoudig: van overheidswege zijn er nog onvoldoende signalen gekomen
dat Vrije Software kan en mag in het onderwijs. Van zodra zo'n
duidelijk signaal er komt kunnen de geïnteresseerden zonder
risico op sociale uitsluiting hun energie richten op positieve
bijdragen tot educatieve Vrije Software.
- Technisch: Vrije Software biedt oneindige
mogelijkheden voor aanpassingen aan de eigen behoeften. Bovendien ben
je nooit alleen op de wereld: anderen hebben dezelfde problemen of
noden, en dus kan je ervaringen en code uitwisselen. En, last
but not least, indien iemand een fout vindt in een Vrije Software programma, dan kan je binnen de korste keren de verbeterde
versie van het Net halen en gebruiken. Zonder te moeten wachten tot je
leverancier je een upgrade bezorgt.
Een ander technisch criterium wordt tegenwoordig vaak over het hoofd
gezien, omwille van het feit dat scholen (én bedrijven, én overheden)
al twee decennia lang geconditioneerd zijn door het ``personal computer''
model: zowat iedereen denkt dat het normaal en onvermijdelijk is dat een
computer maar voor één persoon tegelijk kan dienen, en dat ieder persoon
ook afzonderlijk elk programma moet installeren op ``zijn'' PC. De
Unix wereld volgt reeds vanaf het begin een andere wijze van organisatie
van de toegang tot de computer: het zogenaamde client-server
model. Dit betekent dat een bepaald programma op slechts één computer
van het netwerk wordt geïnstalleerd, en dat gebruikers vanop hun eigen
``client'' computer ``inloggen'' op die ``server'' computer en zo met het
desbetreffende programma kunnen werken. Hun eigen computer kan dan weer
server zijn voor een andere toepassing. Het grote voordeel van dit concept
is dat de systeembeheerder elk programma slechts op één enkele machine
moet in orde houden. Microsoft heeft 25 jaar lang de persoonlijke computer
als ``innovatie'' gepredikt; maar de marketing van hun nieuwe versie van
hun besturingssysteem, Windows 2000, pakt uit met ``baanbrekende
innovatie'', die op niets meer neerkomt dan het client-server
principe dat Unix (en Linux) al altijd hebben gehuldigd. De echt
nieuwe evolutie (voor Microsoft zowel als voor Unix/Linux) is dat de
browser de universele interface wordt voor steeds meer en meer
toepassingen. Dit heeft opnieuw een positieve impakt op de
platform-onafhankelijkheid van de software, en dus op de gezonde
concurrentie tussen ICT-aanbieders, zowel uit de commerciële als
de Vrije Software hoek.
- Resoluut kiezen voor Vrije Inhoud licenties en
open bestandsformaten voor zoveel mogelijk lesmateriaal.
- Inschakelen van universiteiten en hogescholen.
Studenten en professoren aan onze universiteiten en hogescholen kunnen zeer
belangrijke bijdragen leveren aan de ontwikkeling van educatieve software
en lesmateriaal, en de dienstverlening bij het gebruik van Vrije
Software programma's. Dit zal ook effectief gebeuren van zodra
de overheid deze inspanningen beloont. Bijvoorbeeld door de huidige,
sterk op ``publish or perish'' gebaseerde evaluatie van
academici te wijzigen zodat zij ook ``punten'' kunnen verdienen door
educatieve software te (helpen) ontwikkelen, en door scholen bij te
staan met praktisch advies en opleiding. Of nog beter: geef de
academici die dit wensen de kans om minstens één maand per jaar
hun universiteit in te ruilen voor ``werk op het terrein,'' in
scholen, bedrijven, overheidsadministraties, bibliotheken, enz. Een
deel van hen zal nuttig werk willen leveren bij de
ontwikkeling van educatieve Vrije Software, bij de opleiding van
leraren en leerlingen, en bij de installatie en onderhoud van
computer-infrastructuur.
- Organiseren van wedstrijden, of het uitschrijven van
projecten om software en lesmateriaal
met een specifiek educatief doel te ontwikkelen. Met de
vereiste dat uitsluitend Vrije Software en Vrije
Inhoud licenties worden gebruikt, en dat al het materiaal uitsluitend
in open bestandsformaten wordt geleverd.
- Organiseren en technisch ondersteunen van
mailing-lijsten, nieuwsgroepen en FAQs over ICT en educatieve
software. Dit principe heeft zijn efficiëntie reeds ten
overvloede bewezen bij de ontwikkeling van zowat alle Vrije Software
programma's. Aangezien scholen aan een gunsttarief op het Internet
kunnen moet deze opportuniteit maximaal worden aangewend om de
informatiedoorstroming naar de scholen toe op gang te brengen en te
organiseren. Geen enkele vorm van permanente bijscholing is zo
efficiënt (en goedkoop) als het volgen van mailing-lijsten of
nieuwsgroepen.
- Ondersteuning van pilootprojecten: scholen die initiatieven
nemen met Vrije Software moeten dit kunnen kenbaar maken aan hun
collega's in andere scholen. Een centraal beheerde webpagina met
informatie over, en links naar, deze school-initiatieven volstaat om
de zo belangrijke kruisbestuiving in gang te zetten.
EToS (http://www.mech.kuleuven.ac.be/
bruyninc/etos)
is een initiële aanzet tot zo'n webpagina.
- Maak Linux distributie CD-ROMs en handleidingen beschikbaar in de
scholen en de openbare bibliotheken. Er zijn zeker commerciële
Linux-distributeurs te vinden die een CD-ROM naar maat van het onderwijs
willen produceren en verdelen. Met één enkele CD-ROM rust je al de
computers van je school uit met honderden nuttige programma's!
- Aanmaak en onderhoud van Vrije ICT cursussen.
Iedereen (leerlingen, leerkrachten, ouders, ...) kan meewerken om
zulke cursussen (op papier of elektronisch) aan te maken, uit te bouwen en
aan te passen aan de technische evolutie. Dit idee is trouwens niet
beperkt tot ICT!
- Samenwerking met buurlanden. Vlaanderen en Nederland zijn
voor de hand liggende partners, en ook de meeste buurlanden hebben meer
culturele en educatieve banden met het Nederlandse taalgebied dan met de
Verenigde Staten, van waar nog altijd de meerderheid van de
programmatuur afkomstig is. In Duitsland bestaat reeds enkele jaren
``Freie Software und Bildung'';
een voorbeeld van wat ook bij ons mogelijk is.
Het Franse Minsterie van Onderwijs heeft openlijk partij gekozen voor
Vrije Software, en heeft een
raamakkoord
afgesloten met de Franse ``Linux User Groups'' om hen in te schakelen bij
opleiding en dienstverlening op scholen. In Engeland is men onlangs
begonnen met Open Software for Education. En een wereldwijd
initiatief is
SchoolForge.
- Sponsor in elke stad de lokale
Linux gebruikersgroep,
(LUG, ``Linux User Group''), met afspraken waarbij beide partners baat
hebben:
- laat ze gratis gebruik maken van de Internet en computer
infrastructuur van de school. (Eventueel beperkt in tijd en/of
plaats).
- bied ze lokalen aan, in de openbare bibliotheken, de culturele
centra, of de scholen.
- eis als compensatie dat de LUGs ondersteuning bieden aan de scholen
uit de regio: bij installatie, onderhoud, netwerking, opleiding, ... Het
is ondenkbaar dat de overheid geld wenst uit te trekken om één PC voor
elke tien leerlingen te laten aankopen, zonder zich zorgen te maken over de
grote onderhoudskost die zo'n uitgebreid computerpark met zich meebrengt!
- Linux-groepen zijn ook de ideale plaats om leerkrachten op een
zachte, interaktieve, druppelsgewijze en sociale aangename manier in
contact te laten komen met computers en netwerken, begeleid door
entoesiaste mensen. Deze manier is zonder twijfel aangenamer en
efficiënter dan gedurende enkele
dagen een verplichte cursus te volgen in
klassikaal verband. En als die LUGs dan nog onderdak krijgen binnen de
schoolmuren, dan is het operationeel en up-to-date houden van de
computerinfrastructuur een gezamelijk belangenpunt en dus een gedeelde
verantwoordelijkheid.
- Richt een nationaal (of regionaal) Vrije Software
expertise-centrum in (bijvoorbeeld verbonden aan een universiteit),
dat als overkoepelende Linux User Group optreedt, en waar de
competentie aanwezig is om de zaken
technisch en organisatorisch te coördineren: aanbevelen van software;
coördineren van ontwikkeling van software; thuisbasis van de
mailing-lijsten in verband met onderwijs en ICT; contact met, en advies
over, commerciële partners; bepalen van lange-termijn strategie; ...
(Zo'n centrum bestaat bijvoorbeeld reeds in Duitsland:
BerliOS, Der Open-Source-Mediator.)
In tegenstelling tot de grote hoop van de initiatieven die in
onderwijsmiddens het leven zien is zo'n Vrije Software
expertise-centrum van nature uit netoverschrijdend en neutraal: de
openheid van de
software en documentatie staat daar borg voor. Door de wereldwijde
activiteiten rond Vrije Software zou zo'n expertise-centrum met
weinig middelen een enorm grote hefboomwerking kunnen hebben.
- Versterk de link met de groepen die binnen de onderwijswereld al
enkele decennia lang bezig zijn met de educatieve en
pedagogische aspecten van ICT. Deze groep mensen kan nu eindelijk,
door de huidige evolutie van het Internet, het hele onderwijskorps
bereiken, om de broodnodige ondersteuning en feedback te verkrijgen,
en om op snelle en goedkope wijze hun educatieve software te
verspreiden en te laten evalueren. Maak hen duidelijk dat de openheid
van hun inspanningen van primordiaal belang is.
- Wetgevende initiatieven om alle elektronische
communicatie en gegevensuitwisseling met de overheid (en dus
ook met en tussen scholen) verplicht te laten gebeuren in open
formaten. (Dit lost monopolie-posities van bedrijven zoals Microsoft
vanzelf op!) De motivatie achter zulke wetgeving is dezelfde als
degene die deze tekst heeft
geïnspireerd: onafhankelijkheid; gelijke kansen voor iedereen
en eerlijke concurrentie tussen alle software-bedrijven; en zekerheid van een
lange levensduur voor de gedane investeringen. Bovendien hebben alle
overheidsadministraties en dus ook de scholen de plicht om het hen
toevertrouwde belastingsgeld zo efficiënt mogelijk te beheren,
en om hierbij een zo groot mogelijke neutraliteit aan de dag te leggen. Op
ICT-gebied is Vrije Software de vanzelfsprekende oplossing om deze
verplichting na te komen.
Een verstandige stimulering van de bestaande en denkbare activiteiten op
het gebied van Vrije Software kan een enorme return on
investment teweegbrengen. De overheid moet er alleen maar voor zorgen
dat deze dynamiek niet verzandt door het geheel te ``ambtenarizeren'':
een overheid die Vrije Software ICT in de onderwijs-wereld wil
stimuleren kan dit alleen maar door de leerkrachten haar absoluut
vertrouwen te geven, en de volledige vrijheid om zelf te bepalen welke
paden ze willen bewandelen.
- Moet ik Linux installeren om Vrije Software te kunnen
gebruiken?
Neen: Linux is slechts één van de vele Vrije Software
pakketten; de meeste andere draaien ook onder andere
besturingssystemen. Natuurlijk ga je pas echt de
filosofie van Vrije Software
begrijpen als je ook een besturingssysteem uit die hoek gebruikt.
- Waarom zou ik nog maar eens iets nieuws leren? We hebben al
zoveel tijd gestoken in Windows en Office...
Omdat de opbrengst op middellange en lange termijn enorm groot is:
beter inzicht in de ICT-materie, veel goedkopere software, veel betere
aanpasbaarheid aan individuele noden, veel grotere onafhankelijkheid,
veel grotere levensduur van de investeringen,
enzovoort. Het argument dat men als Windows-gebruiker geen tijd heeft
om nog iets bij te leren is erg gelijkend op dat van de drenkeling in
zijn lekke sloep, die geen tijd heeft om zich te laten redden omdat
hij het te druk heeft met het water uit zijn boot te scheppen...
En, trouwens, is leren levenslang leren niet het motto van het
moderne onderwijs?
- Waarom ontkennen dat Microsoft de standaard is op
ICT-gebied?
Het eenvoudige antwoord is: Microsoft is geen standaard, want zijn
producten beantwoorden aan geen van de definities van het begrip
``standaard.'' De bestandsformaten en API zijn niet of niet helemaal
gepubliceerd, ze wijzigen naargelang de willekeur van één enkel
bedrijf, en zelfs Microsoft programma's onderling geven heel vaak
verschillende resultaten op dezelfde invoer (vooral Word is daar erg
gevoelig aan). Bovendien leert de ICT-geschiedenis dat ``standaarden''
van deze de facto aard vaak erg snel van het toneel verdwijnen,
d.w.z., met een ``levensduur'' van pakweg een tiental jaren.
Vergeet ook niet dat Microsoft een lange geschiedenis heeft van het
``verbeteren'' van standaarden, onder het mom van ``innovatie'' of
``klant-gerichtheid,'' maar in werkelijkheid enkel om zijn machtsgreep
op de gebruiker te versterken.
- Waarom geen Word gebruiken om documenten door te sturen?
90% van de mensen gebruikt toch dat programma...
Ten eerste laat je dan nog altijd 10% van je ``klanten'' in de kou
staan. Ten tweede (zie hoger) voldoen Word-bestanden niet aan de
voorwaarden om als standaard te kunnen beschouwd worden. Ten derde kan
je de grote hoop van boodschappen waarvoor nu Word-bestanden gebruikt
worden evengoed in gewone tekst of in HTML doorsturen. (90% van de
mensen zijn Word-gebruikers,
maar 100% zijn HTML-gebruikers!) Ten vierde zijn Word bestanden
editeerbaar, terwijl het gros van de communicatie enkel
leesbaar mag/moet zijn; en daarvoor bestaan (standaard)
bestandsformaten zoals HTML, PostScript of PDF. Ten vijfde zijn
Word-bestanden al zo vaak de oorzaak geweest van verspreiding van
virussen.
- Ik ben wel geïnteresseerd in de Vrije Software ideeën
en projecten, maar hoe begin ik eraan?
Stap voor stap. Bekijk eerst eens kritisch de huidige ICT-situatie op
je school: waar is die het slachtoffer van user lock-in terwijl er
toch vrije oplossingen voorhanden zijn? Zoek in je omgeving naar een
Vrije Software-alfabeet (bijvoorbeeld iemand uit de lokale Linux
Gebruikersgroep, of een ouder) die samen met jou een aantal
testgevallen wil uitwerken: de Internet-server op Linux plaatsen,
PostgreSQL gebruiken i.p.v. SQL Server, een Vrije Software HTML-editor
uitproberen, enzovoort. Ga dan over tot het uitrusten van een
PC-klas met Vrije Software, voor de leerlingen met enkel maar surf-,
email- en HTML-noden (dit is 95% van het totaal!). Tegen dan ben je
mans genoeg om te
beginnen constructieve kritiek geven op de Vrije Software projecten die
je interesseren, of om zelf actief bij te dragen of je eigen project
op te starten. Gedurende deze hele actie-lijn (reken hierbij op een
termijn van twee jaar) is het belangrijk dat je zoveel mogelijk over
deze zaken praat met directie, collega's, leerlingen en ouders:
bewustmaking is de sleutel tot voortdurend succes.
En je bent zeker niet alleen in je zoektocht naar meer onafhankelijke
en toegankelijke ICT. Kijk even wat anderen aan het doen zijn, op
ontmoetingsplaatsen zoals
SchoolForge
of een
Linux nieuwsgroep.
- Is het niet gemakkelijk dat Microsoft de koers van het
ICT-gebeuren bepaalt? Dan zijn we tenminste zeker dat iedereen op een
uniforme manier werkt...
Dit ``gemak'' is hetzelfde gemak waarvan de vroegere Oostblok-landen
``genoten'': niemand moest een keuze maken, want de centrale overheid
deed dit voor hen...
De vergelijking gaat nog verder: de ``uniforme'' manier waarop
iedereen ``mocht'' werken werd willekeurig bepaald én
gewijzigd met elk vijfjaren-plan.
Weinigen vinden zulke centraal-geleide economie leuk in het gewone
leven, maar blijken er om redenen van ``gemak'' voorstander van te
zijn als het om ICT gaat. Dit komt omdat ICT voor hen (en voor zowat
alle beslissingsnemers in de maatschappij) nog steeds een vreemd
en complex iets is.
Kijk en vraag eens even rond in je onmiddellijke ICT-omgeving, en
zoek uit hoeveel je kennissen vertrouwd zijn met niet-Windows
producten? Bijna altijd is die vertrouwdheid uiterst beperkt, en even
vaak is zo'n vorm van monocultuur enorm schadelijk voor de
creativiteit en vrijheid van de ICT-consument en -ontwikkelaar. In dit
opzicht verschilt ICT immers niet in het minst van andere menselijke
activiteiten.
- Vind je de huidige onderwijs-``portals'' dan niet goed? Er
zijn toch vele honderden programmaatjes op te verkrijgen...
Het probleem met al die lovenswaardige huisvlijt van entoesiaste
leerkrachten is dat ze enkel in binaire vorm (.exe)
beschikbaar zijn, en dus als onafhankeljke eilandjes blijven
voortbestaan. De mogelijkheid tot synergie verdwijnt helemaal
op deze wijze. En het realiseren van die synergie is nu net het sterke
punt van de Vrije Software werkwijze! Bovendien toont geen enkele van die
portals
hoe je efficiënt kan samenwerken om betere programma's en/of
les-inhouden te genereren. En opnieuw geeft de Vrije Software wereld
hier al jaren lang het goede voorbeeld.
- Scholen hebben geen keuze: de industrie vraagt toch dat
mensen ``de facto standaarden'' hebben leren gebruiken?
Dat de industrie inderdaad die eisen stelt is het beste bewijs dat de
ICT-industrie nog in haar kinderschoenen staat, alsook de
bijhorende opleiding. Zoals in alle andere (d.w.z., niet-ICT) sectoren
hebben bedrijven er alleen maar baat bij dat er open bestandsformaten
gebruikt worden, zodat ICT-producten uitwisselbaar worden, en dat dus
concurrentie vrij kan spelen. En concurrentie moet gebeuren op basis
van kwaliteit, en niet op basis van bezit van, en
totale controle over, een bestandsformaat.
Bovendien vragen bedrijven toch ook niet om werknemers die (enkel) met
een BMW kunnen rijden, of alleen maar met een opname-studio van
Philips overweg kunnen; en dat zijn beide toch ook hoogtechnologische
producten, wiens ``gebruikers-interfaces'' niet moeten onderdoen voor
die van een tekstverwerker of tekenprogramma.
- Vrije Software programma's hebben toch geen bedrijven achter
zich staan waar je met problemen terecht kan?
Sommige van de meest succesvolle Vrije Software projecten
(MySQL, SendMail, Apache, GNOME, ...) hebben dat wel! En er staan
heel wat bedrijven en bedrijfjes klaar die contractueel gegarandeerde
ondersteuning voor Vrije Software willen aanbieden. Je kan trouwens
ook terecht op talloze mailinglijsten en nieuwsgroepen. En de
dienstverlening en ondersteuning die je daar krijgt is zeer vaak veel
sneller en completer dan wat je verkrijgt bij Help Desks waar je moet
voor betalen. Het is wel zo dat de ondersteuning niet
gegarandeerd is; maar daartegenover staat dat je bij
commerciële Help Desks vaak van het kastje naar de muur gestuurd
wordt, omdat de producent van de software de problemen afwimpelt op de
hardware, en andersom.
Scholen hebben het bijkomende voordeel dat ze, indien gewenst, beroep
zouden kunnen doen op lokale computer-gebruikersgroepen, in ruil,
bijvoorbeeld, voor het gebruik van de beschikbare computer-infrastructuur.
- Vrije Software verliest toch al zijn nut voor het
onderwijs, nu Microsoft helemaal of bijna helemaal gratis
licenties aanbiedt?
De openheid en onafhankelijkheid blijven een probleem: de hele
ICT-maatschappij blijft op deze manier gedomineerd door
Microsoft, en de ``kost'' van de gratis licenties in het onderwijs
verdient Microsoft in veelvoud terug doordat afgestudeerden in hun
latere beroepsleven ook voor Microsoft software gaan kiezen omdat ze
nooit iets anders hebben leren kennen. Het hele onderwijs blijft dan
immers een gratis opleidingscentrum voor de producten van één
enkele fabrikant...
Tenslotte blijft Microsoft de grootste tegenstander van onafhankelijk
gecreëerde Vrije Software en Vrije Inhoud, en van de verspreiding
ervan.
Dit document is aangemaakt met de
VIM-editor,
en de
LATEX-tekstverwerker.
De elektronische versie (met heel wat hyperlinks) staat op
Commentaren en opmerkingen over dit artikel zijn van harte welkom bij
Ik dank volgende mensen voor hun waardevolle opmerkingen en
bijdragen: Mark Tetrode, Kris Carlier, Johan Andries, Johan Vos, Hubert
Christiaen, Lieven De Samblanx, Kris Luyten, Antoon Pardon, Philip Van
Bogaert, Mark Vanlaethem, Luk Vermeylen, Geert Vernaeve. Ikzelf draag
de volledige verantwoordelijkheid voor de inhoud van de tekst.
| V.1.0 |
22 februari 2000 |
Initiële ideeën. |
| V.2.0 |
1 november 2000 |
Deze
versie
is opgestuurd naar Marleen Vanderpoorten,
Vlaams Minister van Onderwijs. |
| V.2.3 |
1 april 2001 |
Sectie over onderwijs-portaal-webstek;
paragrafen over Vrije Inhoud licentie; licentie veranderd in de GNU
Free Documentation License; hyperlinks nagekeken en uitgebreid;
sectie met Veel Voorkomende Vragen en Uitgebreide
samenvatting toegevoegd; Besluit verwijderd; Edison link toegevoegd. |
| V.3.0 |
15 december 2001 |
Grote herschikking van het materiaal;
extegratie vs. integratie; meer nadruk op educatieve suggesties. |
| V.3.1 |
20 januari 2002 |
Consistent gebruik van terminologie ``Vrije
Software'' en ``Vrije Inhoud'';
aanpassing aan nieuwe strategieën van Microsoft; tekst bruikbaar
gemaakt voor gebruik buiten Vlaanderen; paragraaf over patenten;
Edison link verwijderd. |
| V.3.2 |
23 januari 2002 |
Opmerkingen van Kris Luyten, Philip Van Bogaert
en Anton Pardon geïntegreerd. |
| V.3.3 |
26 januari 2002 |
Paragraaf over gelijke kansen, en nood aan
openbare aanbesteding. |
| V.3.4 |
27 januari 2002 |
Sectie Basisvaardigheden verbeterd. |
| V.3.5 |
28 januari 2002 |
Gratis Microsoft opleiding explicieter
vermeld in uitgebreid overzicht. BerliOS.de toegevoegd. |
| V.3.6 |
31 januari 2002 |
Opmerkingen en correcties van Lieven
De Samblanx geïntegreerd. |
| V.3.7 |
6 februari 2002 |
Kleine accenten in de Uitgebreide
samenvatting bijgevoegd. |
Copyleft
1999-2002,
Herman Bruyninckx.
Hier
is het
LaTeX-bestand van
waaruit dit HTML-document is afgeleid.
Hier
is de PostScript-versie, en
hier
de PDF-versie
Voetnoot
- ... onderwijs1
- Deze tekst draagt de auteursrechterlijke
bescherming van de
GNU Free Documentation License (FDL).
Deze maakt het mogelijk om tekstmateriaal uit te geven onder
gelijkaardige juridische garanties voor vrije verspreiding als de
GNU General Public License (GPL)
voor software.
In mensentaal: je kan deze tekst copiëren en vermenigvuldigen naar
hartelust, zolang je de ontvangers van copies maar dezelfde rechten
op vrije verspreiding garandeert, en eventuele aanpassingen aan de tekst
onder dezelfde FDL-licentie vrijgeeft.
- ... patenten.2
- Een patent is een
van de overheid verkregen monopolie op een idee of uitvinding;
een copyright is een monopolie op één specifieke
uitvoering van een idee. Patenten geven hun eigenaar een veel grotere
macht dan het auteursrecht. Het hele patenten-recht staat in Europa
voor een grote hervorming: ofwel kiest Europa voor een systeem zoals
in de Verenigde Staten, waar men heel makkelijk patenten kan krijgen
op alles en nog wat, ofwel kiest Europa voor een restrictievere
toekenning van patenten, waarin veel strenger wordt toegezien op de
maatschappelijke relevantie en verantwoording van het patent.
- ...http://www.fsf.org''3
- Er
bestaan meer dan tien verschillende Vrije Software licenties,
die onderling in soms belangrijke details verschillen; bijvoorbeeld,
of ze toelaten of een programma in een commerciëel product mag
geïntegreerd worden of niet.
- ... onterecht.4
- Deze tekst gaat niet verder in
op de antwoorden op deze vraag.
Een tot de verbeelding sprekend boek over deze materie is
The Cathedral & the Bazaar: musings on Linux
and Open Source by an accidental revolutionary, van de hand van
Eric S. Raymond, en uitgegeven door O'Reilly.
Herman . Bruyninckx @ mech . kuleuven . ac . be. Generated by LaTeX2HTML
translator Version 2K.1beta (1.55) on Linux,
2002-02-06